an EN 6, tee k ” se 4
me Ss N ie dn) te mint
TEE he
mn nn
f KN ws 204 7 dl Ee hese) ' ope eg v AAA ens, jr sei, wijde boye A
Ge wit EN te sdh ver vl AM U ZEN \ Ee
jv t? Sar) w wer ril ge wanai » ar Vve
WIZZ sey vv VES Inder LA
A 4 : MA Aeel) EAA AA / ! Pen bi AAA AANNAM Asa paar DA aj ARARAAG 2 Ar
de INVUL Viia
Ars
AA
Pen, Hf | Sa == 409%a 3 ar 7 Panna Pi
AANV ann NVA e= Panama AA Aas
NV AARAAAANAAAARA Az AAAA MAAoa soan AAA
VERHANDELINGEN
KONINKLIJKE AKADEMIE
|
VAN X
WETENSCHAPPEN.
TWEEDE DEEL.
ed
MET PLATEN. Ee
AMSTERDAM, C. G, VAN DER POST. 1555.
VERHANDELINGEN.
TWEEDE DEEL,
hf Ee
JIMAAARAA
ä
ee en N Pa A í E em Kd el neen sb ns han | he ven _ m ze vm rn inte _ x id Pe ei,
Í, IN
ie
N r ain 8 ii,
envaas TRS
main De
veen aan”
VERHANDELINGEN
KONINKLIJKE AKADEMIE
WETENSCHAPPEN.
TWEEDE DEEL.
MET PLATEN.
„Mir CT: NG k BEN EISDEN, Z. IE oe vS
pd AMSTERDAM, CG VANDER ROST. 1855.
dn SP Ln di he 0 Ed s Ai el
il AARLE
RNN,
4 . Ì 4 NM \ $ e nt Bak | en: pe | al ren bean) Ad & . 8 d : ES = ar ek, ì es bf A hk UE KOEF HE EG 3 in . 4 he Ates IN ed d …È î % Á df H p a AJ ded heal. 18 mr ü
…avare Ee e
ENSEPOUD
TWEEDE DEEL.
BesLuit VAN 23 FeBruariJ 1855, Ne. 1, ror Vorming DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN
WETENSCHAPPEN. REGLEMENT DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN.
NAAMLIJST DER GEWONE OF BINNENLANDSCHE LEDEN, DER CORRESPONDENTEN IN DE OVERZEE- sce BEZITTINGEN VAN HET Risk eN DER BUITENLANDSCHE LLEDEN VAN DE AKADEMIE.
List DER BINNEN- EN BUITENLANDSCHE AKADEMIËN EN GELEERDE GENOOTSCHAPPEN, WAARAAN DE WeRkKEN DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN WORDEN GEZONDEN.
J. A. C. Ovpremans. Mémoire sun L'OngITe Dr LA CoMÈTE PERIODIQUE, DEGOUVERTE PAR
M. p'Arnesr LE 27 Juin 1851.
VI INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.
F. Dozr. BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA.
J. L. C. SCHROEDER van DER Kork. ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WEBKING VAN HET RUGGEMERG.
D. Bierens DE Haan. NOTE SUR UNE METHODE POUR LA RÉDUCTION D'INTEGRALES DÉFINIES
A ET SUR SON APPLICATION A QUELQUES FORMULES SPÊCIALES. H. J. HAatBERTSMA. BijDRAGE TOT DE ZIEKTEKUNDIGE ONTLEEDKUNDE DER TANDEN.
P. BLEEKER. OvER EENIGE VISSCHEN VAN VAN DIEMENSLAND.
6. nend
Op de voordragt van onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van den 20sten dezer,
KONINKLIJK BESLUIT
VAN 23 Fepruaris 1855, N°. 1,
TOT VORMING DER
KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN.
Wis WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
N° 517, kabinet, geheim ; Gelet op Ons besluit van den 26sten October 1851, N°. 3; Hebben goedgevonden en verstaan, met wijziging in zoo verre der Artikelen
=
Amr. 1.
Art. 2.
gevoegde reglement.
Art. 8.
nuarij 1855, verhoogd tot f 14,000. Art, 4. Bij de Akademie worden benoemd:
da.
tot gewone leden der afdeeling voor de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen,
de heeren :
b.
J. BApoN GHYBEN; F. W. Conrap;
F. CG. Donpers;
F. Dozy:
J. W. ErueriNs ;
P. J. 1. pe Frexery; W. pe HAAN;
H. J. HALBERTSMA 5 P. Harrina;
5 en 6 van dat besluit en met intrekking van het daarbij vastgestelde reglement:
Het doel der Koninklijke Akademie van Wetenschappen wordt uitgestrekt tot de bevordering der Taal-, Letter=, Geschiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen. Voor de aldus uitgebreide Akademie wordt vastgesteld het bij dit besluit
Het jaarlijksch Rijkssubsidie der Akademie wordt, met ingang van 1 Ja-
G. A. vaN KERKWIJK 5
Cu. Murper;
J. W. L. van Oorpr;
H. Senueeen;
G. B. Voorne SeuNeuvooor; A. A. SEBASTIAN ;
H. G. Seeure ;
W. GC. H. Srarine;
tot correspondenten dier afdeeling, de heeren:
H. C. Focke;
C. Swavina ;
Oranje-Nassau, Graot-
c. tot gewone leden der afdeeling voor de Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijs- geerige Wetenschappen, de Heeren :
J. ACKERSDIJCK ; A. C. Horrrus;
C. J. vAN ÄSSEN; L. J. F. JANsSsEN;
J. BAKE; T. W.J. Jursngoru; R. C. BAKHUIZEN VAN DEN BRINK; S. KARSTEN ;
J. Bosscua; J. pr Bosen Keuren; C. G. Coper; N. C. Krsr;
Resor Ak Dozv: C. TuremaANs;
J. Geer; J. vAN LENNEP;
F. C. pe GreEuve: T, Roorpa;
G. GROEN vaN PRINSTERER, A. Rurcers;
Ax. DES AMorIE VAN DER Hoeven; P. J. Vern;
J. HorrMaN ; M. pe Vers.
Aur. 5. Met afwijking voor ditmaal van het bepaalde bij Art. 7 van het Reglement, gaat elk der beide afdelingen ten spoedigste over tot het geheel of ten deele vervullen der openstaande plaatsen van leden en correspondenten, op zoodanige wijze als zij meest geschikt zal oordeelen.
Art. 6. Tot de eerste benoeming van haren Voorzitter, Ondervoorzitter en Secrc- taris gaat de afdeeling voor de Taal-, Letter, Geschiedkundige en Wijsgerige Weten- schappen niet over, alvorens de in het voorgaand artikel vermelde vervuliing van open- staande plaatsen zij geschied.
Inmiddels worden hare bijeenkomsten gehouden onder leiding van het oudste in Am- sterdam woonachtig lid.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering dezes, waarvan, voor zooveel de artikelen 1 en 3 betreft, mededeeling zal worden gedaan aan de Alge- meene Rekenkamer.
's Gravenhage, den 23sten Februarij 1955,
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, Van REENEN. Accordeert met het origineel.
De Secretaris Generaal hij het Ministerie ran Binnen!andsche Zaken,
J_ Seuröver.
nnn nn
REGLEMENT
DER
KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN.
Art. 1. Er is voor het geheele Rijk eene Koninklijke Akademie van Wetenschappen gevestigd
te Amsterdam. ART. 2.
De Akademie is bestemd tot: a. ‘een raadgevend ligchaam voor de Regering op het gebied der wetenschap;
b. een middelpunt van zamenwerking voor de beoefenaars der wetenschap in Neder- land en zijne Overzeesche Bezittingen;
c. een band van vereeniging tusschen de geleerden van Nederland en die van andere landen ;
d. eene inrigting ter bevordering van zoodanige wetenschappelijke onderzoekingen en ondernemingen, die slechts door zamenwerking van de beoefenaars der wetenschap en door ondersteuning der Regering kunnen tot stand gebragt worden.
Art. 3.
Ter bereiking van dit doel zal de Akademie:
a. verslag doen over zaken waaromtrent de Regering haren raad zal inwinnen;
b. voorstellen aan de Regering rigten betreffende de belangen der wetenschap, en zich te dien einde voor zoo veel noodig is, wenden tot de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur;
e. de pogingen van beoefenaars der wetenschap buiten de Akademie ondersteunen, wanneer deze bevonden worden daarop aanspraak te hebben en hun te dien einde gelegen- heid geven hunne geschriften, werkzaamheden of voorstellen aan haar oordeel te onder- werpen ;
d. voor zoo veel bij de ontwikkeling der wetenschap daaraan behoefte blijkt te be- staan, prijsvragen uitschrijven en de goedgekeurde antwoorden bekroonen en uitgeven ;
e. de uitgave van zoodanige belangrijke werken op zich nemen, als anders voor den opbouw der wetenschap waarschijnlijk zouden verloren gaan ;
f. beraadslagen over de wetenschappelijke mededeelingen harer leden, en de slot-
sommen daarvan openbaar maken; *
e g. de geschriften, welke zij uitgeeft, aan gelijksoortige buitenlandsche instellingen toezenden, en pogen, de werken door deze in het licht gegeven in ruiling daarvoor te
bekomen ;
h. eene wetenschappelijke briefwisseling onderhouden met hare buitenlandsche leden
en met hare in ’s Rijks Overzeesche Bezittingen gevestigde correspondenten. Aur. 4. :
De Akademie bestaat uit twee afdeelingen :
eene voor de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, en eene voor de Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen.
Art. 5.
Elke dezer afdeelingen telt ten hoogste wijftig gewone of binnenlandsche leden, twintig
buitenlandsche leden, en in de Overzeesche Bezittingen des Rijks tien correspondenten. Arr. 6.
De leden en correspondenten zullen zoo veel mogelijk alle vakken van wetenschap moeten vertegenwoordigen. Zij worden door de afdeelingen benoemd.
De benoemingen worden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken medegedeeld en door dezen aan de bekrachtiging des Konings onderworpen.
Art. 7.
Tot benoeming van nieuwe leden en correspondenten wordt, zoo er openstaande plaat- sen zijn en de vervulling dóor de afdeeling noodig wordt geoordeeld, jaarlijks, in de maand April, in elke afdeeling eene bijzondere vergadering gehouden op den dag vóór de ma te melden vereenigde vergadering der Akademie.
De keuze geschiedt uit eene vooraf opgemaakte lijst van candidaten, wier aanspraken op het lidmaatschap door de leden der afdeeling overwogen worden.
De wijze van verkiezing wordt door het Reglement van Orde voor elke afdeeling bepaald.
Art. 8.
Wanneer een gewoon lid den ouderdom van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij onder de rustende leden opgenomen.
Op gronden ter beoordeeling van de afdeeling waartoe hij behoort, kan aan een ge- woon lid, dat dien onderdom nog niet heeft bereikt, op zijn verzoek de titel van rustend lid worden toegekend.
De rustende leden hebben de regten, zonder de verpligtingen, der gewone leden.
Hunne plaats kan door nieuwe benoeming worden aangevuld.
Art. 9,
Gewone leden die, zonder wettige redenen van verontschuldiging, zich gedurende twee jaren geheel aan de werkzaamheden der Akademie en de bijwoning der vergaderingen onttrekken, zullen gerekend worden afstand van hun lidmaatschap te hebben gedaan.
Art. 10.
Elke afdeeling houdt eenmaal in de maand eene gewone vergadering, met uitzondering
van de maanden Julij en Augustus. Ook kunnen buitengewone vergaderingen worden belegd
——— 11
De gewone vergaderingen worden in het openbaar gehouden. De tijd van hare opening en sluiting, benevens al wat tot de regeling der werkzaamheden hehoort, wordt door het Reglement van Orde voorgeschreven.
De gewone leden der Akademie hebben regt van zitting in alle gewone vergaderin- gen, doch zullen in de afdeeling, tot welke zij niet behooren, alleen eene raadgevende stem kunnen uitbrengen.
. Art. 11.
De correspondenten, geroepen om door wetenschappelijke mededeelingen tot het doel der Akademie mede te werken, hebben, bij tijdelijk verblijf in het moederland, zitting in de afdeeling waartoe zij behooren, met een raadgevende stem.
Art. 12,
De Akademie houdt jaarlijks in de maand April eene vereenigde vergadering der beide
afdeelingen met gesloten deuren, waarin de volgende werkzaamheden plaats hebben:
a. verslag van den staat en de werkzaamheden der Akademie; b. rekening en verantwoording over het afgeloopen jaar; ce. raming der uitgaven voor het volgend jaar;
d. regeling van algemeene huishoudelijke belangen. Art. 18.
De Akademie is geregtigd op onbepaalde tijden eene plegtige vereenigde vergadering in het openbaar te houden, waarvan vooraf een programma wordt vastgesteld, en tot welker bijwoning de Koning en de leden van het Koninklijk Muis worden uitgenoodigd.
Art. 14,
Een naauwkeurig verslag van den staat en de werkzaamheden der Akademie wordt jaarlijks aan den Koning, en in afschrift aan den Minister van Binnenlandsche Zaken aangeboden. Dit verslag wordt volgens Art. 12 vooraf aan de goedkeuring der Akademie onderworpen.
Art. 15.
Elke afdeeling bekleedt bij afwisseling om het andere jaar den voorrang. De over-
gang heeft plaats na den afloop der vereenigde zitting in Art. 12 vermeld. Art. 16.
De Voorzitter der afdeeling, die tijdelijk den voorrang heeft, is Algemeen Voorzitter
der Akademie en bestuurt hare vereenigde vergaderingen.
Art. 17.
Elke afdeeling benoemt haren Voorzitter en Onder-Voorzitter voor den tijd van één jaar, en haren Secretaris voor den tijd van vijf achtereenvolgende jaren; allen zijn bij hunne aftreding herkiesbaar.
De Onder-Voorzitters en Secretarissen wonen te Amsterdam, De wijze van verkiezing wordt door het Reglement van Orde geregeld. De gedane keuzen worden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken medegedeeld, en
door dezen aan den Koning ter goedkeuring voorgedragen. “2
Art. 18. De Voorzitters, Onder-Voorzitters en Secretarissen der beide afdeelingen maken te
zamen het Algemeen Bestuur der Akademie uit. Art. 19.
Het Algemeen Bestuur benoemt de beambten der Akademie en is belast met al wat tot de algemeene huishouding en de regeling der uitgaven behoort. Het kan, zoo dikwijls het dit noodig acht, eene vereenigde vergadering der Akademie bijeen roepen. Art. 20. Een der beide Secretarissen is tevens, zoo lang hij zijne betrekking bekleedt, Alge- meene Secretaris der Akademie, en met de zorg voor hare boekerij en het beheer van hare
geldmiddelen belast. Hij wordt benoemd door de Akademie in de vereenigde vergadering der beide af-
deelingen in de maand April. Art. 21.
De betrekkingen van Voorzitter en Onder-Voorzitter zijn onbezoldigd,
Voor de Secretarissen wordt bij de jaarlijksche raming van de uitgaven der Akade- mie eene som van vijftien honderd gulden uitgetrokken, waarvan twee derde gedeelten, en alzoo duizend gulden, aan den Algemeenen Secretaris worden toegelegd.
De gewone leden, buiten Amsterdam wonende, hebben, zoo dikwerf zij ter vergade- ring komen, aanspraak op eene vergoeding van reis- en verblijfkosten.
Art. 22.
De Akademie is gemagtigd aan de Regering behoorlijk ontwikkelde en met reden omkleede voorstellen te doen ten einde, boven haar jaarlijksch subsidie, tijdelijk te worden te gemoet gekomen voor een bepaald door haar aangewezen doel.
Art. 23.
Elke afdeeling stelt een Reglement van Orde vast, dat aan de goedkeuring van den
Minister van Binnenlandsche Zaken wordt onderworpen.
Behoort bij Koninklijk beslait van den 23sten Februarij 1855 N°. 1, Mij bekend, De Minister van Binnenlandsche Zaken,
VAN REENEN.
ha EA -nd
NAAMLIJST
DER
GEWONE OF BINNENLANDSCHE LEDEN, DER CORRESPONDENTEN IN DE OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK EN DER BUITENLANDSCHE LEDEN,
OP DEN 2SSten AprtL DES JAARS 1855.
AFDEELING VOOR DE WIS- EN NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN.
A. H. van per Boon Mesen. R. LoBaATro.
A. BRANts. G. J. Muuper.
J. G. S. van BreDa. ‚ F. A. W. Mrever.
J. Bapor GHrYBEN. C. J. Marraes.
C. H. D, Buys Bam.or. Cr. Murpen.
C. L. Bruar. J. W. L. van Oonpt.
F. W. Conrap. J. A. C. OuprMars.
J. P. Deuprar. C. Pruys van per HoEven. F. C. Dorpers. R. van Rezs.
F. Dozy. { W. N. Rose.
J. W‚, ErMeRINS. J. L. C. ScHroEper vaN Dem Kork. F. Z. Erurerys. G. Simons.
P. J. IL. pe Frevery. F. J. Sraukarr.
J. vAN GEUNs. D. J. Srorm Buysina.
C, J. GrAvIMANS. H. Scurreer.
H. C. van Harn. H. G. Srerre.
J. vaN DER Hoeven. W.C. H. Sraring.
H. J. AarBerTsMa. A. A. SEBASTIAN.
P. Harrine. W. Vrorik.
F. Karser. W. H. pe Veres.
L. J. A. van per Kun. G. J. Verpaum.
G. A. VAN KerKwiJjk. G. B. Voornerm ScHNeEeEvooor.
RUSTENDE LEDEN.
A. vaN Brex. C. J. TEMMINCK. G. Vrouik.
Hr
CORRESPONDENTEN
P. BLEEKER. H. C. Focke. J. K. HasskART..
IN DE OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK.
F. J uNcHvEN. C. SwaAviING.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
BeCQUEREL.
H. K. W. BereHaus. R. Brown.
M. Dumas.
M. Farapavy.
Tr. HorsrrerD.
A. von Humsoupr.
J. LreBre.
AFDEELING VOOR DE TAAL-,
J. ACKERSDYCK. C. J. vaN ASSEN. J. Baker.
B. A. von LINDENAU. H. von Morr.
J. J. p'OMArIUS.
R. Owen.
A. Quereuer.
RAMON DE LA SAGRA. F. TreDEMANN.
De Hertog vaN Umrsrr.
LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE WETENSCHAPPEN.
L. J. F. JANSSEN. 1. W. J. JurnBour. W.J. A. JoNCKBLOET. .
R.C. BAKHUIZEN VAN DEN BRINK. S. KARSTEN.
J, Bosscra. J. pr Bosen Keuren. W.G. Brun. N. C. Krsr.
L. Pa. C. van DEN BERGH. H. J. KoeNeN,
). G. Coger. C. LEEMANS.
R. P. A. Dozy J. vaN LENNEP.
G. H. M. Deuerar. W. Morr.
F. C. vr Greruve. Is. AN. Nijnorr.
G. GROEN vaN PRINSTERER. F. Roorpa.
A. DES AMOKIE VAN DER HorvEN. Á. Rureers.
J. HorrMmaNr. A. C. Horrrus. J. van Har.
CORRESPONDENTEN
J. F. G. Brumunp.
M. pe Veres. J. pe War.
IN DE OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK.
C. F. Geriokr.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Tra. BaAgBineron Macauravy. C. R. Leesrus. MieneL CHEVALIER. J. N. Mapvie.
H. L. Frerscnen. Lrororp RANKE. Ja. Grimm. F. C. von Savreny. F. Gurzor. C. ULLMANN.
L. P. GacHarD. BESTUURD ER AKADEMIE. ALGEMEENE VOORZITTER.
Gedurende het Akademie-Jaar van April 1855—April 1856, J. vaN Geuns.
ALGEMEENE SECRETARIS. Van April 1855— April 1860, W. Vrorix.
AFDEELING WIS- EN NATUURKUNDIGE WETENSCHAPPEN.
Vanpdlipe sesteto nst van April 1855— April 1856, J. van Geuns. Onder-Voorzitter .. . . van April 1855— April 1856, F. J. Sramkamrr. ISCHREUITESN Nae eR onl: van April 1855— April 1860, W. Vrorik.
AFDEELING VOOR DE TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE WETENSCHAPPEN,
Voorzitten Pansa. van April 1855—April 1856, J. Bakr. Onder-Voorzitter . . . . van April 1855— April 1856, J. Bossera. Secretaris... es van April 1855— April 1860, H. J. KorNen.
LIJST DER BINNEN- EN BUITENLANDSCHE
AKADEMIËN EN GELEERDE GENOOTSCHAPPEN,
WAARAAN DE WERKEN DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN
WORDEN GEZONDEN,
NEDERLANDEN.
Hoogeschool te Leiden.
/ „_ Utrecht.
” „Groningen. Athenaeum illustre te Amsterdam.
„ „ Deventer.
Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Genootschap, (Teijlers Tweede) te Haarlem. (Zeeuwsch) der Wetenschappen te Middelburg.
— (Provinciaal Utrechtsch) van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht. _ (Historisch) te Utrecht.
(Bataafsch) der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam.
(Provinciaal) van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant te ’s Her- togenbosch.
(Wiskundig: onder de zinspreuk: een onvermoeide arbeid komt alles te boven, te Amsterdam. (Zoölogisch) Natura Artis Magistra te Amsterdam.
(Friesch) voor Geschied-, Oudheid en Taalkunde te Leeuwarden. Koninklijk Instituut van ingenieurs te Delft.
Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut te Utrecht.
Over-IJsselsche Vereeniging tot ontwikkeling van Provinciale welvaart te Zwolle.
Nederlandsche Handel-Maatschappij. Nederlandsche Maatschappij tot de bevordering der Geneeskunst te Arnhem.
OXO SET STN DYE E?
Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen te Batavia. Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië te Batavia.
BELGIË.
Académie royale des Sciences, Lettres et Arts de Belgique te Brussel. Académie royale de Médecine de Belgique te Brussel.
Société royale d'Agriculture et de Botanique te Gent.
Société royale des Sciences te Luik.
RRSACNEKIRS IJ KS
Académie Impériale des Sciences te Parijs. Muséum d'Histoire Naturelle te Parijs, Het Departement van Oorlog te Parijs. Académie Impériale de Médecine te Parijs. Société Impériale des Seiences de l'Agriculture et des Arts te Rijssel. Linnéenne de Normandie te Caen. Académie Impériale des Sciences, Belles Lettres et Arts te Lyon. Société Impériale d'Agriculture, d'Histoire Naturelle et Arts utiles te Ivon. — — Linnéenne te Lyon. — _—_ du Mauséum d'Histoire Naturelle te Straatsburg. Académie Impériale des Sciences, Belles Lettres et Arts te Bordeaux. Société des Sciences naturelles te Cherbourg. Académie des Sciences, Arts et Belles Lettres te Dyon.
en ANTI ES
Accademia Pontificia de Nuovi Lincei te Rome. Accademia delle Scienze dell’ Instituto de Bologna te Bologne.
SARDINIEË.
Académie royale de Savoie te Chambery.
Academia reale delle Scienze te Turin. vak
ll
18 en SPANJE.
Académia Especial de Ingenieros te Madrid. GROOT-BRITTANJE,
Royal Society te Londen. Cambridge Philosophical Society te Cambridge. Horticultural Society te Londen. Zoological Society te Londen. Royal Medico-Chirurgical Society te Londen. Guy’'s Hospital te Londen. Linnean Society te Londenu. Electrical Society te Luonden. Royal Institution of Great Britain te Londen. Hydrographical office (Admiralty) te Londen. Royal Society te Edinburg.
„_ Observatory te Edinburg.
„_ Irish Academy te Dublin.
AMERIKA.
Philosophical Society te Philadelphia.
American Academy of Arts and Sciences te Boston and Cambridge Massachusetts State Library of New York te Albany.
Academy of Natural Sciences te Philadelphia.
American Association for the advancement of Science te Philadelphia, Smithsonian Institution te Washington.
National Institution for the promotion of Science te Washington.
Wisconsin state agricultural society te Madison.
PRUISSEN.
Königliche Akademie der Wissenschaften te Berlijn.
Director der Königliche Sternwarte te Koningsbergen.
Gesellschaft f,‚ Vaterländische Kultur te Breslau.
K. K. Leopoldinisch-Carolinische Akademie der Naturforscher te Breslau. Naturhistorisches Verein der Preussischen Rheinlande u. Westphalen’s te Bonn, Die Senkenbergische Stiftung te Francfort a/M.
OOSTENRIJK,
Kaiserliche Akademie der Wissenschaften te Weenen. Gesellschaft der Freunde für Naturkundige Wissenschaften te Weenen, Zoölogisch-Botanisch Verein te Weenen.
K. Königlichen Geologische Reichsanstalt te Weenen, Königlich-Böhmische Gesellschaft der Wissenschaften te Praag.
BEIJEREN.
Königliche Akademie der Wissenschaften te Munchen.
Physikalische Medicinische Gesellschaft te Wurzburg.
Naturforschende Gesellschaft te Bamberg.
Das Kreis-Comité des landwirthschaftlichen Verein für Unterfranken in Aschaffenburg.
HANNOVER.
Königliche Gesellschaft der Wissenschaften te Göttingen.
SAX EN.
Königlich Sachsische Gesellschaft der Wissenschaften te Leipzig. Fürstlich-Jablonowskische Gesellschaft te Leipzig.
Naturforschende Gesellschaft te Halle.
Naturwissenschaftliches Verein für Sachsen und Thüringen in Halle.
WURTEMBERG. Das Verein für Vaterländische Naturkunde te Stuttgart. HANAU. Wetterauische Gesellschaft für die Gesammte Naturwissenschaften te Hanau. ZWITSERLAND.
Société de Physique et d'Histoire Naturelle te Genève. Société Vaudoise des Sciences Naturelles te Lausanne. Société Helvétique des Sciences Naturelles te Bern.
RUSLAND.
Académie Impériale des Sciences te St. Petersburg. Académie Impériale te Cazan.
Société Impériale des Naturalistes te Moskow. Observatorium te Pulkowa.
Societas Scientiarum Fennica te Helsingfors.
DENEMARKEN.
Kongelige Danske Videnskabernes Selskab te Kopenhagen. Direktor der Sternwarte te Altona.
ZWEDEN, NOORWEGEN.
Kongelige Frederiks Universität te Christiania. Kongelige Vetenskaps Akademien te Stockholm. Societas Scientiarum te Upsal.
Sd
MEMOIRE
GORBITE DE LA COMETE PERIODIQUE.
DECOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851,
J.A C. OUDEMANS,
Deeteur-ès-Sciences, Astronome attaché à PObservatoire de Leide.
Publië par l'Académie Royale des Sciences à Amsterdam.
AMSTERDAM, C. G, VAN DER POST,
1854. «
„gek
er En an bet
n „e iP, ‚ id Cel Eh en ER
Slad é hi Tad sar pcm E5 ai te | isa) aks ze is Pl aten AN ek
Aid, ml er mere ov rn vn ed nh;
he RB AD wi,
MEMOIRE
LORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
DÉCOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851,
PAR
MAA COV DEMANS.
Au mois de Janvier de l'année passée, en parcourant les Astronomische Nachrichten, je fus frappé de ne pas trouver dans ce Journal un orbite de la comète nommée ci-dessus, qui s'accommodàt aussi bien que possible à toutes les observations publiées. Je feuilletai aussi U Astronomical Journal et enfin les Comptes Rendus, qui ne se trouvaient à la Bibliothèque de FUni- versité que jusqu'au Numéro du 29 Nov. 1852 inclusivement, mais n°y trou- vant que Vorbite publié par M. Yvox Vrrrarceau le 27 Oct. 1851, je recueillis toutes les Observations que je pus trouver, au nombre de 88 et je ealeulai une éphéméride de deux en deux jours, en partant des éléments publiés par M. p'Arrest au N°. 775 des Astr. Nachrichten. L'interpolation donna une éphéméride de 12 heures en 12 heures, à laquelle je comparai toutes les observations.
Une figure me convaincut qu'aucune planète n'avait pu causer une pertur- bation perceptible pendant les cent jours de visibilité, la comète étant restée toujours à une assez grande distance de chacune d'elles. Néanmoins je réso-
1 VERHAND. DER KONINKI. AKADEMIE, DEEL 1I.
2 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PÉRIODIQUE,
las de calculer les perturbations causées par Jupiter et Saturne, d'abord pour être plus sûr du fait, et ensuite pour essayer la belle et simple méthode que nous devons à M. M. Boxp et Ercke, pour calculer les perturbations que subissent les coordonnées rectangulaires d'une planête ou d'une comète. Sa facilité dans la pratique se prouva assez clairement; en effet, pour calculer les perturbations par Saturne pendant 14 périodes de 10 jours, il ne me fal- lut pas plus de six heures et demie. Un peu plus d'exercice diminuerait encore _notablement le temps nécessaire. Le mème calcul pour Jupiter a exigé naturellement plus de temps, attendu qu'il fut fait le premier. Quoique les éléments de M. p'Arrerst valussent pour l'équinoxe moyen du
ter Janvier 1851, Féphéméride fut calculée pour l'équinoxe apparent variable en employant les corrections que les coordonnées rectangulaires de la comête devaient subir par ce changement d'axes. Les formules qui ont servi à cet effet, furent:
ET =— (y cos. e + 2 sin. e) dà. Ns
yy —Hwveos.ed.A—zde,
zt =dtasine d.d +yò.e, où
d-e — obliquité app. — obliqu. moyenne pour 1851,0 9. —= nutation + précession Ty 2 — coordonnées pour l'équinoxe moyen de 1851,0 LyYz= » » » apparent variable.
Maintenant, ayant égard à la parallaxe, Péphéméride fut comparée aux ob- servations. Outre les 88, mentionnées ci-dessus, M. Srecenr avait eu la bonté de m'en communiquer encore une, faite Je 50 Août à Rome. Avant à peine achevé cette comparaison et étant oecupé à la formation de huit po- sitions normales, je recus les numéros suivants des Comptes Rendus, où je vis (au numéro du 6 Déc. 1852) l'extrait d'un Mémoire de M. Yvox Vir- LARCEAU sur la comête en question, contenant entre autres 6 observations de Paris, dont il n'y avait que deux publiées antérieurement, et deux sys- tèmes d'éléments dont l'un se basait sur 66, l'autre sur 76 observations. Dans le calcul du premier système les dix dernières observations ont été re- jetées pour des raisons dont nous parlerons tout à l'heure.
M. Yvox Virvanceau avait déterminé, ilest vrai, les positions de presque
DECOUVERTE PAR M. p'ARREST LE 27 JUIN 1851. 9
toutes les étoiles de comparaison à la lunette méridienne et sans doute son travail avait acquis par-là un plus grand mérite que le mien, mais je résolus cependant d'achever aussitòt que posible mon calcul, qui était déjà avancé assez loin. — Je jugeais de moindre intérêt le calcul des perturbations cau- sées par les planètes Mars, la Terre, Vénus et Mercure, en ayant reconnu à priori Vinutilité. — Je pris cette résolution d'autant plus que M. Yvon VirLARCEAU n'avait employé que 76 observations, tandis que j'en connais- sais 95, abstraction faite de lobservation de Cambridge du 51 Aoùt qui a paru être erronnée, et en comptant celles de Paris et de Îome, qui se sont ajoutées plus tard. En outre les positions des étoiles de comparaison, em- ployées à Bonn, Fobservatoire qui avait fourni la plus grande série d'obser- vations, y avaient été détermindes au cercle méridien ou dérivées de bons catalogues d'étoiles.
Je continuais done mon calcul, mais bientòt je fus forcé de le suspendre, puisque les deux fonctions que j'avais à remplir alors ne me laissaient pas le temps qu'il faut pour un pareil travail.
M. Vrirrarcrau remarqua dans les observations faites du 21 jusqu'au 50 Septembre une différence constante d'environ 18“ entre les ascensions drot- tes trouvées à Königsberg par l'Héliomètre et celles trouvées par les procé- dés ordinaires à Cambridge, (Equatoréal de Northumberland) et à Bonn, (Hélio mètre employé comme télescope ordinaire avec un micromèêtre eirculaire,) celles-là étant les plus faibles. En donnant la préférence à la première espèce d'observations à cause de la manière dont elles se font il met à part dans Pun des systèmes, (C), la dernière position normale, et croit que ce système mérite par-là plus de confiance que l'autre, (D). Qu’il me soit permis cependant de faire quelques remarques à cet égard.
1°._Supposons qu'il faut admettre la préférence donnée aux observations à Fhéliomêtre, alors le rejet de la dernière position normale ne peut pas faire grande chose, vu que toutes les autres sont formées pour la plupart d'observations faites avec d'autres instruments. Mème les deux avant-derniè- res, pour autant qu'on peut conclure de Fextrait du Mémoire, reposent sur des observations obtenues de une et de l'autre manière, au moment où la différence constante atteignait 18”. Dailleurs:
92°. Des différences constantes se présentent souvent, même entre des ob- servations faites avec des instruments semblables par des observateurs diflé-
rents._ Ainsi après avoir comparé toutes les observations à Péphéméride et 1
Ä MÉMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
en s'imaginant un observateur, (que nous nommerons un observateur normal) dont les différences entre les observations et l'éphéméride forment pour cha- que période de visibilité * une série changeante proportionnellement au temps, qui S’appuie aussi- bien que possible à toutes les différences trouvées, il paraît que M. Arerranper a observé les Asc. Droites en général plus faibles que eet observateur normal; du moins de 24 Asc. Droites 17 sont plus faibles et 7 plus fortes, et la moyenne arithmétique donne encore une différence de 4”,5 avec Verreur probable # 1,5. Ensuite de 8 Asc. Droites de M. Lurmer à Berlin, (Micromètre filaire) 7 sont plus fortes que celles de Yobservateur normal, et une y est égale; enfin de 10 Asc. Droites de Cambridge 9 sont plus fortes et une est plus faible de manière que la cor- rection spécifique, (voir ci-après) pour ces deux observateurs deviennent respectivement
— 6,55 avec lerreur problable + 1,8, —_9,2 » » » 5 ildeh
M. Vrrrarcrav semble avoir fixé son attention particulièrement sur les différenees constantes en Asc. Droite, et‚ comme on peut voir dans les Month- ly Notices of the R. A. S., Vol. XIII, N°. 7, en avoir cherché d'expliquer les causes; mais d'après la comparaison des observations entre elles, il paraît que les Déclinations prêsentent aussi des différences constantes, soit pour toutes les observations d'un même observateur, soit pour celles faites seule- ment à une certaine époque. Par exemple les Deéclinaisons de Cambridge sont généralement plus faibles que celles de lobservateur normal supposé. Celles de Königsberg sont d'abord plus faibles, et à l'époque critique à la fin du mois de Septembre, 4 des 5 sont plus fortes.
Nous ne parlons pas des observations des autres observatoires, qui pour la plupart ne sont pas assez nombreuses, ou pas assez exactes pour y fon- der de pareilles spéculations.
Après tout je crois qu'il faut conclure que les diflérences constantes men- tonnées tiennent principalement à ce que les observateurs d'une comête, dé- pourvue de noyau, prennent chacun un différent point de mire.
5’. En publiant les dernières observations de la comète de p'Arrest, M. Wrenmanr dit, (A. N., N°. 778): »p Diese Beobachtungen können wegen der
* Il y en a eu quatre, voir ci-après.
DECOUVERTE PAR M p’'ARBEST LE 27 JUIN 1851. 5
»geringen Helligkeit der Kometen überhaupt nicht die Genauigkeit besitzen, »welche das Heliometer unter- günstigen Umständen gewährt. Ich konnte überall »nur die schwachste (45 fache) Vergrösserung anwenden, und nach Verschie- nbung der Objectivhälften erschien der Komet so schwach, dass er erst nach »längerem Hinsehen mit Mühe wahrnehmbar wurde, und die Einstellung der »obgleich stark abgeblendeten Sterns in die Mitte des Nebels sehr zweifelhaft »blieb. Ich habe es deshalb für besser gehalten, diese Beobachtungen nicht »weiter fortzusetzen, da die Kreismikrometer-beobachtungen unter solchen Um- »sländen wahrscheinlich g grössere Sicherheit besitzen würden.” Après ce ju- gement de M. Wricumann je le trouve un peu trop hasardé d'adopter ses observations. et de rejeter les autres.
4. Si Pon regarde (CG. R., 6 Déc. 1852) le tableau d'erreurs restantes pour le système (D), alors celie qui appartient à Asc. Droite de la dernière position, savoir 8,5, ne me semble pas du tout inquiëtante, attendu qu'on trouve deux autres erreurs restantes qui sont encore plus grandes, savoir celles de la Déclinaison de la première et celle de l'Asc. Droite de la seconde position normale, (9’,6 et 8,6.)
Donec, tout en admettant la possibilité d'erreurs constantes entre les obser- vations des divers astronomes, je ne crois pourtant pas que pour cette rai- son, il soit nécessaire ou permis d'en rejeter quelques unes, et c'est pourquoi je n'hésite nullement d'accorder la préférence au système (D).
L'été passé voulant reprendre le calcul de nouveau, je pris la liberté de prier M. Yvor Virrarcrau de bien vouloir me communiquer les positions des étoiles de comparaison, qu'il avait déterminées presque toutes à la lunette méridienne à Paris. „Avec la plus grande complaisance il répondit à cette prière el je voulus alors ne pas épargner la peine de refaire tous les calculs pour arriver aux positions normales. Mais d’abord un petit voyage, et ensuite des occupations plus pressantes ne me permirent de reprendre ce. travail qu'après le jour du nouvel an.
Dans ce nouveau calcul j’adoptai les positions des étoiles de comparaison selon M. M. Scnmipr, Wreumann, ou VrrvareeAu, si elles étaient déter- minées par un d'eux seulement. Pour les étoiles déterminées par deux per- sonnes je pris la moyenne arithmétique des différentes déterminations.
La marche que j'ai suivie dans mon calcul a été la marche ordinaire et ce mest que la méthode d'après laquelle les positions normales ont été for- mées qu'il faudra expliquer expressément.
6 MÉMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMETE PERIODIQUE,
S'il s'agit de chercher Forbite d'une planête, alors leur formation et [a détermination de leurs poids respectifs n’offrent généralement pas de diffi- culté. Les astéroides se présentent aux télescopes comme des étoiles et aussitòt que l'instrument les rend visibles, leur observation n'est pas accom- pagnée de difficultés extraordinaires, et quoique les instruments qu'on em- ploie puissent gènéralement différer en grandeur et en force, néanmoins, si Vobservateur prend tous les soins nécessaires, les observations fournies par les _mieromètres circulaires, les cercles méridiens et F'héliomêtre peuvent con= courir également au résultat et je ne crois pas qu'un ealculateur d'un orbite d'une planète ait jamais senti la nècessité d'accorder aux observations de chaque astronome des poids différents. Les erreurs dont peuvent être affec- tées les positions des étoiles de comparaison, dans lHistoire Géleste ou dans les Zones de Bessel, sont ordinairement les causes principales des déviations qui sont trop grandes pour être souffertes.
Chez les comètes au contraire, qui ne présentent pas de noyau, les cir- constances sont tout autres. L'astronome qui en veut déterminer une posi- tion, doit prendre un point de mire dans une masse nébuleuse souvent de quelques minutes de diamètre. Faute de pouvoir reconnaître son centre de gravité on est obligé de déterminer la position du point le plus lumineux que les lunettes montreront avec d'autant plus de précision, qu'elles sont plus puissantes. Les observations faites par des télescopes plus fubles, doivent done être moins exactes et en outre se rapporter à des points situés plus près du centre de la masse nébuleuse. Ainsi s'explique en partie la différence constante qui se manifeste quelquefois entre les observations faites à [aide d'instruments d'inégale grandeur. A lapparition de 1828 de la comète d'Eneke le point le plus lumineux de la masse nébuleuse étant situê au côté où l'Asc. Droite était plus grande, les instruments faibles donnèrent au commencement les Ase. Dr. plus petites et la différence était surtout visible entre les obser- vations de Berlin et de Dorpat où elle attint 40” à 50”, (Encke, über den Cometen von Pons, 2e Abh. p. 25.) Outre cette cause, vers la fin de la visibilité, la faiblesse mème des comêtes fait souvent qu’alors les observations perdent de précision à raison de leur difficult.
En formant des positions normales, la méthode la plus généralement usitée est d'agir pour les comètes comme pour les planètes, c'est-à-dire d'attribuer à toutes les observations la même valeur, et de prendre tout simplement la moyenne arithmétique de tous les moments d'observation et de toutes les dif-
DECOUVERTE PAR M. v'ARREST LE 27 JUIN 1851. /l
lérences Obs.-Ephém., qui doivent se rapporter à un espace assez court pour qu'on puisse supposer qu'elles changent proportionnellement au temps. Le poids de chaque position normale est égal au nombre des observations dont elle est formée. .
Quelquefois eependant on a quitté cette voie dans le but de rendre Ja so- lution plus complète en ayant égard aux divers degrés de confiance que mé- ritent les observations des différents astronomes, soit à raison des erreurs constantes, soit des erreurs fortuites.
Ainsi nous rencontrons de temps en temps des cas où le calculateur à jugé devoir se tenir uniquement à une seule série d'observations, obtenue par un instrument puissant.
Par exemple à apparition de 1828 de la comète de son nom, M. Encke s'est basé sur les observations de Dorpat seules, dont la supériorité sur tou- tes les autres, présumable par la puissance de la lunette employée, fut con- firmée d'une manière décisive par la régularité avec laquelle leur différence avec l'éphéméride avait changée.
De pareille manière M.M. Häpenkame et Mavrr ont calculé Vorbite de la premiere comète de 1850 sur les observations seules que Brsser avait fai- tes à F'Héliomètre (A. N., N°. 201) Et M.M. Perenset 0. Srruve, dans le calcul de Forbite de la comête, découverte par M. Garre, le 2 Déc. 1859, ont ecru devoir se borner aux observations de Poulkova et n'ont fait que comparer celles des autres observatoires avec Y'éphéméride calculée sur le système d'éléments trouvé. (Mémoires de V Académie de St. Pétersbourg. VI° Série, Tome V.)
Rarement eependant il arrivera qu'il faut recourir à cet extrème, mainte- nant surtout où le nombre des puissantes lunettes n'est plus si limité.
Pour déterminer plus ou moins précisément les erreurs probables des po- sitions normales, on peut agir ainsi: Pour chaque groupe on cherche une série de diflérences trouvées. Ou bien on embrasse à cet effet deux groupes ou plus, pouvant toujours, s’il est nécessaire, supposer que les différences aient la forme
at bt tet?
(! étant le nombre de jours écoulés depuis une certaine époque,) et chercher les valeurs les plus probables de a, b et c. On regarde les exeès des dif- fêrences trouvées sur les différences calculées comme provenant des erreurs
8 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMETE PÉRIODIQUE,
des observations et en déduit Perreur probable des observations de chaque groupe et par-là de chaque position normale.
On voit que Phypothèse sur laquelle repose ce procédé est celle que les erreurs des observations tiennent principalement à la difficulté pour ainsi dire nbjective d'observer la comète, (difficulté qui change pendant le eours d'une apparition,) ainsi qu’on fait abstraction des divers pouvoirs des instruments. Je Fai suivi dans un calcul de la 4° comête de 1846. (A. N., N°. 589.) *
Une autre méthode a été mise en pratique par M. JrrixekK, dans son cal- cul de la même ecomète, (Dr. C. JeriveK Bahmbestimmung der von de Vico am 24 Jänner 1846 entdeckten Cometen, Prag 1848.)
IL détermina le poids rélatif des observations de chaque astronome, afin de les employer toutes, mais chacune selon sa propre autorité, à la formation des positions normales. El considéra les exeès des différences calculées au moyen d'une formule parabolique du second degré, comme les erreurs des ob- servations et en déduisit erreur moyenne pour chaque observateur. Evidem- ment cette mêthode tient le milieu entre les deux premières déjà citées. M. JeriveK ne voulut pas perdre l'avantage de posséder de bonnes observations en accordant les mêmes poids à toutes. En même temps il jugea qu'il serait décourageant pour ceux qui ne peuvent employer que des instruments d'une ualité médioere, de voir leurs observations rejetées.
Cette méthode est surtout applicable aux cas, où la différence des télesco- pes, qui ont fourni les observations, n'est pas si grande qu'on puisse se tenir a une série fournie par un seul instrument.
Je Fai done suivie, quoique avee une modification. Les observations de cette comèête, provenant de divers observatoires, ayant présenté des différen- ces _constantes entre elles, les erreurs moyennes des observations chez les- quelles la différence avec Pobservateur normal est la plus considérable, devraient nécessairement être trouvées trop grandes, à moins qu'on êut égard. à cette eirconstance el qu'on diminuàt tous les exeès des différenees calculées sur les différences trouvées par leur moyenne arithmétique qu'on peut considérer comme la correction spécifique de ces observations.
En même temps cependant, si l'on veut employer les poids ainsi trouvés, il faut corriger préalablement les observations de cette correction spécifique.
La même méthode a été employée entre autres par M. Excxe, dans le calcul de la comète de 1812. (Zeitschrift für Astronomie, II, 393). (Note njoutée plus tard.)
DECOUVERTE PAR M. v'ARREST LE 27 JUIN 1851. 9
Gest ce que j'ai fait, et la somme des poids des observations qui ont con- tribué à former une position normale doit être considéré d'en être le poids. Je ne veux point nier qu'on peut faire des objections contre cette manière d'agir. Surtout le nombre limité des observations de quelques observatoires rend très-incertaine la détermination de leur correction spécifique. De plus celle-ci n'est pas toujours constante. Mais quant à la première remarque, je dois faire observer que dans la formule pour lerreur moyenne d'une ob- servation corrigée, j'ai tenu compte de lerreur moyenne de la correction même. Dailleurs leur influence est três-petite à cause de leur petit nom- bre. Et pour ee qui concerne l'inconstance de lerreur spécifique des obser- vations d'un même astronome, le défaut de la méthode est quelle ne peut pas en tenir compte, et c'est ce qu'elle a de commun avec toutes les autres. Leffet de Yopération est que là, où les observations d'un seul instrument s'écartent fortement des autres, la déviation existe encore après la correction, seulement un peu diminuée, et en tout cas lorbite final correspondra mieux aux meilleures observations, que si lon avait suivi la méthode ordinaire, qui attribue la même valeur à toutes les observations. Par Fintervention du clair de la Lune, la comète a eu quatre périodes de
visibilité, savoir:
da 29 Jum au 6 Juillet,
» 922 Juillet » 7 Aoùt,
» 20 Aoùt » 8 Septembre,
» 21 Sept. » 6 Octobre,
tandis que Fobservation de Wasnrinxeron du 15 Aoùt tombe entre la seconde et la troisième période de visibilité.
Je commencai done par comparer toutes les observations à L'éphéméride ayant égard à la parallaxe. Chaque période de visibilité fut diviste en deux moitiés; pour chaque demie période je regardai la moyenne arithâmétique de toutes les différences Obs.-Ephém. trouvées comme appartenante à la moyenne arithmétique de tous les temps d'observation. En supposant que la correc- tion de Péphéméride changeait proportionnellement au temps pendant la durée d'une période de visibilité, je calculai pour chaque jour la valeur de cette correction, qui fut regardée comme la différence Obs.-Ephém. résultant des
observations d'un observateur normal. : Pour chaque observateur je cherchai tous les excés des différences norma- 2
VERHAND. DER KONINKL. AKADEMIE, DEEL II.
10 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PÉRIODIQUF,
les ainsi caleulées sur les différences trouvées et je considérai leur moyenne arithmétique eomme la correction spécifique de ses observations. Nommant e, et ej ces exeùs, pour l'Asc. Droite et pour la Déclinaison, s, et sa leurs moyennes arithmétiques, Ra et na les nombres des observations, alors en ne faisant aucune différence entre les Asc. Droites et les Déclinaisons, lerreur moyenne de chaque observation de cet astronome sera
ZS. (ea + 5)? cos? Ò + XY. (ea + 8)° Na + Ng — 2 p
Nommant le poids de chaque observation P, cette quantité sera propor-
m= Vv
; Ae tonnelle à —. m
Maintenant pour faire coopérer chaque observation, selon le poids qui lu appartient, à la formation des positions normales, elles furent corrigées tou- tes des corrections spécifiques déjà trouvées s, et sz. Chaque observation ainsi corrigée avait une erreur moyenne
Mmv (1 + ee)
et un poids GPi: ( rg ) Na + Aj
Pour plus de facilité, les poids G étant des fractions, j'ai employé à leur place leurs produits par 1000, que j'ai nommé G'. On trouvera ici-bas un tableau, qui contient les résultats de ce calcul. En ayant égard aux poids G’ des différences corrigées, les positions normales, leurs poids respectifs et les dates correspondantes furent déterminés ensuite.
L'observation de Wasnrneron du 15 Aoùt fut employée moitié pour la formation pour la deuxième, moitié pour celle de la troisième position normale.
Les huit positions normales donnèrent seize équations pour déterminer les corrections des éléments.
Je donnerai maintenant les différents tableaux requis pour suivre le cours du travail. Ils se rapporteront seulement au deuxième calcul, et je n'aurais pas parlé du tout du premier, si je n'en avais pas emprunté les poids des seize quations, les nouveaux poids en différant trop peu pour refaire le long traitement selon la méthode des moindres carrés.
DECOUVERTE PAR M. p'ARREST LE 27 JUIN 1851. . 11
Les observatoires suivants ont publié leurs observations dans les Astrono- mische Nachrichten, done je ne les citerai point, puisque ce journal est dans les mains de chacun qui s'occupe de calculs astronomiques.
Lesage veelen el ar vac d „obs. A.N. N°. 764,165
Bonn .… etn Kler etna 26 A Deet O5 Berhard iden Di DR) 768, gils 788 Cambridge (Angleterre) . 10 » »» » 7119, 788 VOE a Deniere TIR like Kremsmunstenm mm ASD Den re
Dinant: Te ee de EE ee » » » 784
Rome ke mates A 1 » Dn 0
Pillesgas. ater A Gole eden ai nn NVE) de arn de a mbar „MIO
Remarque. 41°. D'après une correction au N°. 771 le moment de l'obser- vation du 29 Juin à Leipzig 15° 4" 5" a été augmenté de dix minutes.
2. En publiant ses observations, M. ARGELANDER y ajoute: »Die Verglei- nehung der aus den südlichen und nördlichen Durchgängen folgenden Decli- »nationen des Cometen mit einander hat gezeigt dass alle Chorden desselben »zw gross beobachtet sind, und zwar in mit der Schwäche zunehmendem Ver- »hältnisse. Es lässt sich dieses aus eben dieser Lichtschwäche erklären, in- »dem das Glas, welches den Ring hält, bei lichtstärkeren Objecten ohne irgend »merklichen Einfluss, bei einem so schwachen Gegenstande einen Unterschied »zwischen den äusseren und inneren Appulsen zu Wege bringen musste, und »zwar so dass die erstern weiter vom Rande ab beobachtet wurden. Aus die- »sem Grunde glaube ich wird man gut thun, bei den einseitigen Beobachtun- »gen die Declinationen zu corrigiren wm Quantiläten die ich hinter die Buch- pstaben gesetzt habe, welche die Seite des Feldes anzeigen, in welcher der » Comet durchging. Dadurch wird man, glaube ich, sicherere Resultate er- „langen. — — —
»Sept. 7. 8. Diese beide Beobachtungen sind von Senmipr, ob sie die- »selbe Correction wie die meinigen erfordern wage ich nicht zu entscheiden.”
En appliquant ces corrections aux observations de M. ArGELANDER, ['har- monie avec les autres observations y gagna réellement. Mais ces corrections
zg
12 “ MÉMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PÉRIODIQUE,
ne paraissant pas nécessaires pour les observations de M. Scnmrpr, j'ai em- ployées celles-ci sans altération.
5. A.N. N’. 788. Observations de Berlin. Au lieu de Sept. 6 lisez Oct. 6.
hk. AN. N°. 775. La remarque de M. Wiemmann sur la position de Pétoile ec n'est pas fondée. La position selon Bresser, (Weisse, III, 911) s'accorde avec la détermination de M. Yvon Vrrrardrau, c'est donc LALANDE qui donne la déelinaison trop forte d'environ 54”.
Dans la réduction de [étoile d a été commise une faute d'une seconde en temps: lase. droite donnée est trop forte de 15”.
Outre les observations citées ci-dessus, je trouvai encore celles qui suivent:
Harvard Observatory, Cambridge, (Mass.) (A. J. N°. 50)
1851. T.M. de Cambr. AR o= Décl. o= Août 51 16° 14" 155,60 lv ) + 52 8,08) Eq. mov Sept. 5 15 4259,99 A46 8,77 257 42 „57, Di 1851
5 15 54 1,05 4 8 50,77 210 41 410.
Regent's Park, London, (Monthy Notices, Vol. XI, N°. 8). 1851. T.M.deGreenwich. AR.o=S Déel. o= Juillet 4 15° 4m 59 15° 57'52',0 + 10°48' 20,0 Paris, (GC. R. 6 Déc. 1852.)
Positions de la Comète
T.M corrigées de la Parallaxe. Noire -, ee - mm es me, 1851. de Paris. AR. app. Décl. app. Comp. Juillet 5,51954 16° 44 67,0 + 40° 49' 54" ,4 2 6,56155 17 41 54 7 10 49 56 „8 5 27,56575 58 12 4l „7 9 55 19 ,2 5 Août 5,54972 A5 55 55 ,0 8 58 5 ,5 5 et 2 21,55104 55 58 45 „4 5 28 55 ,7 4 ot adil 56 10 Al „7 5 16 55 1 } pe 22,55249 | 56 40 47 A , j--3
J'ajoute en même temps le Tableau des positions moyennes des étoiles de
DECOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851.
15
comparaison, que M. Vrrrarerav a déduites de ses observations, et qu'il a eu la bonté de me communiquer.
aken Pe NOMBRE LIEU DR L’OBSERVATION Le Îer jJANvIeR 1851, DES OBSERVATIONS. DE LA COMÈTE. DATE 1851. Ni ASC. DROITE. DÉCLINAISON, AR. D. Berlinn Juillet 1 | 12°21’ 11,7 +10°38'57",7 5 1 Berlin . 27) 19231135 55 10 43 22 6 |- 2 1 Bonn p 38/1421 9,0 10 46 18 „8 6 3 Bonn, Berlin . 5 | 16 35 27,7 | 10 44238,5|- 2 | 3 Paris 5 1*13"27°,69 DK: 1: EI 3) même Bonn, Paris … | GRIRUSE RD 53 10 45 14 „3 | 5 Bf ét. Bonn 22 | 33 48 48 ‚1 Onkel Slk ie 2 Königsberg 23 | 34 25 42 45 == [hee #2) s Bonn 24 | 34 Al 38 2 9 53 30 ,6 | 2 2 Bonn 25 | 38 11 49 0 9 42 26,9 | 2 1 Bonn 27 | 37 45 35 „3 9 56 34 2 | 2 aalter Paris 27 p 5 NE BA Berlin. 28 99 13 23 4 ONSSMD ID 2 1 Königsberg 31 } | f Bin | Aott 2 41 26 37 „6 8 43 28 ,0 4 3 Bonn … 2i42 56 0 9 ONCE Paris 3 | 2°56743°,08 8490: 22530 À q Berlin … | 4 | 44° 10'18”,6 en RE: 5 Bonn | 5|45 10 6,7: 1 53 36 5 1 1 Bonn ' 545 4 28 6 8 44 26 0 | 2 1 Washington . 6 | 3" 4736°,23 hl 7 AN Td 4) même Bonn, Cambridge 7 | 46° 9 34 8 1474, 53 Af ét. Washington . 4 13 ghg4m Gs,23 Ta selijk AIS 2 Paris, Cambridge, Band 21 — 5 34 46 4 3 B) Königsberg, Tee 22 | 56°44' 2,2 Lemen NC AE 2 3 Paris N 22 | 3*48n83° 32 == 1 Königsberg 26 | 57° 55'33',3 — 2 : Königsberg 30 | 60 0 50 5 3 53 45 „8: 2 2 Königsberg Sept. 3 | 61 24 18,0 |+ 2 29 7 ,7 1 2 Cambridge. À 22 4818m 65,36 — 1 45 17 1 2 2 Bonn, Königsberg . 24 | 65°45' 58" 5: |— 2 33 31 6 Ik ie Bonn 24 | 66 2 52 2 — ig ag Bonn, Königsberg . 27 | 65 45 58 5:|— 2 83 31 6 1 pelle
Enfin M. Srcemr me communiqua encore [observation suivante faite à Rome : Décl. 05
1851,
Aoûùt 50.
AR. oSs
59°55’21”,45
Position de I’étoile de comparaison, 1851,0
60°0'55,7
Te’ a 55’ 29,5.
+ 3°55'43",A.
14 MEMOIRE SUR L’ORBITE DE LA COMETE PERIODIQUE,
Les éléments, dont je partis, furent ceux, que M. p'Arresr a publiés au N°. 775 des Astr. Nachr., savoir:
T — Passage au Périh. 1851. Juill. 8,757256 T.M. de Berlin. n _=— Longit. du Périh. 522’ 59’ dd d tand jAg 27 19 gg) Eauin- moy. 1851,0 i — Inelinaison 15 56 11 ‚51 e — Exentricité 0,6608815 — Demie grande axe 5,4618464 x= Mouvem. moy. diurne 550,86468 Période de révolution 2555 jours » — Angle de l'Exc. AA 22 17,67 log. a 0,5595078.
Ayant adopté pour les masses des deux planètes Jupiter et Saturne les
1 1 valeurs 107,5 et 35016” j'ai trouvé les perturbatons suivantes, exprimées
en unités de la septième décimale des coordonnées # y 2
0 T. M. DE BERLIN.
x h | TOTAL pij h | TOTAL. X hb | ToraL | | | 1851 Juin 29 0,0, 0, 0, 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0, 0,0 Jûillet 9 | 09— 0,0 09+ 19 Ol ZO 07 0,04 0,7 a STO 3,0 — 0,0 3,0 5,7) 0,4 6,1 2,1 0,1, 2,2
„ 29 6,74 0 „1 6,8 11,5 0,9 12,2 Août S 12,4 0,2 12,6, 18,5 1,5 20,0 “ 18 20,4, 0,6. 21,0 27,1 2,3 29,4
” 28 31,6, dk 32,7 37,2 8,2 40,4. Sept. 1 46,2 20 48,2 48, ll 4,5 58,1 ” 17 65,0 3,2 68,2 62, 3! 5,6 67,9 ” 27 | S8,4. 4, 5 93,2 11,9 gen 85,0 Oct. 7 |+116,6 6,9 +123,5 yi 96,1 8,5/4104,9
42 03 45
7,0 05 7,5 10,5| 0,8 11,3 14,5| 1,2 15,7 19,2 1,7 20,9 24,4l 2,2 26,6 30,2 2,9 33,1 + 36,74 3,6 Ki 40,5
L'axe de z fut pris pependiculaire au plan de l'équateur, laxe de z dans ce plan vers Féquinoxe du printemps et laxe de y vers l'intersection de Féquateur et de la colure du solstice d'été.
L'éphéméride suivante calculée pour Véquinoxe apparent variable donne la position de la comète pour le temps T + 4, par les formules:
AR oe CL 1 6) = AR oe (T) + at + bt’,
Décl. 0 (T + t) = Décl. om (T) + et + dt*, 1 étant exprimé en parties décimales du jour. Quoique Véphéméride fùt inter= polée de 12% à 12%, les positions pour Minuit Moyen de Berlin sufliront.
DÉCOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851.e 15
1851. AR o= | Log. a \ Log. b || Décl.eS \ Log. ce. \ Log. d Juin 29,5 | 10° 1’56,3 | 3,60347 | 0,949, |[+10°31'55,9 | 2,2740 1,097» 30,5 | Il 8 40,1 | 3,60154 | 0,991» 10 40 51,2 | 2,2108 1,104
Juillet 15 | 1215 5,2 | 3,59937 1017 10 43 21 ‚1 | 2,1317 1,100 2,5 | 13 21 9,9 | 3597104 | 1,045 10 45 25 8 | 2,0504 1,097
3,5 | 14 26 52 1 | 3,59459 1,068, 10 47 5 ,5 | 1,9395 1,097n
4,5 | 15 32 12,5 | 3,59197 | 1,090, 10 48 20 ‚1 | 1,7931 1,093
5,5 | 16 37 8,0 | 3,58917"| SLT, 10 49 9 9 | 1,5740 1,086
6,5 | 17 4l 31,8 | 3,58623 AT 10 49 35 „2 | 1,1206 1,079
1,5 | 18 45 41,0 | 3,58318 | 1,149, 10 49 36 4 {| 1,0334p | 1,079n
8,5 | 19 49 16,4 | 3,57991 | 1,164p 10 49 13,6 | 1,539l„ | 1.06Sx
Juillet 21,5 | 32 46 0,2 | 3,52421 1,310, 10 10 35 4 | 24951, | 0,954n 22,5 | 33 41 23,4 | 3,51887 | 1,314 10 5 18,1 | 25194 | 0,9ö4n
23,5 | 3436 5,5 | 351340 | 1,324p 9 59 34,0 | 2,542n | 0.949,
24,5 | 35 30 5,7 | 3,50169 | 1,328, 9 53 36 4 | 2,5639n | 0,949n
25,5 | 36 23 23,3 | 3,5019%5 | 1,335n 9 47 21 1 | 25848, | 0,93ön
26,5 | 37 15 58,0 | 349602 | 1,337 9 40 48,3 | 2,6033n | 0,924n
21,5 | 38 71 49,4 | 3,48990 | 1,340, 9 33 58,7 | 2,62lán | 0,9l4n
28,5 | 38 58 51 O | 348310 | 1,346n 9 26 52,5 | 2,631 | 0,909
29,5 | 39 49 20 4 | 347125 | 1,348, 9 19 50 1 | 265377 | 0,89Sn
30,5 | 40 38 59 „Ll | 3,41013 | 1,352n 9 1 51,8 | 2,6684n | 0,881,
31,5 | 4l 21 52,9 | 3,46406 | 1,356n 9 3 58,2| 2682n | 0,86%
Août 1,5 | 42 16 1,4 | 345129 | 1,358, 8 55 49 1 | 269557 | 0,863, 2,5 | 48 3 24 5 | 3,45031 | 1,356n 8 47 26 5 | 21018, | 0,851,
8,5 | 43 50 2,1 | 344311 | 1,362n 8 38 49 ‚1 | 2,71%, | 0,833,
4,5 | 44 35 53,7 | 343591 | 1,364n 8 29 58,0 | 2,13057 | 0,820,
5,5 | 4ö 20 59 3 | 3,42859 | 1,362, 8 20 53,6 | 21413, | 08137
6,5 | 46 5 18,9 | 3,42106 | 1,366, 8 11 36 ,0| 27512 | 0,799
1,5 | 46 48 52,2 | 341333 | 1,366, 8 2 5,8 | 2,7606, | 0,785,
20,5 | 55 3 56,8 | 3,29563 | 1,387, 5 4l 43 1 | 2,8524p | 0,643,
21,5 | 55 36 27 9 | 3,28411 1,387, 5 29 41 6 | 2,8516, | 0,633,
22,5 | 56 8 10,2 | 321365 | 1,389, 5 17 42,9 | 2,86%, | 0,613n
23,5 | 56 39 3,6 | 3,26226 1,387 5 5 30,0 | 28676, | 0,602,
24,5 | 51 9 8,4 | 325049 | 1,391, 4 563 9 1 | 2,8722, | 0,59,
25,5 | 51 38 4,1 | 3,23835 1,393,, 4 40 40 5 | 28766, | 0,580,
26,5 | 58 6 50,5 | 3,22510 | 1,393, 4 28 4,3 | 28807, | 0,556n
21,5 | 58 34 21,4 | 3,21211 1,395, 4 15 20,9 | 2,8846, | 0,532
28,5 | 59 114,8 | 3,19948 | 1,393, 4 2 30,7 | 28886, | 0,505
29,5 | 59 21 12,8 | 3,18560 | 1,395, 3 49 33 8 | 2,893, | 0417,
30,5 | 59 52 21,2 | 3,11132 | 1,395, 3 36 30 ,6 | 28956, | 0,462,
31,5 | 60 16 40,0 | 3,15664 | 1,395, 3 23 21 ,3| 28986, | 0,447,
Septembre 1,5 | 60 40 9 3 | 3,14136 | 1,395, 3 10 6 ,4| 2,9017, 0,42 „, 2,5 | 61 2 49,0 | 3,12551 | 1,400, 2 56 46,2 | 29047, | 0,40 ,
3,5 | 61 24 38 7 | 3,10857 1,395, 2 48 20,8 | 29072, | 0,36 „
4,5 | 61 45 38,3 | 3,09160 | 1,396, 2 29 560,8 | 29098, | 0,34 7
5,5 | 62 5 48 3 | 3,01383 | 1,395, 216 16 8 | 29130, | 0,32 „
6,5 | 6225 8,6 | 3,05515 1,395, 2 281,6 | 29140, | 0,26 „
7,5 | 62 43 39 2 | 3,03519 | 1,395, 1 48 55,2 | 29159, | 0,23 „
8,5 | 63 1 20,1 | 301532 | 1,395, |+ 135 9 ,3| 2917, | 018 7
!
16 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PÉRIODIQUE, Eer 7 } 1851. AR o= | Log. a | Log. b| Décl.oeS | Log.e | Log. d | Septembre 21,5 | 65°34'45”,6 | 2,5782 1,406, ‘|— 1°26'30",0 | 2,9232,, | 0,04 22,5 | 65 40 38,6 | 2,5149 1,405 1 40-21 ‚1 | 29222, | 0,15 23,5 | 65 45 40 5 | 2,4423 1,403), 1 5421 ,6[ 2,920, | 0,2 24,5 | 65 49 51,9 | 2,3541 1,403), 2 8 12,8[ 29192, | 0,26 25,5 | 65 53 12,1 | 2,2455 1,398, 222 0,6| 29169, | 0,32 26,5 | 65 55 43 5 | 2,0990 1,396, 235 44 O| 29144, | 0,40 21,5 | 65 57 24,3 | 1,797 1,391, 24922 ,5| 29116, | 0,48 28,5 | 65 5815 7 | 1,4265 1,393), 3 255 ,2| 29084, | 0,49 29,5 | 65 58 17,8 | 13502 | 1,382, 3 16 21,8 | 29048, | 0,54 30,5 | 65 51 31,4 | 18494, | 1,380, 3 29 al 5 | 29009, | 0,60 Oetobre _ 1,5 | 65 55 56,9 | 2,013, | 1,318, 3 42 53 5 | 28966, | 0,61 2,5 | 65 5334 5 | 22196, | 1,371, 3 55 57 ,4| 28918, | 0,66 3,5 | 65 50 25 „1 | 23250, | 1,366, 4 8 52,3 | 2,8866, | 0,68 45 | 65 46 29 1 | 24131, | 1,360, 42181 ,7| 28810, | 0,71 5,5 | 65 41 47,2 | 24831, | 1,352, 434 12,9 | 28750, | 0,74 6,5) 65 36 20,2 | 25431, | 13M, |— 446 37,1) 28684, | 0,76 Í U 1851. Log. r Log. A | 1851. Log. r Log. A Juin _ 29,0 | 0,072 1501 [| 9,852 1589 || Août 20,0 | OIL 1254, | 9,877 8150 Juillet 1,0 | 0,071 2235 | 9,851 2095 22,0 | 0,114 6568 | 9,579 2397 3,0 | 0,070 5210 | 9,850 5460 24,0 | O118 2745 | 9,88u 6162 5,0 | 0,070 0253 | 9,850 1563 26,0 | 0,121 9716 | 9,881 9429 7,0 | 0,069 7386 | 9,850 0246 28,0 | 0,125 7413 | 9,583 2231 9,0 | 0,069 6609 | 9,850 L327 30,0 | 0,129 5766 | 9,884 4585 | Sept. 1,0 | 0,133 4115 | 9,885 6525 210 | 0,073 5618 | 9,854 8055 3,0 | 0,137 4196 \ 9,886 8091 23,0 | 0,074 9178 | 9,856 0751 5,0 | Ol4l 4153 | 9,887 9340 25,0 0,076 4653 9,857 4403 7,0 0,145 4526 9,889 0300 27,0 | 0,078 1991 | 9,858 582 9,0 | 0,149 5265 | 9,890 1035 29,0 \ 0,080 1133 | 9,860 3884 31,0 | 0,052 2020 | 9,861 9442 21,0 | 0,174 4694 | 9,896 5194 Août 2,0 | 0,084 4556 | 9,863 5319 23,0 | 0,178 6710 | 9,897 6868 4,0 | 0,056 8761 | 9,865 1581 25,0 | 0,182 8756 | 9,898 9205 6,0 | 0,089 4475 | 9,866 7927 271,0 | 0,187 0800 | 9,900 2360 8,0 | 0,092 1654 | 9,868 4319 29,0 | 0,191 2817 | 9,901 6516 Oct. _ 1,0 | 0,195 4178 | 9903 1835 13,82968 | 0,100 S526 ‚ 9,873 1343 3,0 | 0,199 6657 | 9,904 8482 5,0 | 0,203 8433 | 9,906 6616 ' 7,0 | 0,208 0084 | 9,908 6397
Dans ce tableau log. r appartient à
Porbite elliptique pur, tandisque A ap-
partient à Féphéméride donnée ci-dessus et se rapporte à la position de la comête perturbée.
Le tableau suivant indique les corrections appliquées aux observations pour les positions corrigées de I'étoile de comparaison; les diffërences des obser- vations avee F'éphéméride donnée ci-dessus, enfin ces mèmes différences, cal- culées des précédentes en adoptant, qu'elles changent proportionnellement au temps pendant la durée d'une période de visibilité.
17
DÉCOUVERTE PAR M. p'ARREST LE 27 JUIN 1851.
OD mmm
INTRA A nT IN
OE ZN IN INN
DANA TRR RR ALL
FEIN € ann, een
ES E et Kebe FF OO CO DO 0 0 OL OL OU OU OU al es {OSC ENE a ” EE OO a a a an p=, een 2 Ene ï x Ë | d es zaesetdn EE er re be: TN eeen tadaa ag? A gooovonnro mr FH HDD MOD 1D HF CD ON EN CD OD OD A Man an Man ==) o . SEE |A | de | At MA KO | KAL RAAR |anAteotenrnr | Hers = 5 ste [eso Aro RAAS ROHR en MDO OO HH el De B, A rd ce lam rr EE [lt ++ IAR | TEA tE Ht Ne > | Ld D IE: EI) | mnaaadas |aannetrin | nrarnrnteekla | aaerasacn ag 5 EO O2 Om 0 UO HO OD De D= OU OO DID En el OO De ED DO MN SNOR EONRO o ” Se] er or) len Ge] ed Een ann Men Ar rm rd A ae eee Er ee Eel rat Ek ne TO ARNE Gear © EEE MTD aA 3 5 “ . Bas 8 ‘© „© rd AOR RR | © ROOM .O ooo nn an! (VS | Edele MGM Nei BEEN ak | EE Tt za Rees = En : 6 ag vO em vo ID «000 | WO Hett Fer «0. Kar: nme 288 5 RE ere re en eeN en eene ne BIE aA De «OO oo md Dm aar ed ON „OGS B … OAN mt OO WM le} A . dee kle eh a Nea aa nn ef en | ne es s Z LRE adik: AE nn € HEER ag 5 ; ri Dee OR - EO E En . EE d EN helle Ak edsne aars). ab AS Det ete eten es al B 2 aPes EN DSE sE bte A ve d Ln . bn neen S= ° . . =| : 5 : En Ie, ASAA | OSAMASAL AAA MAAAR | MAAAR HE 5 DOrm Ek Er FORM EO R = EN HW Os AR EAD 2 r ei ELD AAR A KS] GE) 5 E E a del ae s 5 5 | < :
AKADEMIE, DEEL [Ì.
VERHAND, DER KONINKL.
18
MÉMOIRE SUR L’ORBITE DE LA COMÈTE PÉRIODIQUE,
DATE.
LIEU DE L'OBSERVATION.
CORRECTION LA POSITION DE L'ÉT. DE COMPARAISON,
POUR
DIFFÉRENCE OBS. — ÉPIÉM, TROUVÉR,
DIFFÉRENCE OBS. — ÉPHÉM. CALCULÉE.
A. DR. DÉCL. DÉCL, Apûte7e Bonnsee — 0,2 | — 1,1 He OGBV OMD „ \Cambr.(Ang.)| + 1,0{ + 2,0 055 | +0 0 13 washington + 0 8 1,8 1,6 + 0 5 20 |Kremsmünster 5 —_25 45) — 8 9 | + 6,l | + 2,5 2 INP ariens we — 04 | 4-27 ,0 | —10 9 | + 5,6 | + 2,4 „_{Kremsmünster | +18 ,45| —12 BI + 5,6 | + 2 4 „ _\Cambr. (Ang) «… … HH 077 Al 1545624 #e | Banu es 44 JOS 05828 ON 252 DEN IRD A 22 |Königsberg. „ — 2 3 | — 1,6} + 9,r | HIB 4 H 5,2 |H 2,9 „_\Kremsmünster s ordes — S T5(H-834 6) + 5 2 | + 2,3 ie! Bonne es 8,0 |H 4,6 H 5 24 2,3 „_| Paris 8 6773223 Sel er dee Ed lo 24 | Durham ; EEK Te SAB el Zon Bonn p +783 + 3,8 4 2,0 26 | Königsberg. | —20 7 | . + 5 2 Il 243419 „_\Kremsmünster) — 5 ,S + 0,75 +11 1 H- 3,4 + 1,9 29 | Berlin 5 5 +095 21,5 30 |Königsberg. | + 4,7 | — 2,0 + 0,1 +18 5 41,6] +1 4 rel Bomers Wet 6 2E EE ig TE „_|Durham. …… vale: 8,0 NEO STN Be EE BL | Cambr.(Mass.) erronnée. | Sept. 1 |Rome..... ae Bonet 7 0 ED Med 5e EEA As „ | Durham. EER kts En: F4 2 40 LH 027 [-H 1 2 2 |Bonn..... hi el Me dolle 08 | tente 3 | Königsberg. . | ed ee eo IW: an n_| Cambr.(Mass.) | —26 „0 | —10 8 || — 0,2 | + 1,0 belBerhnt a 621,14 0,8 »_|Cambr.(Mass.)| ‚65l + 3 Of — lol | + 0,8 6 Durham. ... ‚05| —26 9 | — 1,5 | +"0 7 7 |Bonn (S.) . . Sr 19,0 — 2,0 + 0,6 8 « (8). al eEE dn tat 08 21 | Königsberg. . 25 + 6 9 — 0,3 | — 4,7 22 |Cambr. (Ang) 6,4 | + 9 15 — 2 „3 | — 8 9 v_| Königsberg. . Eee OOB B 9 LEE BEN
DECOUVERTE PAR M. PARREST LE 27 JUIN 1851.
LIEU DE
DATE. |L’OBSERVATION.
ute Parip"e sande The
„ {Bilk
Bonne We:
„ {Bilk „_| Königsberg. . Cambr. (Ang.) Königsberg. . Kremsm. .
ED
Orthen
2 Boan ne: n |Cambr. ns) :
4 Onis (Ang. ) „(Bonn a. „ [Cambr. (Ang. ) IÁ r/Á „ „
Galeries
19
CCRRECTION POUR DIFFÉRENCE DIFFÉRENCE LA POSITION DE L\ÉT. OBS. — ÉPHÉM. OBS. — ÉPHÉM. DE COMPARAISON. TROUVÉE. CALCULÉF.
A. DR DÉCL. A. DR. DÉCL. A. DR, DÉCL. DR | —16',1 | +140 | — 47,3 | — 3,1 + 0/,0 | — 27,7 || — 3,7 | +16 6 | — 6 3 | —2 8 HH 2,2|—0 124726 — 28 Sake En Le LN nd EN et) — 0,0 04+ 0,513, —6 328 4 0,027 2,5 |H 7,3 12,2 + 0,0 od, —_29 „25| — 5 212,2 | - 0,0 aje | —13,8 | — 6,05 —12 2 | + 0,0 — 0,0 + 0 4 + 9 95) —11l 2 —12 2 | + 0 „0 5 MOE 20,15 + 4,4 —16 2 | + 1 6 + 1,015 + 1,0 —15 „85 —-18 2 | + 2,4 RR ' +83 „0 | —18 ,0 | —20 2 | + 3 „1 —_26 4 | — 3 ,6 | —22 | + 3 9 36 4 | — 3,8 22,2 HH 8,9 . —_30 4 | + 3,3 | 22,2 8 9 —_12 4 — 3,124 2 + 4,7 2,6 HI2 2 —24 2 | H+ 4,7 5 —_28 2 4 9,1 —26 2 | + 5 5 À $ il Wi Ad ke eat B 5 —_2Ul 1 |H 5,5 | —26 2 | + 5,5 —_ 26 ,95| +23 ,7 || —26 2 | + 5,5 —_ 31 45) +24 6 | —26 2 | + 5,5 —_32 4 | — 3,0 30,1 + 7,0
|
D'aprês la méthode expliquée ci-dessus le tableau suivant fut calculé, qui eontient les corrections spécifiques s, et sj, erreur moyenne mm et le poids p des observations de chaque astronome, et enfin le poids G de chaque obser- vation corrigée.
LIEU DE L'OBSERVATION,
Leipzig... + 8,4 Bonn (Arg) J— 4 5 Bonn (Schm.)j—20 „8 Berlin (LuthjJ+ 6 ,55
Sd Na Houlast,d | Se 24 | 1,2 | 24 2 IH 9,55 2 Sh 0-0 GEE
mn
=
© Ke}
AM G IG'=1000G 9 16",41: gel 4 +10 61: 113, 9 el „71: 138 7 dt 7 „01: 62 16
| U
20 MÉMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
ee en na sa na m B M G |G'=1000G L'OBSERVATION. |
Berlin (Galle) 4 0,3 3 | 5,7 2 Eb ou Bl E62: 199 25 Cambridge . JH 9 ,2|10 | 5 2/10 |E 8,9 1: 72 ons 1e Ann 76 13 Königsberg. ‚— 5 ,0|1l | 1 Srl osE0s 2 9/10 „Il : 102 10 Kremsmünsterj+ 1,3 | 8 |+ 5,7 | 7 #20 1 1:402/E20 ,71:429 2 Durham. .. J— 6 ,0 4 | 6 4 4 [21,1 1:445jE22 ,41:500 2 Romers — 1,5 2 IH 4 6 2 [23 3 [1:546/+26 „11 :6833 T Balki0e ovens +56 3 |—- 5,5) 3 JE 9,11: 82E 9,81: 96 10 Washington. JH 3 2 | 2 [+11 ,6| 2 [&12,5 1:156,E13 ,„S1:190 5 Cambr.(Mass.)]+28 7 | 2 [+ 4,8 2 [#7 551: 57E 8 Al: 7 MM Londres. .. . ? 1 P 1 P P P ié P Paris. :...—8,6| 7 |—-2,8| 6 [E12 4 Rr Aven: 6
Ensuite nous trouvons pour les positions normales:
CORRECTION ze f sG! Ee ERREUR MOYENNE. POIDS = 2. G WI ee DE L'ÉPHÉMÉRIDE, zn - log 100
| A. DR. DÉCL. A. DR. DÉCL. | A. DR. | DÉCL. A. DR. DÉCL.
Jaillets ori 20 SS 12 ENIG IE 3046 79 75 9,949 9,938 5,5 + 4 ,6"|H 6 4 4 3 4 8 54 54 9,866 .{ 9,866
26,0 + 1 9 [4 5 2 8 „2 9 „2 97 97 9,993 9,998 Août 4,5 iH 2,5 4 0 4 el 5 1064 106} 0,013 0,013 22,5 + 4 5 |+ 4 6 8 „3 Spe, 90 821 9,978 9,958 Sept. 3,5 — 0,9 |H 1,2 8d 3,1 | 1041 | 104! 0,009 | 0,009 25,5 —1ll ,5 |—= 2 ,5 2d 2,7 | 142 142 0,076 0,076
Oct. 4,0 —20 5 |H 2,7 28) 2,8 132 132 0,060 | 0,060
1
De sorte que les positions géoeentriques normales deviennent:
Juillet 2,0 12°48' 8',9 +10 44’ 25,4 5,5 16 37 12 „6 10 49 16 „5 26,0 56 49 48 „0 9 44 12 ,0 Août 4,5 AA 55 56 „2 8 29 58 A 22,5 56 8 14 ,7 517 41 ,5 Sept. 5,5 61 24 37 „8 + 2 43 22 ,0 25,5 65 53 1,2 — 2 5,1 Oet. 4,0 65 48 12 ,4 — A15 13 „5
DÉCOUVERTE PAR M. v'ARREST LE 27 JUIN 1851. 21
On trouve cà et là des préceptes pour calculer les coeffieients dilléren-
: IC AS) da Ò.Ò zake: : tiels cos. ò DR IR? €05 EE gs” Cte, mais je crois cependant que
Vindication d'un système complet de formules, rédigé sous des formes com- modes, pourrait être agréable à l'un on l'autre lecteur. Nommant «, ò, A PAsc. Droite, la Déclinaison géocentrique, et la distance de la Terre, sl, i, n, u,v, T, a les éléments de lorbite, r, v le rayon vecteur et anomalie vraie, t le temps de l'observation, T, 4, 2 les coordonnées héliocentriques, rapportées à l'équateur, a,b,c, A, B, C les constantes de Gauss, étant ;
2 == r sin. a sin. (A + u) y =— r sin. b sin. (B + u) z == r sin. c sin. (GC + u)
u Argument de Latitude, e PObliquité moyenne de VEcliptique au 1°r Janvier 1851, on commence par calculer les valeurs des constantes 2
a B PE) 3 u sn. l
+ atg.p, + autg.p, — ACO Pp , + a? eos qg
— a? u cos. p E Ltg.o, cb
et ensuite le reste du calcul se fait facilement d'après les formules suivantes:
ak sin. « Lorp _ €08. « sin. d ens A VN COS. a sin. a sin, d In =d SS l A N cos. d +25
22
MÉMOIRE SUR L’ORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
2 sin. v
NOS xt 5
-— Besoin. 1” + dn Or an ee — au tg. eG r — G COS, y. EE Tr 5 t—_T te COS. T. Et jg 1 — at wcosg. — — K Tr 2 N ‚ sin» + Lig.p.sn?2s — L cos. q z cot. (A Hu) —= M 1 icos, a sn we RB y cot. (B + u) = N r cos. b.sin. u —= Q z oot. (C + u) = O r cos, C ‚sin. u — R Ar + By —= S Ca + Dy + Ez AMS IE IBIN" SST CM A4 DN + EO AP + BQ —= U CP + DQ + ER A (—ycos.e—zsin.e) + Bacose — V C (—ycos.e—zsin.e) + Dacose J Easine — ; ‚ò od. SE SF + TI tr er It . U Ro ele etn WEEK otd Va zE REEN 5 AL DEM EME dp dp ir EE EL 16 ò. da d.ò cos. ò. NL nee EK lt 08 Ne ad 5 Ee cos ò EL = U A = YY
À.Dr.
Décl.
cos. Ò. d. Ò.r == gee r d.r dy == y.— r d-2 peen r O7 r One
HEF ttr +
DECOUVERTE PAR M pv'ARREST LE 27 JUIN 1851.
25
Les équations suivantes, dont les formules citées sont déduites, peuvent servir pour rendre claire la signification analytique des lettres employées:
Les huit positions normales donnèrent les 16 équations que voici, où
0,077311 z 0,056607 0,071804 0,134212 0,218237 0,260632 0,326154 0,350268 0,329113 0,236318 0,319464 0,566475
— 0,991306
1,238732 1,607520 1,714281
T
=
ù
— 0,114029y — 0,116527 — 0,118372 — 0,114057 — 0,103385 — 0,097198 0,090197 0,088439 0,371902 0,376284 0,515256 0,361567 0,320026 0,284814 0,210789 0,150176
dk tt 4
«== (Adr + Bò.y) d.d — (Cd.r + Dd.y + Ed.z) : sin.l"
u H- Kd.T + LÒ.p
== dt — dS
== 0 UI
+ 0,939656 z + 0,928565 + 0,913752 + 0,943321 + 1,065817 + 1,194675 + 1,510571 + 1,644076 — 0,158153 — 0,133746 + 0,011593
„+ 0,089183 + 0,240283 + 0,339631 + 0,496965 + 0,636313
== (Fò.n + GÒ.T + Hò.p) sin. 1”
U
v
I
nn
— 3,57940u
3,44047
— 2,62515
2,32927 1,99064 1,92484 2,01619 2,19754 0,456882 0,436931 0,148131 0,052053 0,458617 0,116835 1,098336 1,190544
„sin, 1’
1000 9: 7
Ò.p 100
+
a
du
2,49964v 2,13522 3,69561 3,94930 4,28804 4,50218 4,96901 5,15468 1,254962 1,212181 0,962961 0,906873 0,949564 1,065855 1,338618 1,415991
+ (Nò.r + Nò „A —(N— 2050} d.N + Qd.) sin. 1”
+ (Od.r+Od.n — (0 — sine) d.N + Rd.i) sin. 1”
2,85192w 3,09962 4,13270 4,42696 4,86403 5,‚L60665 5,19902 6,04565 1,412916 1,365813 1,095495 1,034425 + 1,075813 + 1,194389 + 1,463449 + 1,530937
EE
ar | CS de WT A 1D
iet to oo
2 OM el ORR
Et (MO.r Ht MÒ.m (Mh yeos.ed esin. e)d. + P d.i) sin. 1”
eren RE 1e NEA
OSS SS ENGE © Oa @
U
24 MÉMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
Les derniers termes de ces équations ayant des poids inégaux, elles doi- vent être multipliées par les racines carrées des poids déjà cités, >G ou par des nombres proportionnels. Gependant le traitement entier des équations était déjà achevé, avant que je recus les positions des étoiles de comparaison de M. Yvon Virrarceav, et il est clair que les poids trouvés pour la se- conde fois différèrent si peu des poids d’'auparavant qu'il ne valait pas la peine de refaire la solution entière. Voici done ces poids de la première solution et les logarithmes des facteurs, par lesquels les équations ont été multipliées.
| sG! log. V za
Pr Ee ie DÉC. A. DR DÉCL Juillet 2,0 94 90 9,987000 9,977000 5,5 58 58 9882000 9,882000 26,0 102 102 0,004000 0,004000 Août 4,5 1074 1074 0,016000 0,016000 22,5 93: g4i || 2958000 | 9,964000 Sept. 8,5 | 113 118 0,027000 0,027000
2535 VAA ST4A 0,079000 0,079000 Oet. 4,0 136 | 136 0,067000 0,067000
Les équations à poids égaux, (dont lerreur moyenne fut + 5,16 = 1/10) qui résultèrent de cette multiplication, ayant été traitées selon les préceptes de la méthode des moindres carrés, donnèrent
11,33766 r — 1,903640y — 1,0279795 + 3,71913u — 1,43486v — 1,18884w — 21',1129 = 1,903640 + 0,868511 — 0,602429 + 1,461441 — 0,798836 — 0,987235 + 7 „6749 1,027979 …— 0,602429 +13,74197 —25,95920 + 46,24135 + 53,12973 — 61 „267 3,11913 + 1,46144) —25,95920 +57,18649 — 86,41406 — 98,76193 + 74 „321 1,43486 — 0,198836 +46,24135 —86,41406 =164,1543 +188,3401 —118 ,227 1,13884 — 0,987285 +53,12973 —98,16193 +188,3401 +-216,1759 —210 „842
dont la solution, après lélimination des- quatre inconnues 7, y,‚ z et u donna les ‘deux équations:
2,9945v + 3,1030w — 23',S66 = 0,
3,1030v + 3,2156w — 24 718 — 0,
er dd 3,1030 dont la première, multipliée par > donna
2,9945” 3,1030v + 3.2154w — 24,731 — 0
© oo os ©
LN
DECOUVERTE PAR M wARREST LE 27 JUIN 1851. 25
par où l'on voit qu'il n'y a aucune chance de déterminer par cette solution Pinconnue w avec quelque certitude. J'ai donc pris le chemin que voici, qui aété suivi, du moins en partie, par M. Yvor Vrrrarcrav. Laissant indéter- minée linconnue w‚ on obtient pour les autres inconnues les valeurs qui sui- vent, où j'ai remplacé w par 100 u:
=d. ie — 6,46 REN EIT Mean y=d.N =— 1918 — 34296 Dd. 2d. == — 39835 — 474821 D.u ) (WD
rho 4 == d.T —= — 01,003829 — 0,0037896 d. « j v=d.gpe dt 1,97 — 108,6234 _ò,a
Ces valeurs étant substituées dans les seize équations à poids égaux, il y restait encore les différences suivantes:
Calcul — Observation.
Asc. Droite. ) Déelinaison.
NED DOES OS 5,97 + 01413 Ò. u \
ae 0 T0ar dew ke 1159 00168 d.i
f-4SROBRet 0,00% dep he
INTER 02050 De HO 22 — 02233 du
RET sE oor 0l807B ef Ee (II) — 3 A6 + 0,3605 à. u ARI OTE BBIE B ze
REL AARS RD, Ke + 4,10 + 0,0983 d. u
TEN hen ge Tr def
dont la somme des carrés est: 170,55 — 7,526 du + 1,5525 (à.«)? La formule connue ee] = [an] a + [ba] y + [en]z + [dn)u + [en]v
(notation de M. Eeke, Berl. Astr. Jahrb. 1854, 55, 56) donne le contrôle du calcul. Chaque terme du second membre consiste dans notre cas d'un trinome de la forme a + 2Ò.u + 7(Ò.u)*, et leur somme donne
Termes positifs 2749,55 + 255267 du + 2205918 (0.«)* Termes négatifs — 2579,53 — 953275 d.u — 205916 (d.«)° 170422 rd EN ARE Alon)”,
4
VERHAND. DER KONINKI. AKADEMIE, DEEL II.
26
MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMÈTE PERIODIQUE,
ce qui confirme lexactitude du calcul, autant que comporte l'usage des tables
à six déeimales.
En cherchant la valeur de ò.# qui rend la somme des carrés des erreurs
uu minimum, on trouve
En 3,065
B [e] ==
= + 2',5906
61,57
L'erreur moyenne de chaque équation devient
161,57
Vas
16 —6
== 4,02
landis que la formation des positions normales a donné + 5,16.
Le systeme correspondant des éléments est celui-ci:
{== 15°55'56”,65 Q — 148 25 58 ,99 \ Equin. Moyen D= 522 57 12 ,59 ) A Janv. 1851. T — Juillet 8,724547 T.M. de Berlin, p= AT 181,92 u — 555’, 25528 En variant la valeur de u de + 5”, et de — 5”, et en appliquant aux
autres éléments les changements correspondants, j'obtins deux autres systèmes D et LB, lesquels étant comparés avec les positions normales, laissèrent encore
les différences suivantes. Quant aux différences présumées qui y sont ajoutées, il faut remarquer que les quantités (II) regardent les seize équations à poids
égaux, el qu’ainsi il faut les diviser chacune par son poids V Too
v G'
00 ”
DECOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851. 27
DIFFÉRENCES DIFFÉRENCES En
TROUVÉES CALC. —oBs. [PRÉsUMÉES caLc‚— ops} TSOUVEES SUR LES DIEF, PRÉSUMÉES. c D E ED | E Cc D E /Juill 2,0 ade 8',5/—0',8 oalord1”,0 —0",4i— S',9—1',8 5,5 —5 012 16 „O3 62 94 Bl A 9 Bl ,7 26,0 +2 — 9 „SH 2 +3 „O3 „03 „0 —0 ‚S—12 „S—0 ‚S Asc. Dr Août 4,5 —0 ‚A13 IH0 HL HO HL Al ‚615 32 0 de 22,5 |—6 „220 SL UA I—5 „Od A1 5—15 „S—0 8 Sept. 3,5 |—2 5—16 6-5 B|—2 A—0 „4 IO „1-15 „Sl 7 ie ae Besl 0e Meded A sl 8 \Oet. — 4,0 [4-0 „8l—=180,9|F4 „OER BHO 165 „13 A19" Al 1 /Juill. 2,0 [46 Al 3,945 „Ofd6 ub AE Gede Bil brij=i Ee A d 260 A 5 9 IB OA 66 62 nikon ds 10 3 Déel Août 45 |—0 „9— 4 „140 „5|—0O SL SEE 3 22,5 A ‚1— 5 5 S—3 SL 15 50 3— 3 ,6—0 3 Sept. 35 |H0 3— 0 52 „GHO „4H3 „12 3—0 „1— 3 ,6—0 3 25,5 [4-3 „a O 243 „HA „IFA 53 80 ,6l— 4 S1|—0 „5 Oct AV Et EE DE | | |
Les exeês des différences trouvées sur les difÏérences présumées tiennent évidemment aux puissances supérieures des corrections des éléments, que nous avons négligées jusqu’ici, ce qui est confirmé par la considération que les excês, trouvés pour le système D sont 9 à 10 fois*plus grands que ceux, qu'ont fournis les systèmes Cet HW, et que, pour parvenir des éléments pri- mitifs au système D, nous avons varié w et les autres éléments à peu près 5 fois plus que pour en déduire les systèmes C et LK.
En effet, il est facile de démontrer qu'une fois le système le plus probable C ayant été constitué et si on en augmente la valeur « de la quantité Lu, alors pour rendre un minimum la somme des carrés des erreurs res- tantes, les autres éléments devront subir des changements correspondants qui peuvent s'exprimer par des séries de la forme
«Au + 2(A u)? + 7 (Au)? + etc.
Puis, en comparant ce système avec les positions normales, les erreurs restantes, et enfin la somme de leurs carrés pourront être exprimées par des séries sembla- bles, mais qui contiennent encore pour premier terme un nombre constant. Dans
notre cas le terme contenant le carré de A u commence done à devenir sensible, 4%
28 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMETE PERIODIQUE, °
La régularité qui existe dans les exeès trouvés pour le système D fait qu'on peut les faire disparaître presque entièrement de diverses manières; par exemple en changeant la Longitude du Périhélie seule, la correction la plus probable est — 12”,7 et les erreurs restantes deviennent assez petites; mais si Pon applique la méthode des moindres carrés, en employant les coellicients qui ont servi pour le premier système, on trouve
Ld. = + 0,54 y=d.N = + 2,05 z=d.n —= + 4 ,65 zooo U =d. —= + 0 „00041 v=d.r = + 2,50
Les erreurs restantes dans les seize équations à poids égaux sont
dn 05 vB de AUOE ENOS ej Sa ra Sl oraal tE HTO E28, Srutirtand £ Moree Arbi FeS 451
dont la somme des carrés — 214,77.
Les valeurs que nous venons de trouver pour les corrections des éléments nous permettent d’ajouter maintenant aux corrections (Il) du système primitif les termes contenant le carré de A.g. Les corrections deviennent donc
ek BB LISTE NAR:
d.i u + 0,0098 (A. 1)\
Ò. SQ, = — 19 18 — 54,2296 A.ug + 0,0376 (A .g)?
Ò.I —= — 89 „335 — 47,4821 A.u + 0,0850 (A. )? II) ò.T —= — 0,003829 — 0,0037896 A.g + 0,0000074 (A. „)?
d-P == — 1,97 — 103,6234 Ag + 0,0458 (A .r)3
Ò u VAN /
De plus, il est clair que dans l'équation [:] = 170,35 — aA. + b(A.u)?
qui nous a servi pour déterminer la valeur la plus probable de A .u, le coefficient a de A.g a été exact autant que l'usage des tables à six décima- les Pa permis, mais le terme contenant (A .«)* avant été négligé dans les valeurs des erreurs restantes, il s'en suit que dans la somme de leurs carrés le coefficient de ce terme ne peut pas être exact. Connaissant la somme mi-
DECOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851. 29
nima des carrés des erreurs 214,77 pour une valeur A.x—= 7°,5906, nous avons pour déterminer ce coeflicient :
214,77 — 170,55 — 54,14 + 54,61 b d'où b = + 1,805 On peut obtenir pour la valeur la plus probable de A.u une seconde ap-
proximation si Pon cherche la valeur qui rend un minimum la nouvelle ex- pression pour la somme des carrés des erreurs. On trouve
ARE SEE 04028 2b 3,616 [ee] — 162,9
Maintenant nous sommes en état de déterminer a priori la somme minima des carrés des erreurs qui resteront si l'on fait varier A .u encore de quel- ques secondes. Par exemple, en augmentant et en diminuant de 10” la valeur de « qui appartient au système C, et en déterminant les autres éléments à aide des formules (III), nous aurons deux autres systèmes F et G pour les- quels A .g aura les valeurs + 12”,5906 et — 7',6094. En les substituant dans la formule
[:] = 170,55 — 7,526 A.u + 1,805 (A. u), nous trouvons pour les systèmes F et G respectivement: 556,7 et 550,7
J'ai, en effet, formé ces deux systèmes et les ai comparés tous les deux aux positions normales. La somme des erreurs restantes, multipliées par les poids a été
580,2 et 508,7
La méthode des moindres carrés donna les corrections les plus probables
du système F du système G t=d.t +""1",56 — 1”,49 y=. + 5,50 — 8,12 z=d.n + 15 „12 — 1 ,79
roo U=d.T + 0 „00145 + 0 „00171 v=d.p mad he + 17,1
50 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMETE PÉRIODIQUE,
et la somme [e-] devint
505,0 et 248,0
étant encore inférieure une de 51,7, l'autre de 82,7 unités aux nombres présumés.
La diversité des corrections, trouvées pour les systèmes # et G confirme ce qui a été remarqué ci-dessus, qu'on peut faire disparaître d'une infinité de manières les erreurs restantes dues aux corrections du second ordre des éléments.
La question à résoudre maintenant est: quelle peut être incertitude du moyen mouvement diurne, et ensuite du temps de révolution? Íl va sans dire que la réponse à cette question est des plus difficiles. D'un côté la théorie de la méthode des moindres carrés nous apprend à trouver les limites entre lesquelles on peut parier un contre un que Vinconnue « doit se trouver. Le facteur qu’a obtenu w dans la dernière équation de la solution est égal à son poids. Gette dernière équation, a été
0,0002 w — 0,042 — 0
Ayant trouvé ci-dessus par un détour, qu'au lieu de la valeur w — 210 qui résulte de cette équation la vraie valeur est
w — 259,06
nous pouvons déterminer le facteur de w avec un peu plus de précision. On trouve donc
0,000176 w — 0,042 — 0
pour cette équation. Le poids de la valeur trouvée de w s'exprime donc par le facteur qu'il a dans cette équation, et en se rappelant que erreur moyenne des seconds membres des seize équations à poids égaux a été trouvée a pos- feriori égale à + 4”,02, on trouve pour Verreur probable de w
4',02
+ 0,6745 X —_—_ = dt 204 v 0,000176
et pour Verreur probable de An + 2”,04,
DECOUVERTE PAR M. ARREST LE 27 JUIN 1851. 51
De l'autre côté la comète d'Encke nous a appris que si l'on cherche un orbite qui s'appuie sur quelques apparitions, alors les erreurs, qui restent à la comparaison des éléments avec les positions normales, sont beaucoup plus grandes que celles qu'on trouve si lorbite doit représenter les observations d'une seule apparition. Au quatrième Mémoire sur cette comète, (Mathem. Abhandlungen der Königlichen Akademie der Wissenschaften zu Berlin, 1842) on trouve un tableau des erreurs restantes après la comparaison des éléments à 22 positions normales formées des observations faites aux apparitions de 1818 et 19, 1825, 1828, 1855 et 1858. Les apparitions de 1822 et de 1852 ont été rejetées dans cette solution afin d'avoir seulement des observations faites avant le passage au périhélie. Quoique Ìa grandeur des fautes puisse être nommée sans doute satisfaisante, néanmoins dans toutes les erreurs restan- tes, qui appartiennent à une même apparition, il y a une marche plus ou moins régulière qui indique que chaque apparition prise à part peut être re- présentée beaucoup mieux que par le système II qui embrasse sept révolu- tions. C'est pourquoi je crois que pour être sùr, il ne faut pas dp se fier à Perreur probable trouvée ci-dessus.
Je finirai par citer ici les cinq systèmes F, D', €’, E‚‚ G, dont D', C et E' sont les systèmes D, C, E‚corrigés des termes qui renferment (A .#)* ; jy ajouterai les erreurs qui résultent de leur comparaison avec les positions normales.
| F | D' G E G T Juillet 8,6875858 8,705809 8,124389 8,743345 8,762671 n 322° 49' 30,8,322° 53' 19,81322° 57' 13',1/323° 1’ 10",6/323° 5’ 12,3 Q 148 20 2 ,5148 22 49 OI4S 25 39 UI48 28 30 4148 31 23 5 ï 13 53 89 Af 13 54 37 S| 13 55 36 7) 13 56 36 1} 13 57 36 ,0 p 41 0 52,7 4l 9 26 3} 41 18 2 ,2/ 41 26 40 3) 4l 35 20 8 u 563',25528 | 558/,25528 | 553",25528 | 548',25528 | 543',25528 Temps de rév. | 23005,910 23215,519 2342),499 23631,857 23851,619 Prochain pass. \ au Périh. Sept. 25,598 Oct. 16,225| Nov. 6,223/Nov. 27,600/Déc. 19,382 1857. | Temps, Moyen de {Berlin
Les longitudes du Périhélie et du Noeud Ascendant sont comptées de PEquinoxe moyen du f°r Janvier 1851. Les éléments doivent être considérés comme des éléments osculateurs pour le 29 Juin 1851.
52 MEMOIRE SUR L'ORBITE DE LA COMETE PÉRLODIQUE, ETC,
Erreurs restantes à la comparaison avec les positions normaies.
| F D' | C' B! G E Dr.) per. |A. Dr. | DCL. |A. Dr. | pícL. ‚! pÉcu. || A. Dr. 2) ee Juillet 2,0 [0,2 H5",4|H0/,5 +751, +6,S „346,0 0" ,5H3",7 5,5 2 „IA HB „13 „Opt „02 „1 ‚S—l „95 ‚1-2 5 26,0 0 ,0—9 „TIH2 ,6—6 „513 5d „2 ‚6—2 „6 +2 ,5—0 ,7 Août 4,5 [4 „02 ,S|H0 „21 „ONH1 „O0 ,6 NHO HB „BH2 1 22,5 |—7 „1—0 ,6/—6 ,0—2 Jt 6—3 „Tj: Ars? 4 Ad ‚3 Septembre 3,5 |+-0 86 20 „63 „4l—0O ,SHO Tt binn 15 ‚Ad ‚9 25,5 [+5 „SHS Id „SH 60 F4 Ol 4H3 ML ,SH3 „1 Oetobre 4,0 \H1 „7—ä AHO „8-3 It? Al ,S[H6 ,5 +0 648 Bane ‚4
Il résulte done qu'on peut faire varier le moyen mouvement diurne de vingt secondes, ce qui est équivalent à un changement de 85 jours dans la période de révolution, et quoique sans doute les positions normales soient représen- tées le mieux par le système moyen, néanmoins les autres systèmes laissent des fautes si petites qu'il faut les considérer comme également possibles.
L'incertitude de + 5 dans le moyen mouvement, soupconnée par M. Yvox VrrLARCEAU, est done doublée par ces considérations,
ERRATA,
Page Ligne Au lieu de Lisez : Page Ligne Au lieu de Lisez:
Ìl 19 convaincut convainquit 8 ainsì qu'on de sorte qu'on 3 3 __posible possible 14 Exentricité Excentricité
» 29 grande chose grand’ chose „ Demie grande axe Demi-grand axe 4 8 _changeante changeant ” perturbatons perturbations
r 12 deviennent devient „ pependiculaire perpendiculaire
6 29 attint atteignit
BIJDRAGE
TOT DE
ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNÁ.
DOOR
Uitgegeven door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam.
MET TWEE PLATEN.
AMSTERDAM, ® C. G. VAN DER POST, 1854,
pe ares ned
Ben vive gi ie 0, malin ad
Ee ies B
tú vii É di |
Pe wijden gee aaa | nel aen est mamie 3 titie in hieer » eng ir wake ns pn as valde wv err pen elks ok: awe „Aal - mp } rand mgb derd nieginen Isle BRNGN ge wend arken ovarerd bist rde ‚…
mischreg dir ar an stent enbnnder zngt gervcijeere beren pass sns seren ren jn mre 0 en en voors oevers aar ersten alras anda” 4 gdents n amer) Lw Omar ek uiad Obe „oren te greed dedaven vor bilgbaten: ond „ee bebe el Ied zn zere 0 oben de atnren r_n 1 dn id efadrupwer weende „et deer apird x weren Ao eener oeelvar eerie geeehrakesnhre ol Aryod vnemgndutre
8 \ ie 3 hd da ‚ke *
BIJDRAGE
TOT DE
ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA.
DOOR
EE
Een naauwkeurig onderzoek der vormen en bouw van de plantencellen wordt thans, bij de vorderingen in plantenkennis, meer en meer noodzakelijk geacht voor eene goede plantenbeschrijving en soortsbepaling. Het is vooral onmis- baar bij eene zoo natuurlijke groep, als die der Sphagna. Dr. K. Mürren zegt daarom te regt, in zijne beschrijving van Sph. sericeum, Bot. Zeit. 5 Jahrg., 28 St, dat het bladnet der Sphagna bijna het eenigste kriterium daar- stelt, waardoor de soorten van dit geslacht met zekerheid kunnen onderschei den worden. Wanneer men dit kriterium van iedere soort gevonden heeft, dan is men eerst in staat, om met vrucht de ontwikkeling dier plantensoorten in hare talrijke vormen, in de natuur na te gaan, ten einde daarvan eene juiste kennis te verkrijgen. De soorten van Sphagmum vertoonen namelijk zulk eene gelijkvormigheid in hare zamengestelde organen, dat men, zonder het mikroskopisch onderzoek van het celweefsel, ligt in twijfel zou geraken, of niet het verschil, dat men bij hen bespeurt in steng- en takverdeeling, getal en rigting dier deelen, als ook in bladvorm, van toevallige omstandigheden afhangt, b. v. van eene min of meer vochtige groeiplaats, van den verschil- lendèn leeftijd der plant en van anderen uitwendigen invloed. Toen ik, eenige
jaren geleden, de inlandsche soorten van Sphagnum begon te onderzoeken, 5 VERHAND, DER KONINKL. AKADEMIE, DEEL 1],
4 BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPIIE DER SPHAGNA,
en tot dat einde verschillende streken van ons land had bezocht, liet ik om die reden mikroskopische afteekeningen maken van alle vormen, waarin ik soorts- verschil meende op te merken. Daaruit bleek mij, onder anderen, reeds spoe- dig, dat Sph. capillifolium Errm., welk mos door vele bryologen wegens zijne gelijkvormigheid met Sph. acutifolium Eunu. wordt vereenigd, daarvan in- tegendeel als eene degelijke soort moet onderscheiden worden, en wel hoofd- zakelijk door de wijdere en grootere cellen van zijne bladen. Later heb ik ook, door het onderzoek der stengbladen van Sph. tenue, volgens Nrrs eene varieteit van Sph. acutifolium, een standvastig verschil in het celweefsel op- gemerkt, waardoor het als eene bijzondere soort gemakkelijk kan worden on- derscheiden. Het verschil is daarin gelegen, dat het bovenste gedeelte der stengbladen van Sph. tenue steeds gescheurd is, zoodat daarvan slechts draad- vormige overblijfsels der cellenwanden zigtbaar zijn, en dat zelfs daarenboven de wanden der poreuse cellen in het overige gedeelte van die bladen, waar- schijnlijk door resorptie, geheel vernietigd zijn; Pl. L, Fig. 6. Bij de be- handeling dezer bladen met jodiumtinktuur en zwavelzuur ziet men tevens zeer duidelijk de tusschencellige gangen, die door de zamenvoeging der nabu- rige cellenwanden ontstaan, en waarvan de overblijfsels aan de resorptie het langst weêrstand schijnen te bieden. In een ander geval deed mij het mi- kroskopisch onderzoek van het celweefsel zeer van elkander afwijkende vor- men vereenigen, die vroeger als bijzondere soorten zijn beschouwd gewor- den. Alvorens echter tot zoodanige vereeniging te besluiten, is het noodig, dat men de afwijkingen in vorm, die door de genoemde omstandigheden bij eene door het celweefsel goed gekarakteriseerde soort worden te weeg ge- bragt, in de natuur waarneme. Tot voorbeeld strekt een zeer zonderlinge vorm van Sph. cuspidatum, die onder den naam van Sph. plumosum het eerst door Nees AB EsenpBeeK is bekend gemaakt. De gelijkvormigheid van het celweefsel, gepaard aan de waarneming dier plant op hare groeiplaats, brengt tot het besluit, dat dit mos, niettegenstaande het groot verschil in habitus enz., voor eene jonge plant van Sph. cuspidatum moet gehouden wor- den, zoo als die zich, het eerst, door ontkieming der sporen in het water ontwikkelt. Zij is dan ook minder juist als eene varieteit van genoemde soort in den Prodromus Florae Batavae vermeld, en behoort slechts als een jeug- dige vorm onderscheiden te worden. De jongere planten van andere soorten van Sphagnum wijken ook dikwijls in vorm en habitus van de oudere vrucht- dragende zeer af. De laatste vertoonen eerst den waren typus der soort,
BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA, IJ
en, voor zooveel mij bekend is, heeft men nimmer Sph. plumosum met vruchten aangetroffen. In hetzelfde geval verkeert de onder water groeijende vorm van Sph. subsecundum, die door Brrper als soort is beschreven onder den naam van Sph. denticulatum, wegens zijne zonderlinge en van alle soorten van Sphagnum afwijkende stengel en bladen. De waarneming dezer plant en van hare overgangsvormen in de natuur, zoo als zij b. v. in de vijvers en slooten bij Zeijst groeit, heef, mij haar als een bijzonderen vorm met de genoemde soort doen vereenigen.
Het onderzoek der Indische Sphagna, die zich in het herbarium Jung- huhnianum bevinden, heeft mij eenige bijzonderheden in de celstruktuur der bladen doen opmerken, waardoor zij zoowel onderling als van de overige bekende soorten duidelijk verschillen. Dr. K. Mürrer heeft daarvan reeds eene soort beschreven, onder den naam van Sph. sericeum; de andere ‘heh ik onderscheiden als Sph. Gedeanum, Sph. Junghuhnianum en Sph. Hollianum. In de Bryologia Javanica zal men die, uitvoerig beschreven en afgebeeld, aantreffen *. Het is mij voorgekomen, dat deze Indische soorten onze kennis van de bewerktuiging dezer merkwaardige plantengroep zeer vermeerderen, en dat zij welligt kunnen strekken, om eenig meerder licht te verspreiden over de morphologische en physiologische beteekenis van het eigenaardig cel- weefsel, hetgeen tot nog toe bij geene andere plantengroep is waargenomen. Onze kennis van de bewerktuiging der Sphagna berustte tot hiertoe hoofdza- kelijk op het onderzoek der Europesche soorten. Uit de overige werelddeelen waren slechts weinige soorten, en dan nog zeer onvolkomen, door eene op- pervlakkige beschrijving bekend gemaakt. Het Amerikaansch Sph. macrophyl- lum Beryu. toonde echter reeds een opmerkelijk verschil aan van de Euro- pesche Sphügna, door het gemis van die fraaije spiraatvezelcellen, welke in deze planten zoozeer ieders bewondering wekken.
De celstruktuur der Sphagna is het eerst door Morpexnawer in haren waren aard begrepen en daarna, in 1857, door Hueco Mour uitvoerig onderzocht en aangetoond. De beroemde bryoloog Dr. W. P. Senmmeer, in zijne Lie- cherches anatomiques et morphologiques sur les mousses, Strasbourg 1848, als ook Dr. H. Semacur, Ueber die Pflanzenzelle etc, Berlin 1852, hebben door herhaald onderzoek allen twijfel, die daaromtrent nog mogt bestaan, opgeheven.
* Bryologia Javanica seu Descriplio muscorum frondosorum Archipelagi Indici tconibus ilustrata, auct. F. Dozv et J. H. Moukengoer, Fase, T Lugd. Bat. apud A. W‚ Sxruorr.
6 BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PIN TOGRAPIIE DER SPHAGNA,
Het is aan die kruidkundigen gebleken, dat er in de bladen van Sphagnum twee cellenstelsels gevonden worden, waarvan het een meer enmiddellijk dient tot voeding der plant, het andere waarschijnlijk het opslurpend vermogen van die gewassen vermeerdert. Alle deze cellen zijn in eene enkele laag aan el- kander gevoegd. De basis van de bladen loopt eenigzins langs de steng af; hare cellen zijn daar aan de uitwendige cellenlaag der steng gehecht, waar- door het opzuigen van het vocht uit de steng des te sneller geschiedt. Die plaatsing der cellen in eene enkele laag, waaromtrent de Indische soorten geene uitzondering maken, onderscheidt de Sphagna van de Leucobryaceën.
De bladeellen zijn oorspronkelijk aan elkander gelijk; doch weldra ziet men daarvan tweederlei vormen ontstaan, namelijk verlengd-cylindrische, vocht- houdende, met groen cellenstof gevulde cellen, die, door aansluiting van de eene op de andere in eene schuinsche rigting, de mazen van het bladnet uit- maken, waartusschen vrij regelmatig groote wijdere poreuse cellen geplaatst zijn, die bij alle Europesche soorten van Sphagnwum dwars, ringvormig of spiraalsgewijze gestreept zijn. De vorming der spiraal in die cellen schijnt eene secundaire formatie te zijn, en wordt het best verklaard door aan te nemen, dat het cellenstof zich hier aan den binnenwand dier cellen als een spiraalvezel aanzet, terwijl die aanzelting integendeel in andere cellen eene gelijkmatige verdikking der cellenwand ten gevolge heeft. Gelijktijdig met die spiraalvorming schijnt er in die cellen lucht ontwikkeld te worden, waar= door zij blaasvormig worden uitgezet en eenen veel grooteren omvang verkrij- gen, dan de hen omringende, naauwere, groene cylindrische cellen.
Die spiraal nu ontbreekt in sommige soorten uit andere werelddeelen, Sph. macrophyllum Bernm., Sph. sericeum Mürr., en in ons Sph. Hollianum. Wat daarvan de reden zij, is moeijelijk te gissen. Het is echter opmerkelijk, dat men die ook niet vindt in de stengbladen van verscheidene Europesche soorten, noeh in die van Sph. Gedeanum, en dat men ze slechts bij uitzondering aantreft m de bladen van de zoogenaamde vruchtsteel. De naam van poreuse cellen schijnt mij daarom bij de beschrijving der Sphagna verkieslijker toe, dan die van spiraalvezelcellen, om ze van de andere cellen te onderscheiden.
In den regel staan de poreuse cellen geïsoleerd tusschen de hen omrin- gende groene cellen, die gewoonlijk 5—7 in getal zijn; b. v. in de takbla- den van Sph. Gedeanum, PL. I, Fig. 1; de zeer fijn spiraalvezelige cellen van Sph. Junghuhnianum, PI. L, Fig. 5; die van de takbladen van Sph. tenue, PLL, Fig. 7, In de stengbladen van Sph. Hollianum, Pl. U, Fig. 12, en
Il
BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PIIYTOGRAPHIE DER SPIAGNA.
in die van Sph. Gedeanum, Pl. IL, Fig. 2, zijn die poreuse cellen vrij regel- matig gepaard, of wel drie in getal, schuinsch op elkander geplaatst. Deze drie cellen evenaren dan bijna in grootte eene gepaarde cel. In het eerst meende ik in deze bladen geïsoleerde cellen, met een dikke spiraalvezel voor- zien, op te merken; maar bij sterkere vergrooting en aanwending van jodi- umtinktuur met zwavelzuur, zag ik het gekleurde vocht tusschen den cellen wand vloeijen, die de gepaarde cellen scheidt; zoodat de schijnbare spiraal- vezel een tusschencellige gang bleek te zijn. De bladen van Sph. sericeum, PL. , Fig. 8 en 11 vertoonen ook wel van die gepaarde cellen, tusschen het groen celweefsel geplaatst; maar niet zoo regelmatig als bij Sph. Hol- lianum. Eene gepaarde cel is hier weder bijna even groot, als eene geïso- leerde eel. Overigens zag ik ook dergelijke cellen zeer regelmatig geordend, in de stengbladen van Sph. acutifolium, Pl. 1, Fig. 4, en in die van Sph. tenue twee of drie, maar in verschillende rigting aan elkander gevoegd, PI. I Fig. 6. Eene andere bijzonderheid, die door de genoemde kruidkundigen, maare vooral door Senrmeer duidelijk is gezien, is het voorkomen van poren in de wanden der spiraalcellen. Hij plaatste namelijk de bladen van Sphagnum in water, waarin zich vele monaden bevonden, en zag er toen eenige door de poren in die cellen kruipen en alle pogingen in het werk stellen, om er weder uit te komen. Het bestaan dezer doorboringen van den cellenwand was vroeger door Metser, in zijne door de Haarlemsche Maatschappij be- kroonde prijsverhandeling en in een afzonderlijk uitgegeven werk, Ueber die neueste Forschritte der Anatomie und Physiologie der Gewüächse, 1856, ontkend. Hij zag- die ronde figuren voor ringvormige vezels in den cellenwand aan. Ik heb die proef met monaden niet herhaald, omdat ik door kleuring der bladen met jodiumtinktuur en zwavelzuur voldoende opheldering, aangaande het bestaan der poren, meende verkregen te hebben. De cellenwand vertoont zich ter plaatse, waar de poren gelegen zijn, lichter gekleurd; zeldzaam on- gekleurd. Het laatste bewijst de doorboring van den voor- en daartegen„over- gestelden achterwand der cel. Eene vernietiging van den geheelen cellenwand ziet men in de stengbladen van Sph. tenue, Pl. L, Fig. 6. Het eerste toont, in elk. geval, eene aanmerkelijke verdunning der cellenwand aan, terwijl het de vooronderstelling toelaat, dat slechts een der wanden, hetzij voor= of ach- terwand doorboord is. Men verklaart die doorboring of verdunning door een resorptieproees aan te nemen, waarvan bij de mossen, onder anderen, merk- waardige voorbeelden in de vorming van het peristomium internum bestaan.
8 BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA.
Het voorkomen der poren is verschillend, hetzij in grootte of in getal, hetzij in plaatsing aan den ecellenwand, bij onderscheidene soorten van Sphagnum. In de cellen van Sph. tenue, Pl. 1, Fig. 7, ziet men ze klein en in groot aantal, regelmatig aan de cellenwanden tusschen iedere spiraalwinding. Daar- entegen in de takbladen van Sph. Gedeanum, Pl. IL, Fig. A, zijn zij de helft grooter, wel aan beide zijden van de cellenwanden, maar onregelmatig ge- plaatst. Im de stengbladen dezer soort, PL. L, Fig. 2, ziet men slechts een of twee poren, terwijl de diameter van eenen poor aan dien van de eel gelijk is. Zij schijnen geheel en al in de stengbladen van Sph. acutifolium, PL. 1, Fig. 4 en 5, te ontbreken. Merkwaardig is hunne plaats aan den top der cellen van Sph. sericeum en Sph. Hollianum, PI. IL, Fig. 8, 10, 12, 15. De cel- len zijn daar echter niet geheel doorboord; de lichtere tint, die zij op die punten door kleuring verkrijgen, toont slechts eene verdunning van den cel- lenwand aan. Wanneer men ze vochtig en ongekleurd door het mikroskoop beziet, schijnen die poren blinkende verhevenheden; doch ook de bladen heb- ben, over het geheel, eene glinsterende oppervlakte. De poren van Sph. Hol- lianum zijn eenigzins kleiner, dan die van Sph. sericeum.
In het algemeen schijnen de poreuse cellen vooral bestemd te zijn, om de capillariteit der plant te verhboogen, en het water sneller te doen opzuigen. Met uitzondering der Leucophaneën bestaat er geen mos, dat het water tot zulk eene aanmerkelijke hoogte kan opzuigen, als het veenmos. Die planten zijn ware sponsen, die met verwonderlijke snelheid het water opslurpen, door welke eigenschap zij de uitdrooging der moerassen en vochtige plaatsen, die zij uitsluitend bewonen, bevorderen.
Het andere cellenstelsel, dat onmiddelijk tot voeding der plant dient, be- staat, zoo als gezegd is, bij alle Europesche soorten uit naauwe enkelvoudige cellen, die steeds met fijn korrelig groen cellenstof zijn gevuld. Deze cellen zijn echter bij deze soorten moeijelijk te zien, en alleen bij de sterkste ver- grooting, onder het mikrooskoop, duidelijk waar te nemen. Het is daaraan waarschijnlijk toe te schrijven, dat Mersen, in zijne genoemde verhandeling, het bestaan van zoodanig verschillend cellenstelsel bij de Sphagna ontkende, Alle twijfel daaromtrent wordt nu echter geheel opgelost door de ontdekking van de Indische soorten Sph. sericeum en Sph. Holliamum. Men ziet bij hen dit eellenstelsel niet meer enkelvoudig, zoo als in alle andere soorten, maar za- mengesteld en vatbaar voor meerdere ontwikkeling. Door kleuring met jodium- tinktuur en zwavelzuur verkrijgt men daarvan een duidelijk beeld, P/. II,
BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA. 9
De vermenigvuldiging van deze cellen behoeft geene andere verklaring, dan die in het algemeen voor het ontstaan der cellen wordt aangenomen, namelijk door cellenkernen. Ik heb die kernen in dit cellenstelsel afgebeeld in Pl. IL, Fig. 8. Het is dus niet noodig, om, zoo als Mürrer meent, Bot. Zeil. 1847, p. 485, ter verklaring van deze vermenigvuldiging, zijne toevlugt te nemen tot den wtriculus primarius. De sterke ontwikkeling van dit cellen- stelsel veroorzaakt bij Sph. sericeum eene opmerkelijke verdikking der cellen- wanden, vooral aan den top der bladen. Die verdikking is zoo sterk, dat het eelweefsel onduidelijk wordt, en dat de aldaar zeer kleine, poreuse cellen slechts door een blinkend homogeen vlies schijnen gescheiden te zijn. Zoo als Mürrer te regt aanmerkt, kan men het celweefsel van den bladtop het best met dat der Pterygophylleën vergelijken. De bladen van Sph. sericeum verkrijgen door de bui- tengewone ontwikkeling van dit celweefsel en door de verdikking der cellenwan- den eene grootere stevigheid, dan de andere Sphiagna-soorten bezitten. De blad- punt is bij de genoemde soort even als bij Sph. Hollianum gaaf en scherp, terwijl die der overige Sphagna door de afwijking der cellen van elkander dikwijls zeer sterk getand is. Sph. Hollianum verschilt van de vorige soort door een regel matig ontwikkeld groen celweefsel. De voedingscellen, die de poreuse cellen zeer fraai ruitvormig omringen, zijn meestal slechts verdubbeld, en tot bijna aan den uitersten bladtop gelijkvormig, PL. H, Fig. 15. De bladen zijn daar- om, uitgezonderd de punt, niet zoo stevig als die van de andere soort. Bij Sph. Gedeanum en Sph. Junghuhnianum is het groen cellenstelsel aan dat der Europesche gelijkvormig.
Het heeft mij tot nog toe aan tijd en gelegenheid ontbroken, om het cel- weefsel van de overige bekende soorten van Sphagnum op gelijke wijze te onderzoeken. Ik twijfel echter niet, of zulk een onderzoek zal aanleiding geven tot eene juistere soortsbepaling van deze plantengroep. Maar boven- dien is het mij voorgekomen, dat hare soorten noodwendig herziening behoe- ven. Het schijnt zelfs, dat men bij de soortsbeschrij ving van deze oogschijnlijk gelijkvormige planten, niet genoeg gelet heeft op verschilspunten, tot welker opmerking de hulp van het mikroskoop niet vereischt wordt. Zoo is b. v. het getal takken in de takbundels van eene bepaalde soort zeer verschillend opgegeven. De schrijvers der Bryologia Germanica, in welk werk het om- standigst over deze plantengroep wordt verhandeld, geven het getal takken bij Sph. cymbifolium en squamosum aan, als 5—55 bij Sph. acutifolium, als
5—7. Door Dr. K. Mürren in zijne Synopsis muscorum en in zijne Ax- 6
VERHAND, DER KONINKI. AKADEMIE, DEEL LL.
10) BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNA.
leitung zur Kenntniss der Laubmoose Deutschlands enz. Halle 1855, is dit getal nog wijder begrensd; als bij Sph. cymbifolium, 1—4; bij Sph. cuspi- datum als 1—5, enz. Ik heb dit getal integendeel, bij iedere soort, vrij standvastig bepaald gevonden, en kan mij het En dat men daarin heeft gevonden, slechts verklaren, hetzij door verwisseling van soorten; of wel, dat men voor dat onderzoek jongere onvruchtbare exemplaren heeft gebruikt. Men moet daartoe echter enkel de vruchtdragende, typische exemplaren bezigen; want uit deze behoort de soortsbeschrijving ontleend te worden. Zoo is ook Sph. sericeum in de Synopsis muscorum verkeerdelijk met twee takken in iederen bundel beschreven, terwijl het er inderdaad vier heeft, als. twee boogvormig gekromde, en twee bijna regt, langs de steng afhangende tak- jes. Ook in de rigting der takken en bladen is er een in het oog loopend verschil bij onderscheidene soorten, hetwelk men het best gewaar wordt, wanneer men die planten bij verschillenden graad van vochtigheid of droogte onderling vergelijkt. Bij zoodanige vergelijking werd ik het eerst oplettend op Sph. flevuosum, in den prodromus Florae Batavae beschreven en afge- beeld, en welke plant zich voornamelijk door eene bijzondere golving van takken en bladen, vooral bij het droog worden, van andere verwante soorten onderscheidt,
Ennema e eennnd
U
Pl.
IL
BIJDRAGE TOT DE ANATOMIE EN PHYTOGRAPHIE DER SPHAGNÁ. 11
fig.
fig.
fig
VERKLARING DER AFBEELDINGEN.
‚f
ig. VIII.
E
IL.
UL.
Iv:
NE
Celweefsel van een takblad van Sph. Gedeanum, 150 maal vergroot.
Celweefsel van een stengblad van Sph. Gedeanum, 500 maal vergroot.
Onderste gedeelte van een stengblad van Sph. Junghuhni- anwm, 500 maal vergroot.
bovenste gedeelte van een stengblad van Sph. acutifolium, 500 maal vergroot.
basis gedeelte van een stengblad van Sph. acutif., 500 maal vergroot.
bovenste gedeelte van een stengblad van Sph. tenue, 500 maal vergroot.
gedeelte van een takblad van Sph. tenue, 500 maal ver- groot.
gedeelte uit het midden van een topblad van Sph. seri- ceum, 500 maal vergroot.
een stuk van hetzelfde blad, digt bij de punt, 500 maal vergroot.
gedeelte van de basis van een stengblad van Sph. seri- ceum, 500 maal vergroot.
middelste gedeelte van dit stengblad, 500 maal vergroot. middelste gedeelte van een stengblad van Sph. Hollianum, 500 maal vergroot.
gedeelte van een topblad van die soort, 500 maal vergroot.
Ve 3 St kn
ierse kl Ms w Pas Di Ger
EN, pen sb Ï zr zkr AS Ran # ve RE Ht re es alde fánuik Ur hal EC Siet AEN gh peis ite es A ROSE en zerk " ö Bi hi Thee de SR KS: sn Ee dh Be LN denn rj EE ì ì et L OE : A 1 Pae ER ich den Gar mn
len Ht ha kans f fj re he af EEN REEN
Ln Ts 8 et &
D
_F DOZY, Bdr. tot de Anatomie en Phytagraphie der Sphagna
Da DS = SNT |
ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK
OVER HET
FIJNERE ZAMENSTEL
WERKING VAN HET RUGGEMERG.
DOOR
J. L.C. SCHROEDER VAN DER KOLK.
Uitgegeven door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
MET DRIE PLATEN. s
De EE
AMSTERDAM, CG VAN DER PONSEN 1854.
wils,
" d n hg i ki | ï Li Ar ik | r Li st er E Dn 4 Fr f 4 LE ) AA k Á LE 4 vanen gr me HJ; k: ú ait | ri ie hs es k n re 2 PENS rails 7 MENNE di / EE. \ & Tà zer kh, de Á, i À rr ek AA, lr go ven | ik A é ie Ar ne ha hie e NE de A Emi
8 | | ; zend SNE BBAT Ht AN RAN MAKE Ae hie 42 AEdik, ek » oh 8 iet; ä À ” | B. en ' Ae gra ERN San Ô | d Ie 7 At in jn EA Re ah _ niee wer te ’ a nek $: Ne Eee: ON on en Ve ai ANT tnt ard hd, kers pien en Er dad al ht kerr 1 LM F0 iet pe nf éh
vab ent isathen noen
‚jh oere Ek ni ni goa hagen ee \
À ares ens rater vr shrtaurtt
u lers en? y oee : 7) had givirt MDA END alek hant
wel, ‚ zn Akorvkroo 208 5! gg vaneen B € gern tertfnt akte” er vote dir zet on de a ges boss lj gese ad zerdn neler kel we ingg
E,
‘ & per eN, za wia k had 4 gain di oai sjen WO » vijh gigi Kandi vee of. Beg 8 É elst a hin di] Len vat pe al
ginder a ted ‘
Re /
f TN 1 eu
Ee enn ave ed?
bi NET Ees Ie a Tee ect jh olla vi pad ‚vaathdsengt. nt 8 hk r „ Ram we ' p Ar at alnen wi er wan, Rente ' * Rn ed ee es de Ee ik 6
ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK
OVER HET
FIJNERE ZAMENSTEL
EN DE
WERKING VAN HET RUGGEMERG.
DOOR
J. L.C. SCHROEDER VAN DER KOLK.
TTE
Onder de moeijelijkste vraagstukken uit het gebied van de fijnere ontleed- kunde behoort ongetwijfeld het onderzoek aangaande het fijnere maaksel en zamenstel van hersenen en ruggemerg; de bijzondere weekheid van deze deelen, die door een geringen druk vernietigd worden, de buitengewone fijn- heid en teederheid van het weefsel, waardoor de eigenlijk zamenstellende primitiefdraden zich geheel aan het bloote oog onttrekken, en men niet dan met moeite in staat is, onder vrij sterke vergrootingen, een enkelen draad slechts voor een zeer klein gedeelte te vervolgen, het onnoemelijk aantal eindelijk van deze primitiefdraden, die op vele plaatsen op de verschillendste wijze dooreen zijn geweven en een niet te ontwarren net vormen, zijn zoovele oorzaken, dat de sedert lang met de meeste volharding in het werk gestelde pogingen van de voornaamste ontleedkundigen tot zeer verschillende uitkomsten hebben geleid, en dat omtrent de gewigligste vraagpunten nog een groot verschil van gevoelen heerscht.
Hierbij komt nog het verschil tusschen de witte- of mergstof en de grijze slof, in welke laatste op vele plaatsen verschillende gangliëncellen zijn bevat,
7 VERHAND. DER KONINKL. AKADEMIE, DEEL II,
2 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCI ONDERZOEK OVER HET
waarvan eenige een hoogst fijn net van vertakte draden vormen, hetwelk dikwijls zeer moeijelijk van het hiertusschen inloopend fijn net van bloed- vaten te onderscheiden is, en waarvan het verband met de mergstof of witte zenuw- of hersendraden nog op verré na niet overal is beslist en met over- tuigende duidelijkheid aangewezen.
Vooral heeft het zamenstel van het ruggemerg, van welks oplossing de verklaring van eene menigte gewigtige physiologische vragen afhankelijk is, in de laatste jaren de aandacht der voornaamste ontleedkundigen bezig gehouden.
Vroeger scheen de vraag, of de zenuwdraden uit de wortels der zenuwen onmiddelijk door het ruggemerg tot in de hersenen verliepen, naauwelijks aan eenigen twijfel onderhevig te kunnen zijn; daar niet glleen het gevoel zich door het ruggemerg aan de hersenen mededeelt, maar ook van hier met eene onbegrijpelijke snelheid de bevelen van onzen wil naar de verschil- lende spieren worden overgebragt.
Nadat verder door EnrexgBere het maaksel van hersenen en ruggemerg als uit fijne buisjes bestaande was aangetoond *, scheen het onmiddelijk verband der zenuwen door het ruggemerg met de hersenen door VALENTIN buiten allen twijfel te zijn aangetoond f. RemacxK echter, die zich later bij- zonder met het mikroskopisch onderzoek der grijze stof bezig hield en de gangliëncellen met hunne uitloopende draden nader onderzocht $, was een der eersten, die omtrent het gevoelen van den eenvoudigen oorsprong der zenuwen door het ruggemerg uit de hersenen eenigen twijfel schijnt ge- koesterd te hebben, hoezeer hij zich onthoudt om eenig bepaald gevoelen aan te geven; hij zegt namelijk: De ratione, quae inter radices nervorum spi- nalium et substantias medullae spinalis intercedit, nihil ad huc constat, neque ipse quamque huic rei investigandae plurimum operae dederim, aliquid certe ad huec proferre possum. Id solum persuaswm habeo, fibras radicum nervo- rum, non tam simplicem originem habere, ut in fibras longitudinales medullae spinalis mor transeant **.
* _C. G. EurexBerG, Beobachtung einer ungekannten Structur des Seelenorgans. Berl. 1836. — Zie ook PoceeNporr’s Annal. 1833.
f Nova Acta Lenpold. 1826, Tom. XVIII, pag. 131. $ Observationes anal. el microsc de syst, nerv. structura. Berl. 1838.
e |. c. pag. 19 sg.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. J
Kene gewigtige bijdraag leverde daarna A. Hannover tot een naauwkeu- riger onderzoek van de fijne structuur van hersenen en ruggemerg, door het gebruik van het chromzuur, hetgeen het eerst door hem werd aangeraden, waarmede hij door JacoBson uit Koppenhagen was bekend geworden *; hij wendde dit aan: f deel zuur op 16 à 20 deelen water, en liet hierin de gedeelten van het ruggemerg 2 tot 4 maanden leggen, voor hij die gebruikte; hij vond door dit middel de dwarsvezelen in het ruggemerg (commissuren) bij vogels, kikvorschen en visschen, en meende zich overtuigd te hebben, dat de hersenvezelen van gangliëncellen hunnen oorsprong namen %.
Later, in zijn speciaal werk over dit onderwerp, zegt hij, dat door eene vergissing hij vroeger de sterkte van de oplossing van het zuur te gecon- eentreerd nog had opgegeven, dat het vocht de kleur van licht geel moest hebben S$. Hij wijst hierin bepaald den oorsprong der herzenvezelen aan van de gangliëneellen in de corticale stof en geeft hiervan goede afbeel- dingen **; van de ruggemergvezelen zegt hij, dat zij perpendiculair naar beneden dalen, zich onder een stompen hoek ombuigen en zoo in de wor- tels der zenuwen overgaan, zoodat de herzenvezel en zenuwvezel onmiddelijk met elkander zamenhangen ff; hij beschrijft op nieuw de dwarsche veze- len, die hij in de zoogdieren niet duidelijk had gezien, wel in vogelen, am- phibiën en visschen, maar die hij miet tot aan den omtrek van het merg had kunnen vervolgen; somwijlen schenen eenige weinige zich in de zenuw- wortels om te buigen $$, een gedeelte dezer vezels gaat wel van de eene tot de andere zijde van het ruggemerg, maar geene overkruising heeft plaats. Hij herinnert zich niet duidelijk hersenvezels in het ruggemerg uit de gangliëncellen te hebben zien ontstaan, slechts enkele malen echter in visschen ***,
Geheel verschillend waren de uitkomsten van Srirring en Warvacu, die
* A, HaANNOover, Die Chromsaure, ein vorzuchliches Mittel bei Mikroskopische Untersuchungen in Murrer’s Arch. 1840, pag. 548.
j Le. pag. 555.
nn
A. HANNOVER, Recherches microscopiques sur le système nerveur. Copenhague 1844, ** 1, c. pag. 11, Fig. 1, 2, 11, 17, 22, 23.
+f Lec. pag. 12.
$$ 1. ce, pag. 13.
… |, o, pag. 16 en 19.
7%
4 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
ten gevolge van hun onderzoek over het ruggemerg meenden te moeten vast- stellen, dat de wortels der zenuwen dwars tusschen de witte strengen van het ruggemerg en de grijze stof verliepen, en niets anders waren dan di- recte verlengsels van de dwars loopende vezels der grijze substantie van het ruggemerg, zoo dat de voorste wortels zich met de achterste van de over- zijde van het ruggemerg in het midden kruisten * De wil zoude vooral door de grijze stof werken f. Im deze eerste verhandeling verwisselden zij nog de gangliëncellen met verwijde bloedvaten; veel volkomener en teregt over het algemeen als zeer getrouw erkend, zijn de latere onderzoekingen van STILLING $, waarin hij de multipolaire gangliëncellen wel beschrijft, maar het verband tusschen deze zenuw-wortels en de spinaal-ligchaampjes, gelijk hij die noemt, of gangliëncellen bleef hem onbekend **, ofschoon hij ver- moedt, dat zij nader met de bewegende kracht in verband staan j"f. Hoe- zeer de oorsprong der zenuw-wortels uit de grijze stof, voor zooverre die door geringe vergrootingen zigtbaar is, door SrrrrinG in zijne beide laatste hoogst verdienstelijke werken met de meeste naauwkeurigheid is afgebeeld, waren echter wegens te kleine vergrootingen deze onderzoekingen niet in staat, het fijnere verband tusschen de zenuw-wortels en de andere vezelen van het verlengd ruggemerg aan te toonen; terwijl duidelijk op het denkbeeld van een plaatselijken dwarschen oorsprong en overkruising der ruggemerg-zenuwen veel invloed hebben gehad, zijne, in een vroeger geschrift uiteengezette proe- ven, over gedeeltelijke dwarsche doorsnijdingen van het ruggemerg, waardoor zekerlijk reflexbeweging niet verhinderd wordt, maar ook volgens SriLLinG zelfs willekeurige beweging zoude blijven bestaan onder het doorgesneden gedeelte $$. Deze proeven werden in navolging van vroegere, door onzen VAN Deen *** verrigt, in het werk gesteld, en meestal daarmede in tegen-
*
Ueber die Textur des Ruckenmarks. 1842. pag. 21 sq.
f lc. pag. 38.
$ Deber die Tertur der Medulla oblong. Erl. 1843.
ere pag? 479
1f 1. c. pag. 5.
$ Ueber das Ruckenmark, pag 35; — vooral ook in zijn geschrift: Untersuchungen ueber die
Functionen des Ruckenmarks. Leipz. 1842. pag. 189 en 152. Fig. 15 en 20.
“Var Deer, Nadere ontdekkingen over de “eigenschappen van het Ruggemerg. Leiden 1839.
pag. 27 en 61.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 5
spraak; zij kunnen ook in een zoo zamengesteld orgaan moeijelijk over het fijnste beloop der vezelen zekerheid verspreiden.
Eenen geheel anderen weg sloeg VorkmanN in, om te betoogen, dat de zenuwen uit het ruggemerg niet onmiddelijk tot de hersenen konden door- loopen; was dit namelijk het geval, dan moesten in het bovenste gedeelte van het ruggemerg alle draden aanwezig zijn, die als zenuwen zich lager door het ligchaam verspreiden; dit moest dus meer naar eenen kegel gelijken, dat is, de mergstof of witte strengen moesten aan het halsgedeelte zoo veel dikker worden, als noodig was om alle zenuwdraden te kunnen bevatten *; dit scheen echter bij eene meeting van de dikte der zenuwen, in verband met de witte stof van het ruggemerg geenszins het geval te zijn. Deze uitkomst werd vooral bevestigd door zijne onderzoekingen omtrent het ruggemerg van eenen slang (Crotalus mutus), waar hij niet minder dan 221 zenuwparen telde, wier gezamenlijke dikte den omvang van het ruggemerg bij de tweede halsze- nuw meer dan elf malen overtrof *f. De zenuw-wortels ontspringen dus, vol- gens hem, in het ruggemerg en loopen niet direct door naar de hersenen.
Met veel scherpzinnigheid betoogt hij verder, dat de bewegingsdraden bij hunnen oorsprong in het ruggemerg zoo geschikt zijn, dat iedere prikkel, die hen treft, een doelmatig geheel van bewegingen (gecoördineerde bewe- gingen) moest voortbrengen. Daar, zegt hij, één prikkel aan het zwemvlies van den kikvorsch toereikend is, alle bij elkander behoorende motorische ve- zels in beweging te brengen, is er geen twijfel aan, dat eene enkele herzen- vezel, die tot aan het insertiepunt der te zamen behoorende motorische schen- kelzenuwen dringt, niet hetzelfde zoude kunnen teweeg brengen. Nog veel minder reden is er, voegt hij er bij, om te betwijfelen, dat eene enkele her- senvezel voldoende zij, al die motorische vezels in werkzaamheid te bren- gen, die zonder uitzondering gelijktijdig werken, zoo als b.v. de zenuwen van eene en dezelfde spier, en die dus naar alle waarschijnlijkheid zoo inge- rigt zijn, dat partieele toestanden en werkingen hierbij onmogelijk zijn $.
Later zullen wij zien, hoezeer in deze gezegden reeds de grond der ware verklaring van den loop en de verhouding der zenuwwortelen en het rugge- merg gelegen is. Was VorkmaANN toen nader bekend geweest met de ver-
*_ VorKMANN, Nerven-Physiologie in WAGNER, Physiol. Wort. 2 B., pag. 482. f Lec. pag. 485.
$ lc, pag. 555.
5 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
houding der gangliëncellen en hunne uitloopende draden en verbinding met de zenuwwortels en overige vezelen van het ruggemerg, dan zoude hij ge- wis weinig aan zijne navolgers ter verbetering hebben overgelaten, en het is inderdaad te verwonderen, dat men op deze gewigtige uitspraken en bewij- zen van VorKMANN later te weinig gelet heeft. Hem schoot intusschen ter verklaring van deze en andere verschijnselen geen andere weg over, dan om eene dwarsleiding aan te nemen in het ruggemerg *. Eene voorstel- ling echter, die bij eenig dieper nadenken wel moest blijken van de zoo groote regelmatigheid en standvastigheid der bewegingen, hetzij willekeurige, hetzij van de natuurlijke verschijnselen van reflex, slikking en andere soort- gelijke bewegingen geene voldoende rekenschap te kunnen geven.
Nog eene schrede verder ging R. Waener, die de multipolaire gangliën- cellen en hunne uitgaande draden of vezels in den electrischen rog nader on- derzocht, en hoezeer hij tusschen de draden dier cellen en de zenuwen, wegens de groote overeenkomst, wel een direct verband vermoedde, gelukte het hem echter geenszins een directen overgang of zamenhang tusschen deze draden en de zenuwen waar te nemen “f. Hij gaf echter volgens deze denk- beelden schematische voorstellingen van het verband tusschen de gevoel- of hever reflex- en beweegzenuwen, door middel van deze multipolaire gangliën- cellen, waardoor hij op eene ongedwongen wijze de voornaamste verschijn- selen verklaren kon $.
Andere schrijvers weken echter weder van dit gevoelen af‚ en zochten de oude leer van den hersen-oorsprong aller zenuwen te verdedigen. Merkwaar- dig zijn in dit opzigt de onderzoekingen van Bupee, aangaande de achterste of gevoelswortels bij den kikvorsch. Hij vond namelijk, dat deze zich in twee strengen verdeelen, waarvan de eene zich terstond naar boven rigtte **, terwijl de andere streng in de diepte doordrong tot in de grijze stof en hier tusschen vele gangliënkogels lag, maar waarvan het hem niet gelukte de dra- den verder naar boven naar de hersenen te vervolgen “fj. Desniettegen- staande besluit hij, dat ook deze noodwendig naar de hersenen zich moeten
* Le pag. 528 sqg.
+ _WaeNen, Physiol. Worterb, III B, 1 Abth. pag. 378. Tab. 111, Fig. 42—45, S Lc. pag. 398, 400. **_Murver’s Archiv. 1844, pag, 117, Tab, VIIL, Fig. 6. s. g. Fig. 1, a.
tt Le. pag. 180 sq. Fig. 6. t. Fig. 7, b.
en nend nen
_l
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG.
begeven, en vermoedt dus, dat hij deze vezelen zal vernield hebben, hoe- zeer hij uitdrnkkelijk zegt, dat hij in geen enkel geval in staat was deze diepere vezelen te vervolgen *. Een merkwaardig bewijs, hoezeer een eens opgevat denkbeeld hinderlijk kan zijn in de erkenning der waarheid. Om deze redenen houden wij deze waarneming van Bupee, waar hij, niettegen- staande zijne hiermede in strijd zijnde meening toch getrouw verhaalt, wat hij gezien heeft, van groot gewigt. Ofschoon het niet schijnt, dat Topp en Bowman zelve mikroskopische onderzoekingen hebben in het werk gesteld, besluiten zij echter uit physiologische gronden, dat de zenuwen eindigen in de grijze stof van het ruggemerg, hetgeen als met segmenten onderling vereenigd is, en waarvan de voorste witte strengen, volgens hen, dienen voor beweging en gevoel, de achterste voor de coördinatie der beweging. Physiol. Anat. P. IL, p. 521 sqq. Cyclop. of Anat. and Phys. p. 721 sqq. Nadat het mij gelukt was in het jaar 1847 een naauw verband tusschen de peripherische verspreiding der gevoel- en beweegzenuwen te vinden, door het ontdekken van de in meerdere opzigten merkwaardige wet van den loop ende verspreiding der gevoelzenuwen in de huid, namelijk, dat overal in het ligehaam de gevoeltakken eener gemengde zenuw naar dat gedeelte der huid verloopen, hetwelk door die spieren bewogen wordt, die van dezelfde zenuw- stam bewegingsdraden ontvangen, zoodat, de werking der spieren bekend zijnde, men volgens deze wet reeds à priori de verspreiding der gevoelze- nuwen in de huid bepalen kan , werd ik ook door meerdere verschijn-
* 1. e. pag. 181.
+ Zie Tijdschrift der Wis- en Natuurk. Wetensch. van de Eerste Klasse van het Kon. Ned. Inst. 1841, pag. 44 sqq. Over het verband tusschen de gevoels- en bewegings-zenuwen. Ofschoon ook deze verhandeling in Oct. 1848 in Frorrer, Notizen, is opgenomen, schijnt zij weinig de al- gemeene aandacht tot zich getrokken te hebben; daar, zoo verre mij bekend is, in geene latere werken van deze wet van verspreiding melding wordt gemaakt; ofschoon het eene algemeene wet schijnt te zijn, die niet alleen bij der mensch maar ook bij de dieren van toepassing is, en dus niet kan gezegd worden van gewigt ontbloot te zijn *; waarom ik het niet ongepast acht, kortelijk
* Zoo wordt in de Verhandeling van Dr. J. Peren, Ueber die pheripherischen Lndigungen der motorischen und sensiblen Fasern der in den Plerus brachialis des Kaninchens eiïntretenden Nerven-wurzeln in Herre en Preurrer Zeitschr. f. rat. Med, 1853. IV B. 1 th. pag. 52 sqq. met geen enkel woord van deze wet gewag ge- maakt en de onderzoekingen van den schrijver hebben hem zelfs niet op het spoor van deze wet gebragt. — Hij heeft echter alleen gelet op de betrekking der zenuwwortels tot de peripherische verbreiding, en komt tot het resultaat, dat in het algemeen dezelfde zenuwwortel die plaatsen der huid met gevoeldraden voorziet, onder welke de van haar innervirte spieren liggen. Dit wijkt in den eersten opslag af van onze wet, maar deze geldt van de afzonderlijke zenuwen, waar zij in de spieren treden, terwijl hij op bijzondere spieren minder gelet heeft, waardoor hij tot minder bepaalde uitkomsten geraakt is.
8 ANATOMISCH PHYSLOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
selen van zelve geleid tot het vermoeden, dat er een naauwer centraal ver- band bestond tusschen de gevoel- en beweegzenuwen van denzelfden stam; om deze redenen nam ik mij voor te beproeven of ik misschien door een
hier nog deze wet met een enkel woord toe te lichten. Ik heb deze wet uitgedrukt met de vol- gende woorden: dat, terwijl de zenuw bewegingstakken afgeeft naar de spieren, hare gevoeltahken loopen naar dat deel (der huid), hetwelk door diezelfde spieren bewogen wordt, of met andere woorden: eene ruggemergsenuw geeft hare beweegtakken naar de spieren als werktuigen van be- weging, en hare gevoeltakken naar het bewogen deel.
Eenige weinige voorbeelden mogen deze wet ophelderen: de nervus perforans Casserii aan den arm geeft bewegingstakken aan den biceps en brachialis internus, die den voorarm buigen; zijne gevoelstakken verspreiden zich naar den voorarm zelven, vooral aan de radiaalzijde, die door deze spieren het sterkst wordt opgeheven; de nervus medianus geeft zijne eerste takken aan de buigers der vingeren, zijne gevoelstakken aan de binnenzijde der vingeren, welke door deze spieren worden bewogen; hetzelfde doet aan de ellepijpszijde de nervus ulnaris, en deze geeft bovendien nog op de rugzijde bewegingstakken aan den ulmaris externus en cutancì externi en ook aan het hier- door bewogen gedeelte der buitenzijde van de hand en vingeren de gevoelstakken. — De spaak- beenszenuw geeft takken aan den triceps brachii en zendt van hier hare gevoeltakken aan de rug- zijde van den voorarm, die door deze spieren wordt uitgestrekt; het vervolg der zenuw geeft tak- ken aan de extensores digitorum en gevoeltakken van den rug der vingeren, die hierdoor bewo- gen worden. De bovenste lendenzenuwen geven takken aan den psoas en iliacus internus, en ver- der gevoeltakken aan de voorzijde der dij, welke door den psoas en iliacus internus wordt gebo- gen. Hetzelfde is toepasselijk op de eruralis en ischiadieus met al zijne takken. Bijzonder merk- waardig spreekt deze wet in de derde en vierde halszenuwen; deze geven takken aan den sterno- eleidomastoideus en andere halsspieren, die het hoofd ter zijde bewegen, en tevens takken, die zich omslaan en weder naar boven loopende, zich begeven naar die zijde van het hoofd, die door deze spieren bewogen wordt; doch zij geven ook spiertakken aan den levator scapulac en tevens nederdalende gevoeltakken, die over den schouder en het sleutelbeen loopen, welke door den ster- no-cleidomastoïdeus en levator scapulae worden opgetrokken. Ook bij dieren vindt deze wet hare gestrenge toepassing. De grond der wet is, dat wij de werking der spieren zelve niet gevoelen, noch haren graad van zamentrekking, dan waren wij geboren anatomen; de spieren zelve ontvan- gen geene ware gevoelzenuwen, maar wij verkrijgen kennis van hare werking, door de verande- ring, die zij bij beweging in de gevoelige huid veroorzaken; van hier, dat wij bij verlies van gevoel ook de maat missen van beweging, en die niet meer met juistheid kunnen besturen. Aan de an- dere zijde bleek het mij, dat eene niet te sterke prikkeling, eene kitteling of wrijving, eene reflex- beweging voortbrengt in de spieren, die uit denzelfden zenuwstam bewegingstakken ontvangen; ik nam dit waar bij verlamden, en het is gemakkelijk te zien bij zeer jonge kinderen, waar kitteling in de hand buiging der vingeren, aan de rugzijde uitstrekking teweegbrengt, zoodat deze wet ook van toepassing is op het aanwenden van inwrijvingen van vlugtige linimenten, om de werking van spieren op te wekken. Zoo zag ik bij eenen verlamde door het wrijven van linimentum volatile op den rug der hand, sterk gecontraheerde vingeren en even zoo de onwillekeurig gebogen arm door inwrijven op de rugzijde van den voorarm zich van zelve uitstrekken. Galvanisme echter volgt niet bepaald den loop der zenuwen, maar wekt meerdere verschillende spieren op, die in den loop des strooms gelegen zijn.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 9
naauwkeuriger onderzoek van het zamenstel van het ruggemerg dit verband zoude kunnen opsporen.
Ofschoon de uitkomst in dit zoo moeijelijk gedeelte niet geheel en al be- antwoordde aan hetgeen ik verlangde te weten, voerden mijne onderzoekin- gen toch tot eene verklaring, waardoor het mij toescheen, de meeste vragen over het zamenstel en de werking van het ruggemerg ongedwongen te kunnen beantwoorden, waartoe iedere bijdrage op dit zoo onzekere veld, waar eene zoo groote menigte van vivisectien meer verwarring en tegenspraak, dan stellige waarheden hadden aangebragt, niet van gewigt ontbloot is.
Ik deelde de uitkomsten van mijn onderzoek het eerst voorloopig mede in de ‘aanteekeningen van het verhandelde in de sectie voor Natuur- en Ge- neeskunde van het Prov. Utrechtsche Genootschap, den 26ster Junij 1848 *, hetgeen ik later uitvoeriger en door verschillende praeparaten toegelicht im den herfst van dat jaar in het Kon. Ned. Instituut voordroeg.
Door namelijk het ruggemerg, op de wijze zoo als door SrirrinG was aangegeven, in spiritus te verharden, gelukte het mij meerdere zoo wel dwarse als overlangsche dunne sneedjes te vervaardigen, waarin zich, nadat ik die tot eene genoegzame doorschijnendheid had gebragt, niet alleen eene menigte multipolaire gangliëncellen vertoonden, maar ook een net van vertakte dra- den, waardoor deze cellen onderling te zamen hingen en een zeer zamen- gesteld net vormden, vooral in de voorste horens der grijze stof; doch ook in de achterste horens trof ik hoewel meest kleinere gangliëncellen aan, die eveneens mij voorkwamen door meerdere of mindere draden onderling ver- eenigd te zijn; deze cellenhoopen in de grijze stof schenen mij toe verschil- lende meer of minder zamenhangende groepen te vormen, waaruit het mij in enkele sneedjes gelukte, de voorste zenuwwortels te zien ontspringen; zoo- dat ik meende te mogen besluiten, zoo als VorKmaNN en Waanemr reeds had- den vermoed, dat de voorste zenuwwortels zich niet naar boven langs het ruggemerg tot de hersenen verlengen, maar alle uit groepen van multipo- laire gangliëncellen ontspringen. Ook de achterste wortels kon ik in enkele gevallen tot aan gangliëncellen vervolgen der achterste horens, die naar mijne meening met de groep gangliëncellen en de voorste horens te zamen hangen, terwijl een ander gedeelte der achterste wortels mij toescheen, zonder in de
* Zie ook deze waarnemingen vertaald in het Zweedsch door J. F. LrepnorMm, in het ijd-
schrift Iygiea Medecinsk och Pherm. Monadsskrift. UL B. 1849. Sept. pag. 553 sqq- 8 VERHAND. DER KONINKI. AKADEMIE, DEEL II.
10 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
*
grijze stof te dringen, zich longitudinaal naar boven te begeven *. Deze laatste waarnemingen omtrent de achterste wortels durfde ik echter niet als volkomen zeker voorstellen, wegens de groote moeijelijkheid om deze verbin- dingsdraden genoegzaam te kunnen vervolgen en te onderscheiden. De gan- ghiëncellen en de achterste gedeelten vond ik in het algemeen kleiner, lang- werpiger en een minder getal takken afgevende dan de voorste grootere; ook schenen mij de achterste in het algemeen minder pigmentkorrels te bezitten. Somwijlen trof ik ook kleine driehoekige gangliëncellen aan tusschen de ver- deeling der draden, die zich echter door eene ingesloten kern als zoodanige verrieden. De draden der grootere gangliëncellen zijn dikwijls dikker dan de primitive mergdraden in het ruggemerg aanwezig. Deze structuur vond ik het duidelijkst in het onderste gedeelte van het ruggemerg, waar het merg of de witachtige vezels nog in geringer aantal aanwezig zijn; dezelfde struc- tuur en zamenhang vertoonen zich evenwel door het geheele ruggemerg.
Op deze wijze meende ik te mogen besluiten, dat de beweegzenuwen uit groepen van onderling te zamen hangende multipolaire gangliëncellen hunnen oorsprong nemen, waarvan de draden weder met eenige longitudinale zenuw- vezels der voorzijde te zamen verbonden waren; deze longitudinale voorste strengen beschouwde ik als dragers van den indruk van onzen wil, waarvan de werking zich over “eene bepaalde groep gangliëneellen verspreidt, om van hier met eene gelijke kracht alle zenuwdraden op te wekken, die uit eene dergelijke groep ontspringen.
Aan de achterzijde meende ik, dat de gevoelwortels bestonden uit zenuw- draden alleen voor gevoel, die niet in de grijze stof drongen, maar terstond zich naar boven begaven naar de hersenen, en uit reflexzenuw vezels, die, in de achterste horens dringende door middel der gangliëneellen en hunne draden, zich vereenigden met de groepen gangliëncellen, die in de voorste horens der grijze stof als bron voor bewegingszenuwen aanwezig zijn. Ik besloot, dat deze reflexdraden in meerdere groepen gangliëneellen overgingen en deze on- derling meer of minder vereenigden, zoo dat bij reflexie meerdere gangliën- groepen en dus ook meerdere zenuwen en spieren tegelijk in werking werden gebragt, op welke wijze zich dus de coördinatie der spierwerking bij reflex- beweging eenvoudig liet verklaren. Iedere gangliëngroep bezat dus naar mijne voorstelling twee polen, te weten de voorste en bovenste van de hersenen
* Zie Aanteekeningen in de Sectie voor Nat. en Gen. 1. c. pag. 8.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 11
afkomstig, als dragers van den indruk van den wil, en eene naar beneden aan de achterzijde voor de reflexzenuwen, terwijl op beiderle: werkingen ontladingen uit de gangliëngroepen moeten volgen, en evenzeer de coördinatie der spieren bewaard blijven.
Dit was in het kort de hoofdinhoud van mijne waarnemingen, die ik ook in verschillende dieren had uitgestrekt, en door meerdere bewijsgronden meende te kunnen staven.
In dezen tusschentijd is de fijnere structuur en zamenstelling van het rugge- merg door meerdere beroemde schrijvers nader onderzocht geworden, hetgeen echter tot zeer verschillende uitkomsten en meeningen heeft geleid, zoodat wij in onze kennis aangaande het maaksel van het ruggemerg nog op verre na niet tot zekerheid gekomen zijn; echter is het, mij aangenaam te zien, dat door de laatste onderzoekingen meer en meer alle stellingen bevestigd zijn, die ik in 1848 heb voorgedragen, en die in dat jaar gedrukt zijn *. Om deze redenen acht ik het niet geheel onnut, nadat ik de vroegere onderzoe- kingen voor eenigen tijd op nieuw heb opgevat, en hiervoor eene geheel nieuwe en verbeterde wijze van bereiden heb ontdekt, mijne waarnemingen door latere onderzoekingen verrijkt en uitgebreid, andermaal voor te dragen.
Vervolgen wij eerst, wat andere schrijvers omtrent dit gewigtig onderwerp nader hebben aan het licht gebragt, om zoo als in één tafereel een overzigt te kunnen geven van het standpunt, waartoe wij thans in dit gedeelte ge komen zijn.
Nadat het scheen, dat door den arbeid van Srirurixe, VorLKmanN en Waa- NER de oude leer van eenen onmiddelijken zamenhang der zenuwen door het ruggemerg met de hersenen meer en meer twijfelachtig werd, en dreigde geheel te zullen worden verworpen, vond dit gevoelen van den oorsprong der zenuwen in het ruggemerg eenen hevigen bestrijder in Körrrker, die door nieuwe onderzoekingen en berekeningen weder het oude gevoelen van eenen directen oorsprong van alle zenuwen uit de hersenen zocht te hand- haven, en de gronden van Vorkmann te wederleggen
Dat inderdaad in het bovenste gedeelte van het ruggemerg alle zenuwdra- den, die van het ruggemerg uitloopen, kunnen bevat zijn, hetgeen, zooals wij boven gezien hebben, op zeer aannemelijke gronden Vorkmann had
* Zie Aanteekeningen van de Sectie-vergadering van het Prov. Utr. Gen. Junij 1848.
f_Mikrosk, Anat. 2 B. 1 St. pag. 425 sqq. 8%
12 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER DE
ontkend *, trachtte Körrrker te betoogen door nieuwe afmetingen van de dikte der zenuwwortels, vergeleken met de steeds naar boven toenemende hoeveelheid der mergstof in het ruggemerg f, hetgeen hij vooral meende waarschijnlijk te maken door de meerdere dunheid der zeriuwdraden in het ruggemerg dan in de zenuwen, waarover VorkKMANN wel gesproken, maar het niet nader bepaald had $. Het krachtige boven medegedeelde bewijs van VorkKMmANN van het groot verschil tusschen de dunheid van het rug- gemerg en de dikte van het groot aantal zenuwen bij den Crotalus mutus, zocht Körrrker zonder eenig verder bewijs te ontzenuwen en te wederleg- gen, door de geheel hypothetische stelling, dat in deze slang de mergdra- den in het ruggemerg zoo veel dunner zullen zijn, dat zijne berekening hierop toch toepasselijk is **.
Wie echter door eigen onderzoek bekend is met de fijnheid der mergdra- den in het ruggemerg, met hun inderdaad verbazend groot getal, en de moei- jelijkheid van schatting der hoeveelheid in een kwadraatlinie, met de menigte van gangliëncellen en hunne uitloopende, zich ook in het merg uitstrekkende draden, met de verschillende rigting, die de zenuwdraden en grijze vezelen in het ruggemerg volgen, zoo als longitudinale en dwarse, moet spoedig tot de overtuiging geraken, dat dergelijke metingen en vergelijkingen van Kör- LIKER op eene zeer onzekere basis berusten, en inderdaad weinig bewijzen, zoo als deze metingen dan ook later door Scmirrine j, zoo als wij zul- len zien, genoegzaam zijn wederlegd.
Met deze hoofdvraag, of de spinaalzenuwen alle uit de hersenen ontsprin- gen, staat in het naauwste verband het nut der multipolaire gangliëncellen. Körriker neemt namelijk aan, dat deze gangliëncellen nergens met de ze- nuwen zamenhangen; hij vond, dat de draden, van deze cellen afkomstig, in steeds fijnere en fijnere takken zich verdeelen; zoodat, wanneer er eene za- menhang met de zenuwen moest plaats hebben, dit slechts met de fijnste
* _Waanrer, Phys. Wort. 2 B, pag. 482 sqq.
+ Mikrosk. Anat. 2 B. 1 Abth. pag. 431 sqq.
$ Mikrosk. Anat. \ c. pag. 434.
.
L. c. pag. 436 sqq.
tt E. G. ScniLuine, De Med. Spen. tertura Dorpat. 1852,
FIJNERE ZAMENSTELLING EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 15
*
het geval kon zijn Hij houdt het voor onmogelijk, dat eene verlenging van eene centrale gangliëneel als eylinderas in de dubbel gecontoureerde zenuw- vezel overgaat, hoezeer in een later opstel Waarer bepaald getuigt, dat on- twijfelbaar gezien te hebben “f; waarvan ik niet alleen de zwarigheid niet inzie, daar niet alle draden der gangliëncellen in dergelijke fijne netten uit- loopen, maar deze waarneming van WaAenreRr ook meer dan eenmaal bepaald heb bevestigd gevonden.
Körriker schijnt echter zelf de zwarigheden van zijne denkbeelden te gevoelen, daar hij later zegt, dat hij den oorsprong der zenuwen en het merg niet alleen niet ontkent, maar voor zeer waarschijnlijk houdt; alleen meent hij, dat hiervoor geene directe feiten pleiten $. Dit klikt inderdaad vreemd; daar hem de latere stellige waarneming van Waerer en Leuckart bekend was **, maar waarvan hij de juistheid ontkent; waardoor hij zich geenszins geheel van eenzijdigheid kan vrij pleiten, van geene waargenomene daadza- ken van anderen te willen aannemen, wanneer deze met zijne eens opgevatte meening strijden.
Doch niet alleen ontkent Körriker den directen zamenhang van deze gan- gliëncellen met de zenuwwortels, maar ook de onderlinge verbinding dezer gangliëneellen door middel van hunne vertakte draden neemt hij niet aan j"f), of zoo zij aanwezig zouden zijn, zouden zij zeer zeldzaam voorkomen, daar Kör- LIKER die nimmer gezien had SS. Hierdoor vervalt hij in eene zonderlinge tegenspraak met zich zelven in zijne physiologische verklaringen van de wer- kingen van het ruggemerg; hij zegt namelijk, bij vermelding van de proeven van vAN Deen, Srirring en ErceNBROoprt, over de willekeurige beweging, die ook na de halfzijdige doorsnijding van het ruggemerg nog onder de snede aanwezig zoude zijn, hetgeen Körriker zelve bevestigd vond ***‚ dat aan
* Le. pag. 425. j Gort. Gelehrth. Anzeig. 1550. Febr, N°, 4, pag. 53 sq. $ Le. pag. 426. ** 1, c. pag. 425. tf Lc. pag. 425.
$$ Skizze einer Wissenschaftl. Reise nach Holland u. z.w. in Zeitschrift f. Wissensch., Zoog. 111 B. 1 St. 1850 pag. 85.
ded
L. c. pag. 438 sq.
14 ANATOMISCH PIYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
een verband (Vermittlung) van gevoel en willekeurige beweging alleen door contiguiteit niet kan gedacht worden, daar dan de leiding door het merg niet aan den gang of aan het verloop van bepaalde vezels zoude gebonden zijn *, iets, waarin ik geheel met Körriker instem; later echter stelt hij weder, dat de reflex-verschijnselen, die in de grijze stof plaats hebben, niet nood- wendig aan de continuiteit van vezels zouden gebonden zijn, daar zij in ge- heel verwijderde gedeelten voorkomen ; hij meent, dat onder bijzondere omstandigheden, dat is, bij eigenaardige prikkels of eene ongewone stem- ming van de hersenen of het ruggemerg van den bepaalden gang der leiding door vezels afgeweken wordt, en in de grijze stof eene zoogenoemde dwars- leiding, dat is, overbrenging van den toestand der gevoel- en bewegingvezels aan de graauwe stof plaats vindt, die zich dan verder aan andere zenuwdraden zoude mededeelen $. Daar echter de reflex-verschijnselen niet alleen in vivisectien en ongewone toestanden, maar ook in slikking, hoesten, niezen en eene menigte andere physiologische verschijnselen plaats hebben, kan men deze niet door een ongewone stemming verklaren, en de juiste bepaalde bewegingen, die b. v. bij slikking in het zoo zamengesteld verband der spieren noodig zijn, toonen wel, dat de overspringing van den prikkel der gevoel- op de beweeg- zenuwen niet diffus door eene onbepaalde dwarsleiding, maar wel degelijk langs bepaalde voorgeschrevene banen verrigt wordt, waardoor deze werkin- gen altijd en bij alle individuën zich op dezelfde wijze vertoonen. Neemt Körrrker nu het onmogelijke aan van eene dwarsleiding in de mergvezelen bij de proeven van van Deer en Srrurine, dan zie ik niet, waarom hij deze dwarsleiding wel aanneemt bij reflexie, die hij vermoedt, dat in de grijze stof, en wel door de gangliëncellen plaats heeft, tenzij dit is, om zijne leer, dat de draden der gangliëncellen niet onderling, noch met de zenuwen te zamen- hangen, staande te houden. ê
Om nu echter van het zoo vreemde verschijnsel rekenschap te geven, dat ook nog na het doorsnijden van de eene helft van het ruggemerg, noch de willekeurige beweging, noch de reflexverschijnselen aan de doorgesneden zijde
ted worden verhinderd, stelt Körriker, in navolging van Arnorp, de zinrijke
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 15
hypothese voor, dat de mergdraden van het ruggemerg slechts voor de eene helft zieh kruisen, zoodat dus eene bewegingszenuw bijv. van de regterzijde draden bevat, zoowel uit de regter- als uit de linkerzijde, met dat gevolg, dat indien de regterzijde wordt doorgesneden, de deelen onder de doorsnede door de draden van de linkerzijde nog willekeurig kunnen bewogen worden, hetgeen hij in eene schematische figuur verduidelijkt *. Hoezeer inderdaad op deze wijze van vele verschijnselen rekenschap kan gegeven worden, kan men echter meerdere bezwaren tegen deze verklaring aanvoeren.
Door deze voorstelling van den halfgekruisden loop der zenuwdraden in het ruggemerg, wordt vooreerst geene verklaring gegeven van het verschijnsel, dat indien het ruggemerg half wordt doorgesneden, kort boven de voor- of achterpootszenuwen, deze pooten dan geheel verlamd zijn, welke proeven door VAN Deer voor eenige jaren ook in mijne tegenwoordigheid in het werk zijn gesteld voor den achterpoot “f, en door Srrurixa boven den voorpoot met hetzelfde gevolg $; die ook door Ererexeroprt zijn bevestigd **. Er bestaat geene reden, waarom hier de tegenovergestelde ongekruisde en niet doorge- sneden vezels tegelijk verlamd zouden worden, hetgeen volgens de verklaring van Körriker het geval niet moest zijn, en toch standvastig plaats heeft.
Indien verder deze verklaring juist is, dan moet men aannemen, dat de ongekruisde streng met de zijde van het ruggemerg, waardoor hij loopt, in geen verband schijnt te staan, hetgeen hoogst vreemd en ongelooflijk is; immers is het bekend, dat, na eene beroerte in de hersenen, hemiplegie of verlamming der eene zijde bestaat; maar nu is aan de tegenovergestelde zijde, die in het ruggemerg dan ook verlamde draden moet bezitten (de ongekruisde), geen spoor van eenig letsel te bespeuren, zoodat bij eene verlamming aan de regterzijde ook de linkerhelft van het ruggemerg ongekruisde, doeh verlamde mergdraden zoude moeten bevatten, die echter op dit linker gedeelte van het ruggemerg geenerlei invloed uitoefenen, daar op deze zijde niets ziekelijks te bespeuren is.
Wij zullen later zien, hoe al deze verschijnselen zich veel ongedwongener
* Le. pag. 440, Fig. 131.
t_ VAN Deen, Nadere ontdekkingen over de eigenschappen van het Ruggemerg. Leiden 1839, pag 61, proef 47,
$ SriuinNo, Untersuchungen ueber die Funct. d. Ruck. Leips. 1842, pag. 243, proef 47.
**_Ueber die Sectiongsgezelze im Ruckenmark, Giessen 1849, pag. 50.
16 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
laten verklaren, en keeren liever tot de geschiedkundige opgave van hetgeen in dit moeijelijke veld verrigt is, terug.
Zonder met de onderzoekingen van Körriker bekend te zijn, volgde J. Crarke te Londen eene geheel andere wijze om dunne plaatjes van het rugge- merg doorschijnend te maken, hetwelk wij later bij onderlinge vergelijking zullen opgeven, waardoor hij eene groote doorschijnendheid schijnt verkregen te hebben; hij onderzocht in meerdere dwarse doorsneden den verschil- lenden vorm van de voorste en achterste horens der grijze stof op verschillende hoogten van het ruggemerg, den onderscheiden loop der zenuwwortels door de grijze stof, en de gangliëncellen met hunne vertakte draden, hetgeen hij door vrij goede, eenige zelfs zeer fraaije afbeeldingen opheldert *.
Uitvoerig behandelt hij vooral de dwarse vezels, waarvan een gedeelte als zenuwwortels in hunne banen van achteren naar voren volgens hem ver- loopen, zich in bundels verdeelen, en in de grijze stof een netwerk vormen, waar tusschen de gangliëncellen gelegen zijn; eenige van deze achterste dra- den gaan zelfs, volgens CrARKE, in de voorste zenuwwortels over, althans zijn de voorste en achterste zenuwwortels in het midden als met een netwerk dooreen gevlochten; de dwarse zijdelingsche vezels volgen een anderen loop en vormen de commissuren in het centrum van het ruggemerg; ook van deze hangen, volgens hem, vele vezels met de voorste en achterste zenuwwortels zamen “f. De achterste wortels onderscheiden zich, doordien zij met meerder, breeder en talrijker bundels dooreen loopen, en eene soort van plexus vormen $, waaruit bijzondere bundels in de achterste horens dringen en de substantia gela- tinosa doorkruisen; eenige dringen in de commissuren, terwijl anderen in het sponsachtig gedeelte der achterste horens zich in een netwerk verdeelen en in de voorste horens overgaan; eenige draden gaan over in de achterste en zijdelingsche longitudinale witte strengen.
De voorste zijdelingsche strengen dringen, zonder eerst met elkander door- weven te zijn, tot in de voorste horens; verdeelen zich hier in zeer smalle bundels en afgezonderde draden, die verschillende rigtingen doorloopen; van deze vezels gaan eenige in den uitwendigen rand der voorste horens en drin- gen in de voorste zijdelingsche strengen; andere, na rondom door de groepen
*_Phil. Transact. 1851, part. II, pag. 607, Tab. XX—XXV. f Le. pag. 609, Tab. XX, Fig. 1, 2, 3 en vooral Tab. XXTII, Fig. 14. $ Le. pag, 606, Pl, XXI, Fig. 6 en Fig. 14.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 17
van gangliëncellen gedrongen te zijn, loopen naar binnen en vereenigen zich met de voorste commissuren, waar zij zich met die der andere zijde decus- seren. De overigen gaan in het centrum der voorste horens en verliezen zich in het netwerk der gangliëncellen *.
De gangliëncellen zijn volgens CraRKE door hare uitloopende draden onderling vereenigd, die zich in steeds fijnere en fijnere takken verdeelen, zoodat de ruimte tusschen deze takken ingenomen wordt door een hoogst fijn net van zeer delicate vezels. Vele van deze draden, vooral der gangliën- eellen, die op den rand der grijze horens gelegen zijn, loopen uit tusschen de witte longitudinale strengen, waartusschen zich ook bloedvaten bevin- den, zonder dat hij kon bepalen, of deze draden in de bloedvaten overgaan f.
Dat deze ganghiëncellen in eene zeer naauwe betrekking staan tot de zenu- wen, meent hij te moeten besluiten uit de inderdaad opmerkelijke waarne- ming, dat zij niel alleen altijd in de nabijheid zijn der zenuwwortels, maar dat zij in aantal toenemen in eene directe reden tot de meerdere dikte der zenuwen, waarmede zij verbonden zijn S.
Desniettemin zegt hij, dat hij nimmer eenigen directen zamenhang tusschen deze draden en de zenuwen heeft kunnen waarnemen; de zenuwdraden loo- pen, volgens hem, rondom de gangliëncellen, en zijn er schijnbaar mede in aanraking, maar deze aanraking draagt niet het karakter van ware ver- binding. Hoogst opmerkelijk is echter hetgeen hij er op laat volgen, dat het zeer algemeen is te zien, dat een of twee van de celdraden naar bui- ten in eenen bundel uitloopen der voorste of achterste zenuwwortels, waarvan hij inderdaad eene overtuigende afbeelding geeft, juist zoo als ik dit ook gevonden heb **. Hij ziet echter deze uitloopers in de zenuwwortels niet aan voor een zenuwoorsprong, omdat hij dergelijke uitloopers der gangliën- eellen ook tusschen de witte longitudinale strengen met bloedvaten zag ver- loopen, waar geene zenuwen of zenuwwortels zich bevonden. Was hij door- gedrongen tot den dieperen zamenhang van longitudinale en dwarse vezelen en hare functiën, dan zoude hij zich door deze laatste opmerking niet van
*
Pag. 617, Tab. XXIII, Fig. 14, Tab. XXV, Fig. 15. t Lc. pag. 614.
** |. ce pag. 615, Tab, XXV, Fig. 15.
VERMHAND, DER KONINKI, AKADEMIE, DEEL II.
18 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
het ware spoor hebben laten brengen, maar den zenuwoorsprong uit de gan- gliëncellen, die hij in twee gangliëncellen en drie draden zeer goed afbeeldt, erkend hebben.
Hij eindigt zijn betoog met eenige gevolgtrekkingen, waaruit wij, om niet in herhalingen te vallen, slechts zullen overnemen, dat volgens hem twee aanzienlijke kolommen van maltipolaire gangliënecellen, die hij de achterste vesiculaire kolommen noemt, in eene innige verbindtenis zijn met de achterste zenuwwortels door de geheele lengte van het ruggemerg, van onderen smal beginnende, zeer in omvang toenemende in de lenden- en cervicale aanzwelling en eindigende in het verlengde merg. Dat nog eene kolom van cellen, waar- uit in den hals de nervus accessorius zijn oorsprong neemt, zich ook naar be- neden tot in de lenden-aanzwelling uitstrekt; maar dat de nervus accessorius de eenige zenuw is, die uit deze zijdelingsche vesiculaire kolom zijn oorsprong neemt; hoezeer ook deze nervus accessorius zijne wortels uitstrekt tot de voor- ste kolom van gangliëncellen *, terwijl overal, vooral in de voorste horens, het getal gangliëneellen in eene directe evenredigheid is tot de dikte der zenuwen “f.
Het zijn vooral de latere onderzoekingen van Ruporen Waarer, hoezeer ook door Körriker in twijfel getrokken, die aan de meening, dat de zenuwen uit de gangliënkogels haren oorsprong ontleenen, groot gewigt bijzetten.
Reeds in 1850 berigt Vorkmans, dat Levekarrt, onder hem werkende, meerdere plaatsen vond, waar de overgang van draden der multipolaire gan- gliëncellen in echte primitieve zenuwdraden, zoowel als in eene verbinding onder elkander overtuigend scheen plaats te hebben; het gelukte hun beiden later eenen draad van eene multipolaire eel in een donker randige, dubbel gecontoureerde hersen- en zenuwdraad bepaald te zien overgaan. Men kan dus, voegt Waavrer er bij, hieruit besluiten, dat van zulk eene cel een ver- lengsel als eylinderas afgaat, als eene primitief vezel door het ligchaam verloopt, om ten laatste als eylinderas in de vrije einden (peripherie) meestal vertakt uit te loopen en in de weefsels te eindigen S.
Deze onderzoekingen worden door latere van denzelfden schrijver omtrent de electrische lobben in de hersenen der Sidderroggen zeer bevestigd. Hij
ed. Tab. XXV, Fig. 18. j Lc. pag. 618.
$ Goll. Gelehrt. Anzeig. 1850, Tab. N°, 4, pag. 53 sq.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 19
zegt, dat deze lobben geheel en al aggregaten zijn van zeer groote multipo- laire gangliëncellen. Naar de peripherie toe gaan hieruit verlengsels, die van tweederlei aard zijn; eenige zijn niet vertakt en gaan onmiddellijk in gewone dubbel gecontoureerde zenuwdraden over, wier cylinderassen zij vormen. Wel ontbreekt dikwijls de dubbel gecontoureerde buitenrand, daar deze zeer los met de eylinderas verbonden is, en het meertal dezer verlengsels mist steeds dezen uitwendigen buitenrand; maar, zegt hij, wij hebben met alle mogelijke zekerheid grootere en kleinere fragmenten van dezen buitenrand aan enkele verlengsels, dan eens digt aan den oorsprong, dan weder in het verdere verloop gezien *. In den regel ontspringt, volgens hem, van ieder gangliënligchaam één, zeldzamer schijnen twee echte zenuwdraden er van te ontstaan. De overige, nu eens vertakte, dan weder niet vertakte verlengsels dienen daartoe, om de enkele gangliëncellen onder elkander, dan eens in de nabijheid, dan weder op grooteren afstand in verbinding te brengen T. Eindelijk heeft Ecker van deze praeparaten zeer fraaije en volkomen over- tuigende afbeeldingen in zijne Tcones Physiologicae gegeven $, waarin niet alleen duidelijk de overgang van de draden der multipolaire gangliëncellen in primitive zenuwdraden zigtbaar is, maar ook de onderlinge verbinding dier cellen, vooral in Fig. VI en VIII ontwijfelbaar wordt aangetoond. Geheel analoog aan deze electrische lobben, zegt Waaner verder, zijn de zenuwker- nen van den vagus, accessorius, hypoglossus en trigeminus, namelijk insulaire ophoopingen van multipolaire gangliëncellen in de grijze stof, die vezels uit- zenden, opnemen, en die onder elkanderen door fijne zenuwdraden brugachtig worden verbonden **
Met een enkel woord willen wij nog aanstippen, dat ook Exeer uit zijne waarnemingen omtrent de larven van kikvorschen besluit, dat de zenuwen in het ruggemerg eindigen “F, hetgeen door BrarrmAN in volwassene kikvorschen bevestigd wordt, die verzekert, ook in kleinere vogels, visschen, en zelfs in
* Gött. Gelehrt. Ans, 1851, Oct. pag. 190.
helse;
8 Eerer, Ieones Physiol., 2 Heft. Taf. XV, Fig. III, VI, VIJ, VIT en X.
** Lc. pag. 191.
Hf Zeitschrift der Keis. Kon. Geselschaft der Aertze in Wien. Nov. 1847, pag. 113 etc. Dit ken
ik alleen door citaten, maar had geene gelegenheid het oorspronkelijke te raadplegen. g.
20 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
muizen zich overtuigd te hebben, dat de zenuwen in het ruggemerg eindi- gen *. Ik betwijfel echter, of de zenuwwortels in het ruggemerg zoo plot- seling met al hunne vezels in een gesloten bundel ophouden, zonder eenige uitlopers af te geven, zoo als hij die stomp eindigende in zijne afbeeldingen voorstelt f. Hij erkent desniettemin, dat er verbindingen tusschen zenuwdra- den en gangliëncellen voorkomen, ofschoon hij zegt minder zijne aandacht hierep gevestigd te hebben, en ware gangliënkogels bij kikvorschen tamelijk zeldzaam zijn $), terwijl hij later weder spreekt van vele vrije kernen der gangliëncellen in de grijze stof. Ik vermoed, dat zijne wijze van deze deelen te onderzoeken, hierbij van veel invloed zal geweest zijn.
Van meer gewigt zijn de onderzoekingen van G. Semirrine **, die uitvoe- rig eerst spreekt over de afmetingen van Körrrker, en hare juistheid met de hieruit afgeleide gevolgen bestrijdt. Hij erkent wel, dat in het eervikaal ge- deelte van het ruggemerg, de dikte der mergstof grooter is dan in het dor- saalgedeelte, en hier grooter dan in het lendengedeelte, maar dit gaat niet geleidelijk; er zijn twee plaatsen boven het cervikaal- en boven het lenden- gedeelte, waar de mergstof stellig dunner is dan in de lager geplaatste ge- deelten jj. De afbeeldingen der dwarse doorsneden van het ruggemerg van Körriker $$ noemt hij, en naar mijn inzien teregt, onjuist ***.
Bovendien heeft er wel eene toename in de voor- en achterstrengen, maar niet zoo zeer in de zijdelingsche strengen plaats, die echter de meeste merg- stof bevatten tj}. Bovendien zijn de grenzen van grijze en mergstof zelfs onder het microscoop niet zoo bepaald, daar de grijze stof aan alle zijden uit- loopers afgeeft in de mergstof, en hierdoor vele dwarse zenuwvezels loopen,
*_BrATTMAN, Mikrosk. Anatom. Darstellung der Centralorgan des Nervensystems. 1850, pag. 46. j Le. pag. 46 sqq en pag. 53, Fig. l en 2, $ Lec. pag. 18.
* De Medullae spinal. textura ratione inprimis habita originis cerebralis nervorum spinalium Dorpat. 1852.
tr l. c. pag. 9 Sq. $$ Mikrosk. Anat. pag. 431. *** De Med. Spin. text. pag. 10.
$ff Lc. pag. 11.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 4
waardoor de dikte der mergstof vergroot wordt *. Eindelijk zijn niet alle lon- gitudinale draden der mergstof even dun, waarop Körriker gerekend had: hij trof er dikkere aan dan de zenuwvezelen zelve, en de evenredigheid tusschen deze dikke en dunne kan niet bepaald worden; waarom hij besluit, dat het- geen Körriker op deze gronden tegen VorKMANN aanvoert, van geenerlei gewigt is |.
Ten opzigte der zenuwwortels zegt hij, in tegenstelling van de waarneming van CraRKE, dat hij nooit de vezels der voorste zenuwwortels, nadat zij in de horens der grijze stof zijn ingetreden, in de commissuren zag overgaan, noch tot in de vezels der achterste horens zag dringen, noch, hetgeen Kör- LIKER beweert, boogsgewijs in de witte strengen zag uitloopen. In enkele gevallen zag hij duidelijk den zenuwdraad van den voorsten wortel in eene gan- gliëneel intreden, zoodat de lijnen van den zenuwdraad in de lijnen van den draad van eene gangliëncel overgingen; in één geval was deze overgang zoo duidelijk, dat over den directen zamenhang geen twijfel bestaan kon, iets, hetwelk hij met te meer zorg waarnam, daar dit omtrent den oorsprong der zenuwen van het grootste gewigt was $. Ook in longitudinale secties zag hij de wortels der zenuwdraden nooit de grenzen der gangliëneellen overschrijden, maar wel en- kele malen een zenuwwortel van eene gangliëncel ontspringen **.
Onder de longitudinale witte strengen vond hij vezelen, die, uit de grijze stof of zelfs uit de gangliëneellen ontstaande en zich naar boven ombuigende, als witte mergdraden naar de hersenen verliepen fj; de achterste zenuw- wortels zag hij echter ten deele in de longitudinale witte strengen overgaan $$.
Eindelijk, en dit is van gewigt, zegt hij, dat de longitudinale vezelen, al- thans de voorste en middelste strengen, uit de grijze stof ontspringen, en wel uit de gangliëncellen, terwijl uit dezelfde gangliëncellen ook de wortels der zenuwen hunnen oorsprong nemen en dus beiden door middel van deze cellen
* 1. c, pag. 12.
je loc. pag. 54.
$ 1. c. pag. 29.
" 1e. Tab. IT, Fie. 5,5, o.
jj |. c. pag. 33, Tab. IL, Fig. 5, d.
é$ 1. c. pag. 40.
22 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
verbonden zijn *. Zoo komt dan ook, volgens hem, het volumen der grijze stof overeen met den omvang der zenuwwortels, en de dikte dezer laatste stemt weder overeen met de toename der longitudinale vezelen, die de hersenkracht in de zenuwen, en de zenuwkracht naar de hersenen overbrengen; al hetgeen geheel overeenkomt met hetgeen wij in 1848 in de sectievergaderingen hebben voorgedragen, doch hetgeen dezen schrijver onbekend was. Als slotsom besluit hij:
1) Dat de longitudinale mergvezels van het ruggemerg van beneden naar boven bestendig in getal toenemen;
2) Dat deze longitudinale vezels uit de grijze stof, en althans voor een gedeelte wit de gangliëncellen haren oorsprong nemen;
5) Dat het getal der lange vezelen, even als het getal der vezelen, die in eenen zenuwdraad overgaan, van het onderste gedeelte van het ruggemerg af in dezelfde reden toenemen, als de grijze stof in omvang wint; $
4) De vezels der voorste zenuwwortels ontspringen uit de voorste horens der grijze stof, en wel uit de gangliënecellen;
5) Het grooter gedeelte der achterste wortels gaat waarschijnelijk in de lon- gitudinale vezelen over, die in de achterste horens aanwezig zijn;
6) De grijze stof bevat geene eigene vezels, dan die uit de commissuren ontspringen;
1) Ook de voorste commissuur bestaat uit grijze stof.
Deze laatste was door Körmiker en de meeste schrijvers als eene witte commissuur beschreven; ik moet echter uit mijne eigene waarnemingen het gevoelen over den grijzen aard dier vezelen van Scurrrine bevestigen, wiens schoone afbeelding j geheel met de natuur overeenstemt.
Eindelijk worden deze uitkomsten nog bevestigd door de onderzoekingen van Grariorer $. Van Seurrrine wijkt hij af‚ door de voorste commissuur nog als uit witte mergachtige vezels bestaande te houden.
In de voorste horens der grijze stof beschrijft hij de multipolaire gangliën- cellen als niet gelijkmatig verspreid, maar in verschillende groepen opgehoopt, vooral in de nabijheid der witte bundels; in de aangezwollen gedeelten van het ruggemerg zijn deze groepen grooter dan in de engere gedeelten, grooter
$ Structure de la matière epinière in PInstitut. 1351, Aout, pag. 212 sqq.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 25
m grootere dieren dan in kleinere; zij hangen volgens hem onderling te zamen en zijm niet geïsoleerd; hunne uitstralingen of draden verdeelen zich meer en meer en vormen eene groote vlecht met onregelmatige mazen, vooral in de ruminantia duidelijk waar te nemen; deze mazen zijn verlengd in de nabijheid der witte bundels, meer afgerond in het midden der grijze stof, in de lendenaanzwelling het grootst en talrijkst.
Behalve deze zeer duidelijke verbindingen, waardoor deze gangliëneellen zich tot een systeem vereenigen, kan men bij een naauwkeurig onderzoek een groot getal zenuwdraden vervolgen tot in deze multipolaire gangliëncellen, en de continuiteit aantoonen van een zeker aantal vezels der voorste zenuw- wortels met bepaalde verlengsels dezer gangliëncellen; zoodat deze gangliën- cellen aan de eene zijde in verbinding zijn met de voorste en middelste strengen van het ruggemerg, en ten anderen met de wortels der voorste of beweegzenuwen. Hij voegt er bij, dat deze feiten door hem met uiterste naauwkeurigheid bevestigd en waargenomen zijn.
Minder gelukkig was hij in zijn onderzoek der achterste wortels, aangaande hun verband met de grijze stof. Bij longitudinale secties ziet men de vezels der achterste wortels zich in de achterste longitudinale strengen ombuigen, die door deze wortels voor een groot deel schijnen zamengesteld te worden. Van de voorste bundels dezer wortels gaan eenige vezels naar de achterste grijze commissuur, andere gaan in de substantia spongiosa, waar zij kleine bundels vormen, waardoor de substantia gelatinosa gestreept is. Niettegen- slaande alle pogingen is het hem niet gelukt, verbindingen tusschen deze vezels en de gangliëncellen te vinden, hoezeer hij die vermoedt.
De stralen der gangliëncellen, de draden der voorste zenuwwortels en de bundels der achterste wortels vormen in de voorste horens een weefsel, hetgeen niet te ontrafelen is, en hetwelk door een groot getal vezels der voorste zenuwwortels en door de middelste bundels, die van de eene zijde van het ruggemerg naar de andere in de voorste horens overgaan (commis- sura anterior) nog vermeerderd worden. De vezels echter der voorste zenuw- wortels schijnen, volgens hem, niet direct in deze commissuur over te gaan.
Hij neemt verder als bewezen aan, dat de grijze centra aan wederzijden met elkanderen in verband staan, maar dat de zenuwwortels, die zich hierin begeven, zich niet kruisen met die der overgestelde zijde; de vezels, die zich hier kruisen, meent hij, dat tot de longitudinale vezels behooren, die naar de hersenen gaan.
1e en
ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
Zien wij op de resultaten van de onderzoekingen dezer verschillende schrij- vers, vooral in de laatste jaren, dan zijn hierdoor de onderzoekingen, die wij m 1848 hebben uitgegeven, zoozeer van alle zijden bevestigd, dat zoowel de oorsprong der zenuwen, vooral der voorste wortels uit de gangliëncellen, de onderlinge zamenhang der gangliëncellen, het overgaan ten deele van de achterste zenuwwortels in de witte strengen zoozeer bevestigd schijnen, dat een verder onderzoek bijna overbodig zoude kunnen geacht, en deze gewig- tige feiten als uitgemaakt zouden kunnen beschouwd worden. Nadat ik in het jaar 1848 de eer had mijne waarnemingen in het Kon. Ned. Instituut mede te deelen, heb ik aan het toen ter tijd mij gedaan verzoek, deze ter uitgave aan te bieden niet voldaan, daar ik nog eenige twijfelachtig geblevene punten verder wenschte te onderzoeken. Dit werd door verschillende omstandigheden uitgesteld, vooral ook door het zeer tijdroovende van het vervaardigen der hiertoe dienstige voorwerpen, waarvan de moeijelijkheid vele doet mislukken. Bij het weder opvatten van dit gewigtig onderwerp, heb ik mij nu vooreerst voorgesteld de vraag, wat de oorzaak mogt zijn van de zoo uiteenloopende gevoelens van vele zoo geachte schrijvers en bekwame mikrotomen. Behalve de moeijelijkheid in het algemeen, om geschikte voorwerpen ter onderzoek voor het mikroskoop te verkrijgen, waarover wij in de inleiding met een enkel woord hebben gesproken, geloof ik, dat de verschillende methoden, door onderscheidene schrijvers gebezigd, om deze voorwerpen doorschijnend en voor het mikroskopisch onderzoek dienstbaar te maken, veel hiertoe heb- ben bijgedragen.
STILLING trachtte door het ruggemerg in wijngeest te leggen, de noodige verharding, om fijne sneedjes te vervaardigen, te verkrijgen; hij gebruikte hiertoe vrij sterke alcohol; ook wij hebben deze wijze van bewerking ge- volgd, alleen heeft ons de ondervinding geleerd, dat gewone spiritus van 15 of 18 graden beter is dan sterkere; wel wordt door de laatste het ruggemerg spoediger verhard, maar ook spoediger treden veranderingen in het weefsel, doordien door het geestrijk vocht het vet wordt uitgetrokken, hetgeen zich als onregelmatige glomeruli of granulatien tusschen de vezels nederzet, en eindelijk tot grootere klompjes verzamelt, die het ruggemerg voor alle fijner onderzoek ongeschikt maken; in slappere volgt deze verandering veel trager, en men kan een verhard gedeelte veel langer gebruiken.
Körtiker heeft op het voetspoor van Hannover het chroomzuur zeer aanbevolen, waardoor inderdaad eene aanmerkelijke verharding verkregen
mnd
B
or
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 2
wordt, waarna hij het nu zeer ondoorschijnend geworden ruggemerg, door ver- dunde soda caustica helder maakt *, hetgeen vrij algemeen navolging heeft gevonden. Ook ik heb deze wijze beproefd, maar kan in den hoogen lof, door Körrrker hieraan toegeschreven, niet deelen. Wel kan men fijne sneedjes vervaardigen en deze door verdunde soda caustica doorschijnend maken ; maar in het algemeen wordt het veld te gelijkvormig doorschijnend, en men kan niet genoeg de draden, vooral der gangliëncellen, volgen, die onzigtbaar wor- den, hetgeen mij bij vergelijking van alcohol-praeparaten duidelijk gebleken is.
Ook Senrrrrve klaagt, dat de door acidum chromicum behandelde praepa- raten weinig geschikt zijn om deze draden waar te nemen j, en het is mij zeer in het oog gevallen, dat in zijne zoo fraaije afbeeldingen, Tab. Len II, Fig. 4 en 2, de gangliëneellen overal zonder uitloopende draden worden afge- beeld; ofschoon hij de zenuwwortels buitengemeen fraai heeft uitgedrukt, en hierin vermoed ik, dat de voorname oorzaak zal gelegen zijn, waarom een overigens zoo naauwkeurig waarnemer, die onder de eerste mikroskopische waarnemers mag geteld worden, en wiens waarnemingen zich over het alge- meen zoozeer door juistheid onderscheiden als Körriker, hierin van de latere schrijvers zoo geheel afwijkt.
Een geheel anderen weg is Crarke ingeslagen in het vervaardigen van zijne praeparaten; hij beveelt aan om die, na de verharding in spiritus, op een glaasje te bevochtigen met een mengsel van drie deelen spiritus en een deel azijnzuur, hetgeen de grijze stof meer doorsch'jnend maakt. Volgens eene tweede methode laat hij het dunne sneedje eerst een à twee uren ma- cereren in het mengsel van azijnzuur en spiritus, dan weder denzelfden tijd lang in zuiveren spiritus liggen; hierop brengt hij het in terpentijn, hetgeen den spiritus in den vorm van donkere droppels er uitdrijft en spoedig het sneedje volkomen doorschijnend maakt, hetgeen hij dan in Canada-balsem legt en met een glaasje bedekt $. Mij is deze wijze niet goed gelukt: het werd slechts ten deele helder, maar de gangliëncellen werden onduidelijk, waaruit het vet scheen te verdwijnen.
WaGrer prijst eene oplossing van sublimaat aan.
* __Mikrosk. Anat. II. Th, 1 Abth., pag. 424, f_ Lc. pag. 56 sq.
$ Phil. Trans, 1851, Part 2, pag. 607 sq. 10 VERHAND. DER KONINKI, AKADEMIE, DEEL ÏI.
26 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
Nadat ik echter op nieuw dit moeijelijk onderzoek had opgevat, begreep ik, dat vooral de hoofdvraag gelegen was in eene methode, die alle voordeelen der vroegere in ruimere mate verschafte, zonder de nadeelen te bezitten; na het beproeven van meerdere zoutoplossingen, zuren, alcaliën, ook van glyzir- rhine, had ik eindelijk het geluk, eene wijze te ontdekken, om deze voorwer- pen voor het mikroskoop te vervaardigen, die naar mijne ervaring boven alle anderen verre de voorkeur verdient.
Men verharde eerst het ruggemerg, in niet te groote stukken afgedeeld, in spiritus, en zoo spoedig de hardheid genoegzaam is (want hoe korter het merg in spiritus gelegen heeft, des te duidelijker worden de praeparaten) vervaardigt men de fijne sneedjes *, legt nu een fijn sneedje met eenig ge- distilleerd water op glas, dekt dit met een dekglaasje, en drukt nu afwisse- lend zeer zacht de beide overstaande randen van het dekglaasje, waardoor het water gedwongen wordt tusschen de vezels van het sneedje door te vloeijen. Zeer spoedig wordt dit water melkachtig, hetgeen men door ge- durig droppelen aan den rand van het dekglaasje wegspoelt, en telkens de afwisselende drukking herhaalt, zoo lang tot het water niet meer melkachtig wordt. Men zorge hierbij, dat de druk zoo gering zij, dat het sneedje niet zeer van vorm verandert of zich uitbreidt, daar dan bij de afwisselende bewe- ging, welke men aan het dekglaasje mededeelt, het sneedje vaneen scheurt, en door het doorspoelende water het verband der deelen wordt losgerukt. Op deze wijze, met eenige omzigtigheid, gelukt het gemakkelijk de vetkorrels en losgeworden gedeelten weg te spoelen, die de helderheid belemmeren. Men kan ook: hetzelfde oogmerk bereiken, door het sneedje eenige oogen- blikken in een horologieglas in aether te leggen; maar laat men het hierin te lang liggen, b. v. meer dan een half uur, dan ‘worden de gangliëneellen onzigtbaar, doordien het korrelige vet uit de gangliëneellen verdwijnt en te zeer wordt opgelost. Het doorspoelen met water is mij altijd voldoen- de voorgekomen; door nu veel water aan den rand van het dekglaasje te brengen en het glas scheef te houden, glijdt het dekglaasje van zelve van het voorwerp af, zonder dat te beschadigen. Men vege dan het omringende water af, en brenge met een glazen staafje een paar droppels geconcen-
* Ik bedien mij hiertoe van een bredd, scherp scheermes, hetgeen op den voorvinger der lin- ker hand rust, en waarmede men de rigting der snede zeer juist besturen kan. Het is van belang de bovenvlakte van het mes met water te bevochtigen, anders kleeft het dunne sneedje te sterk aan het mes en wordt bij de snijdende beweging van het mes te vroeg afgescheurd.
&
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 27
treerde oplossing van chlorcalcium op het sneedje, en dekt het nu met het dekglaasje; drukt het een weinig, zonder het voorwerp te zeer te beschadigen, en laat het nu liggen; reeds na een half uur en vroeger ziet men, dat het begint doorschijnende te worden, en deze doorschijnendheid neemt toe, zoodat na 8 of 10 dagen het voorwerp uiterst doorschijnend is en alle vezels duidelijk met scherpe randen zigtbaar zijn, waarbij vooral een zeer groot voordeel is, dat de fijne capillairvaten veel duidelijker zigtbaar worden en zich van de zenuwdraden laten onderscheiden. Het vet, hetgeen nog aanwe- zig is, begint zich dan soms nog later hier en daar in kleine korrels te ver- zamelen en eenige gedeelten minder helder te maken, vooral indien men vroeger niet genoegzaam het voorwerp met water heeft afgespoeld. Is dit het geval, zoo brenge men op nieuw chlorcaleium oplossing aan den rand van het dekglaasje, hetgeen dit opneemt, het dekglaasje losmaakt, hetwelk er nu gemakkelijk afschuift, men spoelt het op het glaasje met chlorcalcium oplossing af, dekt het op nieuw met het glaasje, laat het weder eenige dagen liggen en luteert nu de randen.
Ook eene oplossing van chlormagnesium maakt de sneedjes helderder, maar niet zoo spoedig; later worden toch ook de vezels uitnemend helder, echter ontstaan hierin soms kristallen, die men dan weder moet wegspoelen, terwijl ik over het algemeen aan de praeparaten in chlorcalcium wegens meerdere helderheid nog de voorkeur geef.
Een zeer groot voordeel van beide bereidingswijzen is, dat men de voor- werpen niel terstond behoeft te luteren; daar chlorcalcium-oplossing en ook, hoezeer in mindere mate, chlormagnesium bestendig het vocht uit de atmos- pheer trekt, droogen de praeparaten niet uit; men kan eene groote menigte voorwerpen vervaardigen en nu later onderling vergelijken en de fraaiste luteren met asphalt en bewaren, die nu ook om dezelfde reden nimmer bederven, doordien het chlorcalcium niet verdwijnt. Deze praeparaten zijn dus duurzaam, terwijl op deze wijze de draden der gangliëncellen en der zenuwen buitengemeen duidelijk zich vertoonen; de grijze stof wordt niet alleen helder, maar ook de mergstof vertoont zijn weefsel helder en duide- lijk *. Ook de voorwerpen in acidum chromicum verhard, verkrijgen dezelfde
* Het schijnt, dat geconcentreerde oplossing van chlorcalcium aan de zenuwdraden en grijze stof voor een gedeelte het water onttrekt, en daardoor de groote doorschijnendheid dezer deelen teweeg brengt. Laat men het voorwerp eenigen tijd in eene oplossing van chlorcalcium liggen,
zonder dekplaatje, zoo krimpt het zamen, waarop men dus letten moet. 10%
28 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
helderheid door chlorcalcium, maar hierin ontstaan later kleine kristallen, en de glangliëneellen en hunne draden zijn niet zoo fraai als in de in spiritus verharde voorwerpen, ofschoon de zenuwdraden zeer fraai zigtbaar zijn. Men kan ook later beproeven de kristallen af te spoelen.
Door dit middel in staat gesteld om met meerdere duidelijkheid en zeker- heid de fijnere structuur van het ruggemerg te onderzoeken, en zoo mogelijk,” het zoo kunstig zamengesteld weefsel der natuur te ontrafelen, heb ik op nieuw de hoofdpunten van mijn vroeger onderzoek herhaald, en vooral, het- geen mij meer of min twijfelachtig was gebleven, met de meeste naauwkeu- righeid onderzocht.
Het is mij thans aangenaam de verzekering te kunnen geven, dat ik geen enkel punt, van hetgeen ik toen òf als zeker, òf als twijfelachtig stelde, behoef terug te nemen, maar alles heb bevestigd gevonden en met meerdere zekerheid heb kunnen vaststellen, dan vroeger het geval was, hetgeen ik bovendien nog door eenige nieuwere daadzaken heb kunnen bevestigen.
Wij zullen, na al het door andere schrijvers boven aangevoerde, geenszins in eene uitvoerige beschrijving van het zamenstel van het ruggemerg treden, maar ons vergenoegen met de voornaamste feiten op te teekenen, die door ons zijn waargenomen.
Wat vooreerst betreft de onderlinge verbinding van de multipolaire gan- gliënkogels, door middel van hunne verbindingsdraden, zoo hebben wij ons hiervan in een aanzienlijk getal praeparaten zoo zeer overtuigd, dat dit geen den minsten twijfel kan overlaten, en wij vermeenen thans in staat te zijn, ook den ongeloovigste, indien hij voor overtuiging vatbaar is, door het toonen van onze praeparaten, hiervan het bewijs te leveren. Intusschen is het niet gemakkelijk deze volkomene zekerheid te verkrijgen; in de grijze stof name- lijk, vooral ter plaatse van deze gangliëncellen, is een zeer groot aantal hoogst fijne capillaire bloedvaten, die een zeer zamengesteld net vormen, hetgeen vooral om deze cellen loopt, en waarvan de takken dikwijls zeer bedriegelijk den schijn aannemen, van in deze cellen zelve over te gaan. Het is echter een eigen, niet ongewigtig voordeel van het aanwenden van eene oplossing van chlorcalcium, dat hierdoor de wanden der capillairvaten, door een eigen sterk geteekenden kant, zich van de draden der gangliën- cellen onderscheiden; zoodat mijne vroegere praeparaten, die in eene verdunde oplossing van acidum arsenicosum waren bewaard, mij hierin nu en dan heb- ben misleid; hoezeer ook in deze de ware zamenhang duidelijk genoeg
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 29
zigtbaar is. Somwijlen zijn twee gangliëncellen nabij elkanderen met een vrij dikken draad verbonden *; meestal is de verbinding zigtbaar of tusschen de aangrenzende, of ook tusschen verder gelegene gangliëncellen -f,‚ zoodat niet zelden een verbindingsdraad over de naaste gangliëncel loopt zonder zamenhang, om zich met eene verdere te vereenigen $; somwijlen hangen de cellen met meer dan eenen communicatiedraad te zamen **. Het is echter niet mogelijk alle draden te vervolgen: vele zijn afgesneden, eene menigte dunne draden van de hoogste fijnheid vertoont zich tusschen de netten, die men niet verder vervolgen kan {j. Beide Figuren 1 en 2 zijn longitudinale sneedjes door de voorste horens; men ziet deze verhoudingen het best in de lendenaanzwelling van het ruggemerg eener koe; bij groote dieren zijn deze groepen van gangliëncellen het duidelijkst, en het getal dier cellen is hier veel aanzienlijker, waarvan wij later de physiologische reden zullen trachten op te geven.
Ook in meerdere dwarse sneedjes is mij deze zamenhang duidelijk ge- bleken. .
Deze gangliëncellen zijn het menigvuldigst in de voorste horens, zoo als door de meeste schrijvers teregt is opgemerkt, en wel bijzonder bij de intrede der zenuwen; doch ook in het midden der voorste horens zijn de gangliën- cellen met hunne draden in een groot aantal; echter is dit niet overal gelijk; in de lenden- en cervicaalaanzwelling zijn de voorste horens der grijze stof veel breeder, en het aantal multipolaire gangliëncellen is hier ongelijk veel grooter dan in het dorsaal gedeelte van het ruggemerg; zoodat, zooals CrARKE SS, Semirrine *** en Grarrorer jij te regt opmerkten (zie boven),
* Zie Fig. l a a’, bij eene 100malige vergrooting. Ik geef in het algemeen, maar bijzonder in deze moeijelijke weefsels, verre de voorkeur aan niet te sterke vergrootingen: bij eene S0 tot ruim 100 malige vergrooting ziet men de vezels niet alleen scherper, maar ook een grooter veld toont de verbindingen duidelijker. Slechts als hulp en punt van vergelijking maak ik van sterkere vergrootingen gebruik.
4 Fig. 1 bc.
$ Fig. lea’. Fig. 2a b.
ien atd:
tt Fig. 1.
$$ Phil. Transact, l. c. pag. 614,
*** _ScarLLING, l, c. pag. 39.
tft Grariover, P Institut, 1, c.
50 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
het aantal multipolaire gangliëncellen in eene directe verhouding staat tot de dikte der zenuwen, die uit het ruggemerg ontspringen. Behalve dit algemeen verschil in aantal van gangliëneellen, hebben wij ook de gangliëneellen veel menigvuldiger gevonden op de plaatsen, waar de zenuwwortels in het rugge- merg indringen, dan in de tusschengedeelten, hetgeen dan ook geheel met het denkbeeld van den oorsprong der zenuwen uit deze multipolaire cellen overeenkomt, waarover wij later zullen spreken.
Behalve deze gangliëncellen in de voorste horens, die zich, zooals Kör- LIKER opmerkt, door meerdere. grootte onderscheiden, komen ook in de ach- terste horens gangliëncellen voor, maar in een geringer aantal; zij verschillen echter onderling eenige, meer afzonderlijke, zijn nabij de intrede der achterste zenuwwortels in de horens, en bijzonder in de vezels, die rondom deze horens verloopen en hen somwijlen als een gordel omringen, welke vezels, door de schrijvers niet aangegeven, vooral in de lendenaanzwelling duidelijk zijn en zich naar het middelgedeelte der grijze stof begeven *; de cellen zijn hier meer langwerpig, bezitten een geringer aantal vertakte draden, en komen zeer goed overeen met die cellen, Welke, volgens Körrrker, meer afzonderlijk cässchei de zenuwdraden der achterste Horerié worden aangetroffen en door hem zeer goed worden afgebeeld. Ook midden in de dens horens in de substantia gelatinosa beeldt Körrrker gangliëneellen af‚ die ik eveneens, maar dikwijls grooter heb aangetroffen, dan die door hem zijn voorgesteld $. Dit hangt Ener af van het deel van het ruggemerg, hetgeen men onder- zoekt; deze grootere zoowel als de buitenste, zoo even beschrevene, cellen wor- den vooral in de lendenaanzwelling aangetroffen, waar én de achterste horens breeder én de gangliëneellen ook grooter zijn, dan in het ruggedeelte.
SCHILLING schijnt deze Anghideellen niet naauwkeurig te hebben waar- genomen; althans ontbreken deze in zijne overigens zoo fraaije afbeelding van het ruggemerg.
Eindelijk hebben wij nog bestendig eene groep gangliëncellen aangetroffen, die ons zeer gewigtig voorkomen en waarvan vroegere schrijvers geene mel- ding maken, tenzij, hetgeen mij zeer waarschijnlijk voorkomt, Köfiieen deze
Zie onze Figuur 8 h g. } Mikrosk. Anat., 1. c. pag. 416 sq. Fig. 128.
l c. pag, 414, Fig. 126.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 51
cellen vermeldt, zonder echter het juiste verband aan te geven *. Deze cellen liggen zeer na in eene kleine groep bijeen, in de uitstraling der achterste graauwe commissuur, waarin duidelijk hunne draden overgaan ; waarschijnlijk is het aan de minder gunstige wijze van het vervaardigen der _ praeparaten en het verharden door acidum chromicum toe te schrijven, dat vorige schrijvers deze gangliëncellen en hun verband tot de graauwe achterste commissuur niet hebben kunnen ontdekken; Senirrine beeldt deze niet af, en zegt, dat hij niet durft verzekeren of deze dwarse vezelen der achterste commissuur ook dienen om de cellen onderling te verbinden $.
Intusschen zijn zij zeer duidelijk, ofschoon kleiner dan de cellen in de voorste horens; zij staan zeer digt bijeen; ook deze groep is in de lenden- aanzwelling rijker en duidelijker. Deze cellen onderscheiden zich van die in de voorste horens door een minder getal draden; vele zijn langwerpig, driehoekig, en de kleinere staan gemeenlijk zeer na bijeen. In de physiolo- gische verklaring van het ruggemerg zullen wij nader ook op deze cellen terugkomen, die uitsluitend met de achterste commissuur in verband staan.
Eindelijk zijn er nog afzonderlijke gangliëncellen tusschen de witte merg- stof of longitudinale draden; zij zijn gelegen in de zijdelingsche uitloopende draden der grijze stof, die zich bij eene dwarse doorsnede tusschen de merg- stof verdeelen, van welke stralen Srirring het eerst eene afbeelding gegeven heeft **, en die door Topp en Bowmar als processus van grijze stof worden beschouwd, waarin bloedvaten uit de pia mater dringen “j"{. Inderdaad bevindt zich in deze zijdelingsche stralen dikwijls ook een bloedvat, doch geenszins bestendig, die in sneedjes in chlorcalcium gelegd zeer duidelijk van de zenuwdraden zich onderscheiden laten. Deze cellen zijn in een gering aantal en steeds afzonderlijk; zij zijn meest in de nabijheid der grijze stof. Reeds
* L ce. pag. 413. Fig. 125. In zijne afbeelding der dwarse doorsnede van het ruggemerg, Tab. IV, Fig. 3, zijn de gangliëncellen slechts door stippen aangegeven, en zeer onnaauwkeurig: dit is meer eene schematische figuur.
+ Zie Fig, 1l gg. Fig. 12 kl. $ 1. c. pag. 58. **_Ueber die Medulla oblongata, pag. 5. Taf, 2, Fig. 1—4,
tt _Topp, in Cyclopaedia of Anat. and Phys. voce Nervous Syst, pag. 108. Topp and BowMaN, Anat, and Phgsio’, Pars II, pag. 259.
52 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
CLARKE, zoo als wij boven gezien hebben, nam deze gangliëncellen waar“; ook Körriker spreekt er over, zonder echter hunne waarschijnlijke physio- logische beteekenis aan te geven |.
Uit dit alles besluiten wij, dat, zooals Crarke teregt heeft aangegeven, er meerdere kolommen van multipolaire gangliëncellen in het ruggemerg aan- wezig zijn, die zich door de geheele lengte van het ruggemerg uitstrekken, waarvan die in de voorste horens de voornaamste zijn; vervolgens terzijde van de achterste commissuur; dan nog in het midden der grijze stof, tusschen de voorste en achterste horens, en eindelijk in de achterste horens zelve, als de kleinste. Deze kolommen zijn echter niet te beschouwen als geheel op zich zelve staande, integendeel hangen zij allen meer of minder te zamen. Vooral die uit de voorste horens strekken zich uit tot tegen het begin of de basis der voorste horens, of het midden tusschen de beide horens, en de hier geplaatste gangliëncellen hangen door hunne draden naauw te zamen met de groep ter- zijde van de commissuren $.
Deze verticale kolommen zijn echter, in de longitudinale rigting beschouwd, van zeer ongelijke uitbreiding; niet alleen zijn zij tusschen de cervicaal- en len- denaanzwelling grooter en rijker aan cellen, maar ook neemt het aantal cellen toe, waar de wortels der zenuwen in het ruggemerg en de grijze stof drin- gen; zij vormen dus meer of min zamenhangende groepen, die in eene lon- gitudinale rigting boven elkander geplaatst zijn.
Het gewigt, in eenen physiotogischen zin, van deze multipolaire cellen hangt ten naauwste te zamen met hare verbindingen, niet alleen onderling, maar vooral met de zenuwwortels. Wij hebben boven gezien, hoezeer de verschil- lende schrijvers op dit punt afwijken, dat echter, nadat Körrrker allen zamen- hang met zenuwwortels had ontkend, door lateren deze zamenhang meer en meer is bevestigd.
Nadat wij vroeger dezen zamenhang in eenige voorwerpen meenden met ge- noegzame zekerheid te kunnen aantoonen, hebben wij echter op nieuw, gehol- pen door de meerdere helderheid, die wij thans door middel van chlorcalcium aan onze mikroskopische voorwerpen aanbrengen, dit gewigtig vraagstuk zoo- veel mogelijk onderzocht. Ook hierbij heeft om de meerdere dikte der ze-
Phil. Trans. 1. c. p. 610.
t_Mikr. Anat, 1. c. pag. 416. Zie in cen overlangs sneedje deze cellen in Fig 6. g. $ Fig 12, Jk.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 5
nuwwortels het lendengedeelte van eene koe mij het beste voldaan. — Tot dit oogmerk make men zoo wel dwarse als longitudinale secties; de laatste zoo veel mogelijk bij de intrede der voorste wortels, in de rigting naar den voorsten hoorn der grijze stof, of liever evenwijdig aan den loop dezer zenuwdraden.
Bij eene dwarse rigting gelukt het meermalen de zenuwdraden zeer fraai en onafgebroken van buiten tot in den hoorn te kunnen vervolgen; zij onder- schu.den zich in dikkere en dunnere bundels, die vrij regt van buiten tot in de grijze stof doordringen; bij de intrede in de grijze stof liggen meest eenige multipolaire gangliëneellen, waarvan het somwijlen gelukt excentrische draden in de zenuwwortels of zijdelingsche uitstralingen te kunnen vervolgen, zoo- als zeer duidelijk door Crarke is afgebeeld *, ofschoon hij het gewigt van dit feit niet heeft erkend.
Ook mij is dit meermalen voorgekomen, waarvan ik in Fig. 5 eene zoo naauwkeurig mogelijke afbeelding heb getracht te geven; waar men tevens het net ziet van onderlinge communicatiedraden, waartusschen echter ook een paar bloedvaten, a a, zigtbaar zijn; terwijl men bij bbbb draden ziet van de gangliëncellen afkomstig, die zich in de zenuwwortels uitbreiden ; men hoede zich echter fijne bloedvaten, die de intredende zenuwwortels gewoonlijk ver- gezellen, met zenuwdraden of uitloopers der gangliëneellen te verwisselen. De zamenhang, of liever de oorsprong der zenuwen, aan de voor- of beweegzijde, nit de gangliëncellen, is mij echter gelukt veel overtuigender te vinden in eenige longitudinale secties. Nadat men eerst op de dwarse snede naauwkeurig de rigting van den voorsten hoorn en de intrede der zenuwen heeft bepaald, rigte men het mes zoo veel mogelijk parallel met de intrede der zenuw; maakt men dan in die rigting dunne plaatjes, die zoowel de intrede der zenuw bevatten, als ook tot in de grijze stof doordringen, dan ziet men zeer ligt de wortels der zenuwdraden dwars tusschen de longitudinale vezels tot den voorsten grijzen hoorn doordringen. Zeldzamer echter gelukt het bij het groot getal van gangliëncellen, dat men hier het verband met zekerheid zien kan ; meest loo- pen de zenuwwortels tusschen de gangliëncellen door en eindigen zonder met deze zamen te hangen, dat is, zij zijn afgesneden. Bij de dunheid van een dergelijk sneedje, en daar deze zenuwwortels niet geheel regt, meestal meer of min golvend verloopen, kan dit niet bevreemden; soms echter, wanneer men toevallig de juiste rigting getroffen heeft, is dit verband dan ook zoo over-
* Phil. Trans., 1. c. Fig. 15.
Ll!
VERHAND, DER KONINKL, AKADEMIE, DEEL II.
54 ANATOMISGH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
tuigend, dat het geen den minsten twijfel overlaat. Onder eenige sneedjes, waar het mij gelukt is, dit verband duidelijk te zien, heb ik één zoo getrouw mogelijk afgebeeld, waar vooral dit verband hoogst gelukkig bewaard was, en overtuigend duidelijk zich vertoonde; zoodat verre de meeste zenuwdraden op deze plaats zich tot in hun verband met de gangliënecellen lieten vervolgen.
Men ziet dit in Fig. 4 voorgesteld, waar slechts eenige weinige longitudi- nale mergvezelen, a a, bewaard zijn, om de teekening niet onnoodig te ver- grooten. Men ziet hier aan de benedenzijde, onder 1, niet minder dan 8 draden m verbinding met gan „liëncellen, terwijl van den bovensten bundel nog 4 draden zich tot gangliëncellen lieten vervolgen. Onder deze draden zijn die met 1 1 geteekend beide afkomstig van ééne gangliëncel, de vcorste in het midden, die aan iederen bundel eenen draad afgeeft; bij 2 ziet men twee draden, van het eene eind van eene gangliëncel afkomstig, terwijl de gangliëncel, gemerkt 4, eveneens twee draden afgeeft, die in eene scheeve rigting onder de andere zenuwdraden door naar den bovensten bundel bij 5 uitloopen, zooals ook de gangliëneel 5 nog een schains loopenden zenuwdraad afgeeft, die over eene andere gangliëneel heen loopende nabij 4’ uitloopt; bij 6 is de verst verwij- derde gangliëncel, die met de zenuwdraden te zamen hangt; alleen van den niet vervolgden bundel bij 7 vereenigde zich nog een draed met eene nog verder ge- legene eel, doch die ik, om de teekening niet noodeloos grooter te maken, heb weggelaten; verder ziet men hier zeer fraai, hoe vele gangliën zich onderling verbinden, zoo als de cel 8, en de cellen met 9 gemerkt. De meeste ver- bindingsdraden echter dezer cellen zijn afgesneden en vertoonen zich niet ver- der, terwijl nog vele draden, in het voorwerp zigtbaar, doch die zich niet heten vervolgen, en die de teekening slechts onduidelijk zouden gemaakt heb- ben, niet zijn opgenomen; daar het onmogelijk is den rijkdom in de natuur geheel in eene teekening terug te geven. Ook op meerdere plaatsen in dit- zelfde zeer gelukkig uitgevallen voorwerp was de overgang der zenuwdraden m de gangliëncellen overtuigend duidelijk; het voorwerp is uit het lenden- gedeelte van eene koe. Hieruit blijkt de oorsprong der voorste zenuwwor- tels uit de gangliëncellen zoo duidelijk, dat hieraan niet meer kan getwijfeld worden.
Maakt men eene dwarse snede, die zoo gelukkig genomen is, waarvan ik meerdere voorwerpen bezit, dat ze juist de intrede van een zwaarderen zenuw- wortel in de grijze stof vertoont, dan vind ik meest bij elkanderen twee zenuwwortels, die bij de intrede in den hoorn zich zijdelings en centraal
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. JJ
verspreiden en elkander overkruisen; vele draden loopen langs den buitenrand des hoorns, andere verspreiden zich midden door den hoorn, waarvan ScuiLLING eene zeer fraaije afbeelding heelt gegeven *, waarin echter slechts dunne zenuwwortels zijn aangegeven, terwijl, zoo als wij reeds boven hebben op- gemerkt, nergens eenige uitloopende draed of zamenhang der gangliëncellen met de zenuwen is uitgedrukt.
In een zeer fraai voorwerp, onder meerdere andere, was de verbreiding der zenuwwortels bij eene dwarse snede zeer duidelijk, waarvan ik eene zoo naauwkeurig mogelijke afteekening gemaak, heb in Fig. 5. Men ziet ook hier eene vrij zware zenuw a en eene dunnere b door het merggedeelte in de voor- ste grijze stof overgaan, waarvan eenige draden zich met gangliëncellen cc c vereenigen |.
Er kan dus wel geen twijfel overblijven, of de wortels der beweegzenuwen ontspringen uit het ruggemerg, en wel uit gangliëncellen der voorste horens, die onderling zich tot een net vereenigen, en dikwijls zich in meer of minder afgezonderde groepen verdeelen.
De hoofdvraag is dus: op welke wijze zijn nu deze zenuwwortels door mid- del van het gangliënnet, waarin zij overgaan, met de hersenen verbonden?
Dat de voorste meduliaire draden, die in Fig. 5 als dwars doorgesneden bij AAA worden voorgesteld, de dragers van de werkinx van onzen wil zijn op de bewegingszenuwen, is door alle physiologen erkend en aan geenen twijfel onderhevig. Niet zoo duidelijk is echter het verband aangegeven tusschen deze medullaire draden en de grijze stof. Om dit verband aan te toönen, is het noodwendig, dat wij eerst op eenige andere deelen van het ruggemerg opmerkzaam maken, hetgeen naar onze meening hiermede in een onmiddelijk verband staat; namelijk op de dwarse vezels, die tusschen de medullaire lon- gitudinale vezels aan alle zijden gevonden worden, en als stralen uit de grijze - stof zich tusschen de witte meer of min getakt verspreiden. Zie Fig. 12 fgh.
SrirLiNG heeft deze dwarse vezels het eerst zeer fraai voorgesteld $, hij
* De Med. Spin. text. Tab, T.
f Een rijk net van gangliëncellea was iets verder van den rand der grijze stof naar het midden toe geplaatst; doch om de teekening niet te zeer te vergrooten en te zamengesteld te maken, zijn
deze weggelaten, en de gangliëncellen ccc, die tot eene zeer rijke groep behooren, nog in de tee- kening gebragt, hoezeer zij iets verder afgelegen en de zenuwwortels te dezer plaatsen dus iets langer waren; de verbinding kan in eenige duidelijk worden nagegaan.
$ SrrLuine, Ueber die Tertur und Function der Med. obl. Pl. 1, 2. Ue
56 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
beschrijft deze als uiterst fijne verlengsels van graauwe dwarsvezels, die van binnen naar buiten gaan, zonder zich aan de periphaerie tot een zenuwstam te verbinden; deze fijne vezels begeleiden volgens hem meestal verlengsels der pia mater en vaten, en zouden als vaatzenuwen, die in de voeding van het ruggemerg en zijne deelen voorzien, moeten beschouwd worden *, In de medulla oblongata worden deze vezelen talrijker en meer zamengesteld, zoodat zij zelfs ten deele een zeer zamengesteld net vormen, welk net, volgens SriLLiNG, door een deel der achterste zenuwwortels zoude gevormd worden, die tusschen de longitudinale vezelen afgescheiden doordringen :f. Dat deze uitstralende vezeldraden meest tot de bloedvaten in betrekking zouden staan, is door de meeste schrijvers, zoo als wij boven hebben aangegeven $, aange= nomen. Körrrker beschouwt echter deze stralen als het vervolg der moto- rische zenuwwortels, en wel van de buitenste in de voorste horens intredende wortelvezels, die volgens hem, meest in kleinere bundels of zelfs in enkele vezels opgelost en daardoor minder duidelijk te zien, voor een gedeelte naar achteren, voor een gedeelte boogvormig naar buiten verloopen en zich einde- lijk naar de voorste helft der zijstrengen toewenden, waar zij door de uitwen- dige groep van gangliëncellen (zonder zich volgens Körriker hiermede te verbinden) doorgaan en in de zijdelingsche strengen zich verliezen. Hij zegt verder, dat in longitudinale secties men wel niet hunne verbinding met de voorste wortels, maar (hetgeen gewigtig is) wel hunne verbinding met de zijstrengen erkent. Deze dwarse vezels dringen tot een verschillenden af- stand in de zijstrengen in, tot na aan de helft of zelfs verder, buigen zich dan naar boven om, en verloopen nu als longitudinale vezels verder **, In zijne schematische figuren teekent hij deze dwarse stralen echter niet af if.
Crarke schijnt deze stralen geheel alleen als bloedvaten te beschouwen, hetgeen waarschijnlijk het gevolg is van zijne wijze om de sneedjes te be- reiden, waarbij de fijnste zenuwvezels zoozeer veranderd worden, dat zij on=
* Lc. pag. 5. Ook in zijn vroeger werk Ueber die Terxtur des Ruckenmarchs, maakt hij van deze dwarse vezels gewag, zonder die echter duidelijk af te beelden, pag. 21 sq.
t Le. pag. 8. $ 1. c. pag. 30. ** _KörLiken, Mikrosk. Anaf. pag. 419.
++ 1, ce. Tab. IV, Fig. 8.
ll
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 5
zigtbaar zijn, terwijl de bloedvaten duidelijk te voorschijn treden; hij beeldt dan ook alleen bloedvaten af met hunne menigvuldige takverdeelingen *.
Scuirring spreekt van dezelfde dwarse vezels en zegt, dat de substantia einerea onder het mikroskoop beschouwd, als met vele tanden en scherpe naalden voorzien zich vertoont, en duidelijke verlengsels uitzendt, waarvan vele door de witte stof tot aan den omvang van het ruggemerg doorloo- pen j. Zeer vreemd is het echter, dat Scmrrrrne, die ook aanneemt, dat de zenuwwortels in de grijze stof eindigen en in gangliëncellen over- gaan, toch deze zijdelingsche stralen, ofschoon zij geheel niet met de zenuw- wortels te zamen hangen, voor scheef indringende zenuwvezels houdt, die om die reden bij eene dwarse doorsnede zich slechts voor een gedeelte zouden vertoonen en niet tot aan de peripherie doordringen $; om deze redenen houdt Semrrrive dan ook met Körrrkenr alle dwarse draden in het merggedeelte voor zenuwdraden **. Hoe het echter mogelijk is, zich deze dwarse stralen in de zijdelingsche strengen als verlengsels der zenuwwortels voor te stellen, die in de grijze stof in de gangliëncellen zouden eindigen, begrijp ik niet: men behoeft slechts de afbeelding van Scururine zelve te raadplegen, om overtuigd te zijn, dat de dwarse stralen in de zijdelingsche strengen buiten alle verbinding zijn met de voorste zenuwwortels "j"f. Reeds Toon en Bowman hebben dit denkbeeld, hetwelk vroeger door SriLring ook reeds is voorge- steld, teregt wederlegd SS.
Uit deze opgaven blijkt duidelijk genoeg, dat men omtrent den aard en het wezen dezer dwarse vezels geenszins tot eenig duidelijk begrip is gekomen; ten gevolge echter van mijne onderzoekingen, vermeen ik het schijnbaar raad- selachtige dezer vezels genoegzaam te kunnen verklaren. Door de gekromde en zich verspreidende loop dezer dwarse vezels door het merg, gelukt het zeld- zaam deze dwarse vezels en hun verband tot de longitudinale strengen te vinden; het is mij echter inderdaad gebleken, dat zij zich ombuigen en in
* Phil. Trans. 1. ce. pag. 615, Pl. XXT, XXII, XXIV, XXV. f _ScurLune, 1, c. pag. 11.
$ Lc. pag. 26.
eer 1e pag. 80;
4-1. c. Tab. IL
$$ Physiol, Anat, Part 2, pag. 259.
58 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
de longitudinale vezels overgaan, zoo als ik in Fig. 6 naar een zeer gelukkig longitudinaal sneedje, uit de voor-zijdelingsche strengen genomen, heb afge- beeld; men ziet hier de dwarse strengen ed zich in de longitudinale vezels ombuigen; doeh tevens de binnenste longitudinale vezels zich naar de grijze stof ombuigen en in de gangliëncellen overgaan bij a g, iets hetwelk ook SCHILLING afbeeldt, en zegt slechts eenmaal te hebben waargenomen *. Wij hebben dit meermalen aangetroffen en in dat voorwerp kwam dit op meerdere plaatsen voor, waarvan slechts een gedeelte is afgebeeld
Zelfs nog tusschen de longitudinale strengen ontmoet men somwijlen eene gangliëncel $, die waarschijnlijk dient tot verbinding van de longitudinale veze- len met de dieper doordringende dwarse stralen. Deze gangliëncellen hangen door hunne communicatiedraden met andere gangliëncellen te zamen, zooals ook im de afbeelding is aangegeven. Zeer duidelijk echter blijkt het verband dezer vezelen in de vroeger reeds vermelde dwarse doorsnede, in Fig. 5. Men ziet hier namelijk twee zenuwwortels, a b, in de grijze stof indringen, die van hunne intrede in het ruggemerg tot in de grijze stof zeer fraai zich ver- toonden, maar waarvan, om de figuur niet te zeer te vergrooten, slechts een klein gedeelte der stammen is afgebeeld. Aan weerszijde van deze zenuwen ziet men bij f‚g, hen ì de dwarse vezelstralen uit de grijze stof zich in het witte merg AAA begeven, waar zij, na vele vertakkingen gemaakt te hebben, te niet loopen vóór zij den buitensten omtrek van het merg hebben bereikt. Bij feng ziet men eenige dezer vezels terstond in gangliëncellen overgaan ; andere vezels buigen zich echter regts en links om langs de peripherie der grijze stof. Bijzonder duidelijk echter is dit in de vezels van de stralen #, waarvan eenige nog uit de verdere in de figuur niet opgenomene meer zijde- lingsche stralen ontstaan, en zich meest alle naar de zenuw ombuigen en tus- schen de vezels van den zenuwwortel zonder eenige vermenging doorgaan, om te eindigen in de gangliëncellen bij e en d; hetgeen in dit voorwerp over- tuigend duidelijk was. Deze gangliëncellen hangen weder te zamen met het groote gangliënnet, waarvan de cellen eee, waaruit de zenuwwortels hunnen oorsprong nemen, een klein gedeelte uitmaken. Een bundel van den zenuw-
* _ScarLune, 1, c. Tab, II. Fig._a b, pag. 39. + Fig. 6 bij a en 9.
$ Fig. 6 bij g.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGENMERG. 59
wortel a ziet men echter ook nog schuins in de straal h overgaan, en van hier verder in de grijze stof dringen en in gangliëncelien eindigen.
Uit dit alles is de beteekenis dezer draden n'et moeijelijk : de longitudinale witte strengen namelijk blijven, gelijk alle schrij vers hebben opgemerkt, meest eenen parallellen loop houden, en schijnen nergens te eindigen; doch uit de grijze stof stralen zijdelingsche dwarse bundels uit, die zich tusschen de witte strengen verdeelen en verspreiden, en hare vezels opnemen, Fig. 6 c‚ed f; zoodat de longitudinale vezels, als dragers van onzen wil, in deze dwarse vezels overgaan, waardoor de indruk van onzen wil langs deze stralen naar het gangliënnet wordt overgebragt, waaruit de beweegzenuwen haren oorsprong nemen. Dit verklaart van zelf, waarom aan den buitenrand der grijze stof zoo- vele gangliëncellen gelegen zijn, waarin men de zenuwwortels niet ziet over- gaan *; deze laatste ontspringen meer uit het midden van den voorsten hoorn, namelijk uit de gangliëngroep, die aan alle zijden communicatiedraden ontvangt, die uit de randgangliën of uit de dwarse stralen zelve ontstaan.
Niet altijd echter ziet men eene dergelijke overkruising der dwarse straal- vezels met den zenuwwortel bij zijne intrede; somwijlen schijnen de draden van den zenuwwortel zelve voor een deel zich langs den rand der grijze stof om te buigen, en hier in cellen, die met de straalvezels te zamenhangen, over te gaan, terwijl andere vezels meer het midden houden en tot de hoofdgroep der gangliëneellen doordringen.
Deze dwarse straalvezels zijn dus de communicatiewegen tusschen de voorste en zijdelingsche longitudinale strengen met de grijze stof, of liever met de gangliëneellen, waaruit de zenuwwortels ontspringen. Hieruit verklaart zich ook waarom de longitudinale vezels dezer witte strengen zulk eenen evenwijdigen loop bewaren; zij moesten immers een meer gevlochten aanzien vertoonen, indien gedurig bundels der longitudinale vezels van buiten tusschen de anderen door zich naar het centrum in de grijze stof begaven: nu integendeel blijkt het, dat de grijze stof dwarse stralen afzendt, die zich tusschen de longitudinale vezels meer en meer verdeelen, en zoo eindelijk zich ombuigende deze vezels
* Door deze waarneming werd CLARKE, zooals wij boven gezien hebben, misleid, daar hij, ziende dat de verlengde draden der gangliëncellen ook in de zijdelingsche stralen uitliepen, die met geene zenuwwortels in verbinding stonden, maar volgens hem meest uit bloedvaten bestonden, besloot, dat de verlengde draden der cellen in de zenuwen zelve, die hij zoo fraai af beeldt, ook niet met de zenuw- wortels in verband konden staan, maar slechts dienden om de vaten te vergezellen. Zie boven pag. 17
40 ANATOMISCH PIYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
opnemen, of, als men wil, daarin overgaan. Van hier ook, dat deze stralen het menigvuldigst zijn, waar de zwaarste zenuwen ontspringen, of waar de meest zamengestelde zenuwverbindingen gelegen zijn; men vergelijke slechts de drie eerste afbeeldingen van het werk van SrrrriNg, over de medulla oblongata, om zich hiervan te overtuigen, b. v. PI. II, Fig. 1, uit het ruggegedeelte, met Fig. 5 en 4 uit de cervicaalaanzwelling. Regt duidelijk echter kunnen wij dit verband eerst aangeven, wanneer wij tot de physiologische explicatie van dit verwonderlijk weefsel der vezels in het ruggemerg gekomen zijn, waarop wij den lezer verwijzen, doch waartoe wij vooraf het zamenstel van het rug- gemerg en haar weefsel in zijn geheel moeten verklaren.
Veel moeijelijker is het onderzoek omtrent het zamenstel der achterste horens en de hierin tredende zenuwwortels: deze grootere moeijelijkheid ont- staat ten deele door de meerdere zamengesteldheid van de hier in zeer ver- schillende rigting loopende vezels en hun onderling verband; deels door de grootere fijnheid der zenuwdraden, zoodat het veel moeijelijker wordt die met genoegzame duidelijkheid, althans afzonderlijk te volgen; deels ook door de zoo opmerkelijke verschijnselen der reflexie, die onbetwistbaar in het rugge- merg plaats hebben, en waarvan eene voldoende verklaring zulk een groot struikelblok voor de physiologen heeft uitgemaakt. Het is dan ook niet vreemd, dat omtrent het zamenstel van dit gedeelte en het verloop der gevoelwortels, verschillende denkbeelden door onderscheidene schrijvers zijn voorgesteld.
Wij hebben reeds boven (pag. 5 sq.) gezien, dat, om deze verschijnselen van reflexie te verklaren, Vorkmann zijne toevlugt nam tot het denkbeeld van eene dwarsleiding, waardoor dus een prikkel van eene gevoel- op eene bewegings- zenuw zoude overspringen *. Waarer stelde de zeer ingenieuse hypothese voor, dat de multipolaire gangliëneellen het verband tusschen deze zenuwen uitmaak- ten en hierdoor de prikkel van de gevoel- op de beweegzenuwen werd overge- bragt f. Deze zoo eenvoudige en waarschijnlijke verklaring werd door de meeste latere schrijvers verworpen. Nadat Marsmarr Haru het bestaan van reflex- zenuwen of excito-motorische had voorondersteld en aangenomen, werd het bestaan dezer zenuwen door meerdere schrijvers bestreden; uitvoerig zocht
* Phys. Wort. 1, c. pag. 528.
t Le. pag.398 sqq. Zie boven pag, 6.
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 41
vooral Topp het aanwezen van dergelijke zenuwen te wederleggen *. Topp en Bowman nemen aan, dat beide de voorste en achterste zenuwen in de grijze stof en het ruggemerg eindigen, en verzekeren, dat zij na scheiding van het ruggemerg en volgens de rigting der achterste wortels gevonden heb- ben, dat deze wortels blijven doorgaan tot in de voorzijdelingsche strengen, en weinig of geene verbinding hebben met de achterste strengen f. Zij stellen zich voor, dat de voorste strengen van het ruggemerg dienen voor gevoel en beweging tevens, en dat de achterste strengen, die volgens hen in de ach- terste hoorns overgaan, als verbindingsvezelen tusschen de hersenen en het ruggemerg de coördinatie der bewegingen te weeg brengen $.
Crarke meent, gelijk wij boven zagen, eveneens dat de wortels der ach- terste zenuwen door de achterste hoorns der grijze stof heen met de voorste wortels en de eommissuren zamenhangen ; eenige draden gaan, volgens hem, weder uit de grijze stof, en hangen dan te zamen met de achterste en zijde- lingsche strengen **).
Semirrine, die, zoo als wij gezien hebben, de voorste wortels van de gangliëncellen doet ontspringen, zegt, dat de achterste wortels nimmer tot in de voorste hoorns doordringen; ook hij erkent het hoogst bezwaarlijke om deze fijne draden te vervolgen; hij meent echter, dat de achterste longitudinale draden uit de vezels der achterste wortels bestaan “; in de gelatineuse stof van de achterste hoorns zag hij echter nooit vezels of bundels in de longi- tudinale draden overgaan $$, maar zag bundels der achterste wortels zich naar boven, en‚ hetgeen opmerkelijk is, ook naar beneden zich ombuigen, die in de longitudinale vezels zich schenen te verlengen **. Volgens hem dringen alle zenuwwortels in de grijze stof “j"j"j, maar de achterste vormen longitudinale
*__Physiolog. anat., Part 2, pag. 307 sqq. en vooral Cyclopaedia of Anat. and Phystol. voce Physiol. of nervous system, 121, U. sqq.
f_ Yopp and Bowman, Phystol,, anat. 1. c. pag. 302. $ Lc. pag. 321.
1% CLARKE, Phil, Transact., 1. c. pag. 616.
Tt _Scnmmuare, l, c, pag. 40.
$$ 1 ec. pag. 31.
hduhd
L, ec. pag. 31, Tab. II, fig. 1 e. tft Lc. pag. 56.
VERHAND, DER KONINKI. AKADEMIE, DEEL II. 12
42 ANATOMISCH PHYSIOLOGISCH ONDERZOEK OVER HET
bundels in den grijzen achtersten hoorn, waarin zij overgaan *, Evenzeer be- klaagt zich Grarrorer, dat hij in het onderzoek over den oorsprong der ach- terste wortels minder gelukkig is geweest; hij ‘meent echter, dat deze wortels in de achterste longitudinale strengen zich ombuigen, en hierin overgaan f.
Ook wij bekennen gaarne, dat het onderzoek omtrent den oorsprong en het verloop der achterste zenuwwortels ons veel moeijelijker is voorgekomen dan van de voorste; door onze heldere en duidelijke praeparaten, door middel van chlorealeium, meenen wij toch eene schrede verder hierin te zijn gekomen. Indien men bij de intrede der achterste wortels eene longitudinale, dunne snede vervaardigt, ziet men doorgaans, dat een of meerdere wortels het rugge- merg intreden, maar dan zich terstond naar boven in de longitudinale stren- gen ombuigen; zoodat het overtuigend is, dat althans een gedeelte van de zenuwvezels direct in de achterste longitudinale strengen overgaan.
Wij hebben hiervan eene teekening vervaardigd, Fig. 7, waar men bij a tot b een wortel zich terstond in de longitudinale strengen ziet ombuigen; deze strengen worden weder door andere gedekt, en men kan die in gelukkige sneedjes vrij verre vervolgen; zij loopen parallel met de witte vezels naar boven, waarvan zij dan een gedeelte uitmaken, en worden dan door hooger ontspringende gevoelzenuwen gedekt, zoodat zij min of meer laagsgewijze (ümbricatim) op elkander gelegen zijn. Van dit verloop of intrede der gevoel- zenuw bezit ik meerdere voorbeelden, zoodat het mij inderdaad vreemd is, dat deze loop dier zenuwwortels door andere Schrijvers niet genoegzaam is opgemerkt, die meest allen deze zenuwwortels tot in de achterste hoorns zoch= ten te vervolgen, en waarschijnlijk de ombuiging juist onder de pia meninx hebben voorbijgezien, hoezeer RrmacK dezen loop der gevoelzenuwen in den kikvorsch reeds in 1844 heeft aangegeven $, en reeds EnRENBERG, VALENTIN en Bumper met hulp van het mikroskoop de gevoelvezelen zich naar boven zagen ombuigen **. Zooals wij boven reeds hebben opgemerkt, is het onderste gedeelte van het ruggemerg bij koeijen, waar de gevoelzenuwen zoo zwaar zijn, voor dit onderzoek het geschiktst; waar zij bij andere dieren dunner
* pag. 61, N° 5, Tab. TI e.! f Zie boven pag. 23. N Murrer, Arch. 1844, pag. 177, Tab, VII, Fig. 6, g, u, s
VOLKMANN, Nervenphys. 1. c. pag. 511,
mar
le
FIJNERE ZAMENSTEL EN DE WERKING VAN HET RUGGEMERG. 45
zijn, worden zij door de snede ligt afgescheurd, en men kan het verband niet meer met duidelijkheid vinden. Behalve deze naar boven in de longitu- dinale strengen overgaande wortels, komen uit de achterste strengen uit af- zonderlijke bundels ook dwarse vezels, die zich naar het centrum of den achtersten hoorn begeven *, waarvan het echter bijna nimmer gelukt in eene longitudinale snede den loop ver te vervolgen, doordien zij te bogtig loopen +. Des. te beter gelukt dit in eene dwarse snede