V. ':^}^- :;j^C'./ .;• • •' V "'^ ■;/; ^ ■; /V '; ^:;^^.-v^ :^:;: ;^.' •;;(^*^'^ • -■ >^:f . ■'
^B"^ * ;-;\ ■-;^-'^;-'' ■■-•^7-:''-^- '•'^^;!^'' ■':.v^'•'■''^^'^'.;•^it:*'v>-■•■v-^^.;■^<v.'• . ■■•/•
' ^ »■■*' ■.";■' '•*•*-■*■,■ ■''■.%■ --V. '\* ■■'"■'• VI- f 'Vi'x'" ■/."■-.•■:'•.-•."•»,■•.•••••■, "'■■ ;'■•"*■.'"■' -*
^= t :-^^. -.r ■'?::^.l^•:•;^"'i■-^i>-*■::^':^''fv:■^•. ?.?.■■•• :-.-': -■••.■..■.'■ : -ï -'v".:' k-:J;, .^;;f :'^/jl;^^J••;^;;/vvv,^ ■■•■v; -i-v> .'■••■'•f r^^;,-;-.^ " , i'.'* ''r: '.•■•'-'■■
•-.•■■^^s'*'i '"•vjj .,.-?• r■•'.•:■.♦.^. ■>.,..■;- «-^-'-v.-^';; .'• ^r;i''-:v •••. ^%>'.,.; ■ ;\ •; ;:■;':• •,■ • ■^. ■ :-r...>-.v.. ■ -vr^ <•/•;-.-• '-A- - • •■ ■ -■■ i'-J- >•• :■■:•.•■■.-• .-• .•• v'«*-^-,:/-sï-^;--;vv^- .*• • ;,- •■ '■ :-,-..^ *;..:> ,■:--:; ^.*: .\ '::^^ -■>- V •■■ • V-v'-i .^'.Cvi:;^:^ -'-V. ■• J?r-: ^-^ ■' ^' ■ ' " -•■
, "■:.'".•- -'a'-:v;i-^-' ■^■■;;v:•.• v.i^,;/:V^:,--,v .••..;: ■•v •':::•: :i:.- f >.-t .V T'^- ■■'■
!t" ;^-;-- '■■*—;'-'.*■ " • .'- " "^^ ." V ■.;•-..:«■* ..'.■ •v"'j.l V-.*iv-' -. " *^~ t^ ï"---''^^-- v%''.* ■ •• ■'^■''. • .
. ■"■.»»•■
■ - ;»\ .
■;*.''.''^ , , _
■•■'.■/•>.-••.•■■ ■ :• • •' .■ ••!.■'■». •' -■■■•-•• T ■.■•■. :j
,:: .' . •■ T-*- . * • .• .-.-.• ,•«-..;.•*. • ■■. ■ .■•■.'*.■■;.
^. •*■"-.'■"■;-!-•.-■ ■J'^V'V .;.:^ /■" ;.-.'.: '.fv f"^"'* V'v -.^.v '>..".. ..• . . .-, .
•-■-■•••■■'* .i.J'Jl :• ,'.;■•• ■ »•*.■ :: /, ■ -..•.••<•*■. ,•.■';.••>■■■■•,•">.■. -•', •-■-.:■■ •■- i.* • '• ■ ■■? .
h\\
Presented to the
LIBRARY of the
UNIVERSITY OF TORONTO
by the
INSTITUTE FOR
CHRISTIAN STUDIES
n,
.^:i
.P5
I!.;."'
k/'^
"""''O. oHum, ^^^^
n
ALGEMEENE KERKELIJKE
GESCHIEJDENIS,
-<5-
'j fi ^H ?^'7 ')^^
DER
CHRISTENE N. 1
fORCKKisr;^
■■ m
in
^% ONTARIO, ^^^""^
l
ALGEMEENE KERKELIJKE
GESCHIEDENIS,
DER
CHRISTENEN,
DOOR.
IJSBRAND VAN HAMELS VELD.
VIJFDE DEEL.
MET PLAATEN.
*
TE HAARLEM B IJ
F Pv A N g O I S B o H N,
W D C C C I I»
\(
■r
INHOUD
VAN HEf
VIJFDE DEEL.
DERDE BOEK.
Devattende het derde tijdperk; van de regeering van den Keizer konstantyn den Grooten, in het begin der vierde eeuw , tot de opkomst van mohaimmed , in de zevende e^uw.
VIERDE HOOFDSTUK.
Korte fchets der Wercldb'jke Gcfchiedenis , van de dood van Keizer juliünus, tot den on- dergang van het Westersch Keizerrijk; van het jaar 363 tot 476. . . . Bladz. i.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Toefland der Geleerdheid , ten tijde van het ver- val des Romcinfchcn Rijks. . . 135.
ZES-
/
INHOUD.
ZESDE HOOFDSTUK.
Inwendige gefteldheid der Christen -Kerk, aan- zien der Geestelijkheid , gezag der Bisfchop- pen, Khiizenaars en Monniken. Toeneming ovan het Bijgeloof. Behandeling der Heilige Schriften enz, ....
22Ö.
KER-
KERKELIJKE
GESCHIEDENIS.
DERDE BOE K.
KEVATTENDE HET DERDE TYDPERK ; VAN DR REGEERLXG VAN DEN KEIZER KONSTANTYN DEN GROOTEN , IN HET BEGIN DER VIERDE EEUW, TOT DE OPKOMST VAN MOHAM- MED, IN DE ZEVENDE EEUW.
VIERDE HOOFDSTUK.
Korte fchets der Wereldlijke Gefchiedenis , van de
dood van Keizer Julianus , tot den ondergang
van het Westersch Keizerrijk i van het
jaar 363 tot 476.
l_>e dood van den Keizer julianus bevrijdde de III
Christenen van de vreeze , welke zij , met recht . ®"'^*
voor het behoud van hunnen Godsdienst, uit zijn Hoofdfl.
gedrag hadden opgemaakt , en gaf hun het over- "^ C. G.
wigt over de Heidenen weder, hetwelk zij, onder ,.'gj^'"^-|'
de regering van konstantyn den Grootcn^ en zij
ne Zonen , verkregen hadden. De opvolger toch J'^'^'-'^'^us
X & Keizer 11a
van JULIANUS, joviANus, hoofdman der lijfvvach- de dood
ten, die, terflond na julianus dood, door het le-i ^'^" J'-'^^'
\r -r\ A ANUS,
V. Deel. A ger
s K E R K E L IJ K E
III ger ( **) , tot Keizer werd uitgeroepen , was een ^ly^ ijverig Christen. Zich in het midden van 'svijands Hoofdft. iiinfï bevindende, en gebrek hebbende aan alles, na C. G. (5ewiil de fchepcn, die levensmiddelen -hadden kun- tot 4-0. "^" aanvoeren , op julianus bevel , verbrand wa- — — — - ren, en het leger daarenboven dooi' de Perfen van de rivier den Tigris was afgeftieden , floot jovia- Nus eenen wel zeer hadeligen, maar in alle opzich- ten noodzaaklijken vrede met de Perfen^ voor den tijd van 30 jaren , bij welken hij vijf Provintië4i , langs den Tigris , waar onder ook Mefopotami'é , en de ftad Nifibis^ die een voormuur van het Ro- meinfchc gebied in deze oorden was, en meer dan ééns de Perjifche magt gefliLÜt had, aan de Perfen moest afflaan. Voorts was zijne regering te kort, om iet merkwaardigs tot welzijn van het rijk te -Verrichten. In de agtfte maand zijner regering, in het 33fl:e jaar van zijnen ouderdom, werd hij, op
zij-
(*) De Christen -Gefchiedfchrij vers, (socrates Hist. Eccles. IIL 22. sozoMEN. VI. 3.) verhalen ons, dat jo- viANUs eerst geweigerd hebbe, het Keizerrijk te aanvaar- den , vóór dat het krijgsvolk beleden had , dat zij Chris- tenen waren. (Vergelijk ook theodoret. Hlit. Eccles. IV. I.) Doch, hier van weet ammianüs marcelliisus Hlst. XXV. 5. niets, die integendeel verhaalt, dat het leger in twee partijen verdeeld was , en dat joviam's , door het onduimig gefchreeuw van eenige weinigen, die door de overigen blindelings gevolgd Vv-erden, het rijk verlcregcn hebbe.
GESCHIEDENIS. -3
zijne terugreize naa Konftantimpolen ^ in zeker vlek lir op de grenzen van Galoti'è^ dood in zijn bed ge- ^^fJ^ vonden, zijnde vvaarfcliijnlijk geftikt, door den damp Hoof'dfl. van kooien , die men , in zijne kamer , geflookt had. na C. G. De rieidenfche Schrijver ammianus (*) prijst hcra , ^^q^^^^ ^|* als een' zacht en goedjiartig Voorst, niet ontbloot -
van geleerdheid, maar geneigd tot onmatigheid en welhist, ondeugden, zegt deze Schrijver, welke hij, uit achting voor zijnen hogen fiand, gewis verbe- terd zou hebben.
De zachtheid , welke ammianus in dezen Keizer Hij ver- prijst, ontdekte zich, bijzonder, in ziin gecü-ag om- '^f^*- ''''''?. trent zijne Heidenfche onderdanen. Volgends den heid van Heidenfchen Wijsgeer en Redenaar therustius (f}-, G<3ds- gaf hij , bij eene uitdruklijke wet , aan alle zijne on- derdanen volkomene vrijheid, om zoodanigen Gods- dienst te belijden en te volgen, als zij zouden goed- vinden; hij bewees ook aan het lijk van julianus alle eere, en liet hetzelve, in gevolge den wensch van jüLiAAN, kort vóór zijn overlijden geuit, te Tarfus in Cilic/e , ftaathjk ter aarde beftellen (§}. Geduurende zijn verblijf te Antiöchie ^ herriep hij echter alle wetten , welke door julianus , ten na- deele van de Christenen , waren uitgegeven ; hij gaf aan de Kerken , Kerklijken , gewijde Maagden en Weduwen , alle de voorrechten , vrijheden , en ont- flag van lasten , weder , welke zij onder konstantyn
ge-
(*) Hist. XXV. 10.
(t) O rat. XII. pt^x- ^77' ^^- P^'^'^'ü et apud so- CRAT. Hiit, Eccles, III. 25. (f) AajMUK. XXV. 9.
A 2
4 K E R K E L IJ K E
III genoten hadden, maar daar zij door julianus van
^^^^ ontzet waren ; ook riep hij de gebannene Bislchoppen ,
HoofdH. uit hunne bïtllmglchap , terug , herflelde ha Labarum ,
na C. G. of ^^^^Y\ (landaard met het teken van het kruis , on-
tot 476' <-^cr KONSTANTYN iugevoerd ; met één woord, hij
— gaf aan het Christendom deszelfs aanzien weder (*).
Het is waar, socrates (f) verhaalt ons, dat ter- ftond na jovianus verheffing op den troon , alle Heideniche Tempels gefloten werden , de Afgods- priesters zich in hoeken en winkels verbergden , en de Wijsgeeren , om niet bekend te worden , hunne wljsgeerige mantels aflegden enz. libanius , de Heidenfche Wijsgeer, klaagt (§), over het verwoes- ten van Tempels, over het dagen van Heidenfche Priesters voor de Rechtbanken; over het mishande- len der Wijsgeeren , en meer dergelijke verdrukkingen , doch, het blijkt niet, dat iet van dit alles op Kei- zerlijk bevel ondernomen zij ; waarfchijnlijk , zijn dit, hier of daar, bijzondere gevallen geweest, in plaatzen, waar de Heidenen, onder julianus, de Christenen verbitterd hadden , die nu, op hunne beurt, zich niet binnen de palen gehouden hebben. En daar uit zal men dan themistius (**) verkla- ren kunnen , daar hij den Keizer prijst , dat deze de Tempels hebbe laten openen, en de gewone of- feranden in dezelven verrichten.
Na
' (*) sozoMENus His^. Eccles. VI. 3. (t) Hi'sf. Eccles. III. 24.
*(" § ) Orat. parcvtal. in Jvlianuv.i , in FAsnicn Bihl, Cr^'c. Vel. VII. pag, ^(^9- ft- (**) ^- ^H"'^ CU.
GESCHIEDENIS. 5
Na de dood van jovianus, werd valentinia- III
Nus tot Keizer verkozen, die, zijnen Broeder va- ^^^
LENS tot mederijks-beduurer aangenomen hebbende, Hoofdfl..
het rijksbcftuur dus met denzelven deelde, dat va- ^^ C. G.
LENTiNiANus, het Westcn voor zich behoudende , ■'qJ'^ ^^^*
het Oosten aan valens overhct. De toeftand des
rijks vereischte thans eene dubbele zorg en waak- ,^^senng
-' van VA-
zaamheid; uit hoofde van de invallen der aangren- lentiini-
zcnde onbefchaafde volken: De Sarmaten en Qua- ^"^^^^^^^
VALENS.
den ontrustten Panmnië; de Akmannen GaUi'è en Rhetië; Brïttanni'è werd van de Schotten en Pik- ten , en Afrika van andere volken verwoest ; ook had de Perfifche Koning sapor den oorlog ver- nieuwd, onder voorwendzel, dat hij den laaiden vrede met jovianus , en niet met het ryk , gefloten had. valentinianus, die vele goede hoedanig]ie- dcn bezat, en krijgskundig was, befchermde, ge- • holpen door zijnen veldheer theodosius , het Wes- ten met goed geluk. Men befchuldigt hem alleen- lijk van buitenfporige drift en toorn , die henï nu en "dan eene ftrengheid deed oefenen , welke naar wreedheid zweemde. Deze woeste drift kostte hem , ten laatflen, het leven. In eenen oorlog met de Qjfaden, vertoornde hij zich, tegen de afgezonde- nen van dit volk, zoo zwaar, en fprak hen, met zoo vele hevigheid, aan, dat hij, door het berfien van eene ader, in onmagt gevallen, koit daar op den geest gaf, in het twaalfde jaar van ziiiie rege- ring, in het jaar 375, hebbende liij zijnen Zoon GRATiANus , uog ceu kind zijnde , reeds in het jaar 3^7, tot Jifgfjstus, of Mede-Keizer, laten uitroepen, A 3 dk
$ K E R K E L IJ K E
lïl die hem ook opvolgde (*). Zijn Broeder valens ^^F^" overleefde hem naaiiwlijks twee jaren, alzoo hij, in Hoofdft. het jaar 378, in eenen veldflag tegen de Gothen^ iin C. G. fneiivelde. De Gothen naamlijk vvai-en door de tot A.~6 Hunnen , een talrijk en oorlogzuchtig volk , die in - Afi'è^ aan gene zijde de Wolga en de Don^ woon-
den, en thans naa Europa overkwamen, uit hun land verdreven, en hadden zich, met toeflemming van den Keizer valens, in Thracië nedergeflagen ; doch hier door de Romeinfche Bevelhebbers en Landvoogden mishandeld en getergd wordende , hadden zij de wapens tegen den Keizer zelven op- gevat, na wiens nederlaag en dood, niet alleen Thracië , maar ook Illyri'è , Macedonië en Grieken- land^ voor hunne plunderingen en verwoestingen blootgefteld waren (f). /
Wetten Zeer verdraagzaam handelden beiden, valentï-
v,in deze nianus en valens , omtrent den Godsdienst. „ Hij Keizers , ^ . , „ ,„:!
omtrent •>•> j'^^'^^t zich , zegt ammianus marcelllnus (§)
de Heide van valentinianus Iprekende, „ door gematigd-
"^"* ,, heid roemwaardig gemaakt , doordien hij tus-
„ fchen de verfcheidenheid der Godsdienften in het
,, midden ftond, en niemand ontrustte, noch be-
„ val, dat dit of dat zou vereerd worden: Ook
„ heeft
(*) AMMIAN. MAKCELL. Hist. XXVI. I. XXX. p. ZO
snvi. Hisf. III. 36. IV.^i- 17. socRAT. Hist. Eccles. IV. l. fq. Cap. 31. sozoM. Hist. Eccles. VI. 4, 36.
(r) AMMIAN. MARCELL. XXVl. 4, XXYH. 5. XXVIII.
XXXI. i-i6. zosm. IV. 4-24. t-^-'j '''■•.■' (S) Hist. XXX. p.
GESCHIEDENIS. 7
„ heeft hij, door geene dreigende wetten, den hals III ,, zijner onderdanen gebogen, tot het gene hij zelf ^'^^^ „ diende." Hij liet de ftandbcelden te Rome blij- [loofdft. ven , welke der ftad tot fieraad verllrekten (*). Bij na C. G. eene openbare wet, gaf hij aan elk eenen vrijheid, ^^^ ^,^|
om dien Godsdienst te volgen , welken hij van zij
ne jeugd af aangenomen had (f). Hij verklaarde in het bijzonder, in het jaar 371, dat hij de waar- zeggerijen niet verboden wilde hebben, omdat zij niet onder de toverijen (^Makficia ^^ behoorden, raids zij , op eene onfchadclijke wijze , geoefend werden (§). Ook liet valentinianus het altaar der overwinning , in het Raadhuis te Rome , het- welk JULIANUS herfleld had, ftaan blijven (**). Bovendien fchonk hij aan de HeiLienfche Priesters zekere rechten en vi'ijheden (ff), valens insge- lijks bewees den Heidenen , in zijn gebied , -vele toegeeflijkheid, waar over de Christenen zelve zich onvergenoegd betoonden, dat, terwijl deze Keizer de KathoUjken vervolgde, de Heidenen vrij wie- rook op hunne Altaren ontflaken, hunnen Afgoden
of-
(*} Men zie een opfchrift hier toe behorende bij REINESIUS Syntagm. Insf. CL ii. num. i6.
(^ t } Unicinque , qitod animo iiubibisfet , coleudi U- heva facultas. zijn zijne eigiriie woorden. Cod, TheuJ. L. IX. /. 16. de Malef. et Mathein. leg. 9. ^
(5) Omtrent gelijk wij van konstantvn den G^eoten gezien hebben IV. Deel, Bladz. 56, 57.
(**) syMMACH. Libr. X. Epist. 54.
(tt) Cod, Th. Libr. XII. t. j. de decuriornb. leg. 75. A4
8 KERKELIJKE
III offerden, en hunne feesten ter eere van bacchus^t- ^jf/^ jupiTER, en CERES , openlijk vierden (*). Ja liba- Hoofdll:. NiüS (f) roemt hem, dat hij de Heidenfche Tem- na C. G. pelen niet alleen in 's vijands land verlchoonde ,
tot ATÖ.'^^^^ °°^ "^ ^y'"* ^'"S^" ^y^^9 dikwijls niet zonder- ■ eigen gevaar , befchermde. Men fchijnt zelfs den
Heidenen eene wacht vergund te hebben bij hunne Tempelen , alleen verboden de beide Keizers , daar toe Christen foldaten te gebruiken (§). Zij lieten ook wel de offeranden toe , maar verboden , dezelve gelijk alle Godsdienfiige plegtigheden des nachts te oefenen (**), waar uit men eene plaats van liba- Nius (ft) fchijnt te moeten verklaren, waar hij be- richt , dat deze beide Keizers het offeren verboden hebben. In eene andere wet, in het jaar 364 (§§} gegeven,' bevelen zij, dat zekere vaste goederen, weleer eigendommen van Heidenfche Tempelen , door de Christen -Keizers verkocht, en de or julia- nus aan de Tempels terug gegeven, voor de Kei- zerlijke fchatkamer zullen aangeflagen worden. In het jaar 370 of 371 verbood valens alle oefening van Starrenvvichelarij en andere waarzeggerijen ,
(Ma-
(*) THEODORET. ffisi. Eccks. IV. 24. V. 21.
<^ f ) Orat. pro Tcii:p!is in gothofredi Oper. lurid. mm.;xLugd. Batav. f ui. pag, 487.
(5)^ Lihr. XVI. Cod. Th. t. i. de fide Cathol. Leg, i. .
(**•) Libr. IX. Cod. Theod. t. 16. de Malcf. el Ma- them. Leg. 7.
(jt) Orat. pro Templh pag. 474.
(55) Libr. X. Qod. Th. t. i. de jure fisci Leg. 8.
GESCHIEDENIS. 9
( Mathematiconim Tractatus ^ ) cndcv doodfb'af- \\\ fe (*). In het jaar 374 had eene bloedige vervol- ^^^^ ging der Ilcidc; fche Wijsgeeren onder den Keizer HoofdfT. VALENS plaats. De oorzaak daar toe gaf eene ont- n:i C. G.
Toni* 'lr\'\
dekte famenzwering tegen den Keizer. Te weten , -^'^j ^_^[
cenige aanzienlijke en geleerde Heidenen hadden,
door tovcrkunften , zoeken te ontdekken, wie de opvolger van valens zijn zoude, en menende ont- dekt te hebben, dat de naam van den volgenden Keizer met de letters- OEOA zou beginnen, hadden zij, daar zij den aanwas van het Christendom on- geem zagen (f), faamgefpannen met theodorus, eenen Keizerlijken Geheimfchrijver , die een Heiden, maar tevens één der uitmuntendfle mannen van zij- nen tijd, was. De zaak ontdekt zijnde, het valens niet alleen dezen theodorus , en zijne mcdepUgti- gen, maar ook zeer vele anderen, onder welke vele onfchuldigen , indien (lechts hunne namen met de letters Theod begonnen, ter dood brengen. Bij $\.t' ze wraakzucht des Keizers verloren vele Ileidenfche Wijsgeeren het leven. Onder dezen werd simoni- DES ten viiure veroordeeld, maximus, de leermees- ter en vriend van Keizer julianus , onthoofd. Alle Boeken, welke van toverij handelden, werden ver- brand, maar onder dit voonvendzel, werden vele fchriften in het vuur geworjien, die meestal, tot de vrije kunden, en de rechtsgeleerdheid, behoorden.
Zelfs
C*) Cod. Thcijd. Libr. IX. t. 16. de Malef. et. Ma- ihem. L:g. 8.
(1} Süzo.viEiM. Hist. Eccles. VI. 35.
As
JO
KERKELIJKE
lil
BOF.K I\^
Hoofdft. na C. G. Jaar 363. tot ^76.
Regering van GRA-
TIANUS
en vA-
LENTINI- AJNUSII.
Zelfs verbrandden velen, om alle vervolging te ont- gaan, hunne eigene Boekverzamclingeu (*}. On- dertusfchen is het blijkbaar, dat deze vervolging der Wijsgeeren , eigenlijk , met den Godsdienst niets gemeen had.
Alzoo VALENS geene kinderen naliet , volgde gra- TiANUs, de Zoon van valentinianus , die reeds, na zijns Vaders dood, het Westen befliiurd had, ook in het Oosten, op, hebbende zijnen Broeder valentiniaan II, hoewel maar een kind, tot zij- nen medegenoot in het rijk. Hoe jong gratianus ook ware, echter gaf hij uitmuntende blijken van den besten aanleg , om een vooitreflijk Vorst te worden. Hij was reeds in optogt, om zijnen Oom VALENS tegen de Gothen te onderdeunen , maar kwam, wegens deszelfs voorbarigheid, te laat, om hem te behouden. Daar nu de Gothen^ na het ver- daan van den gemelden Keizer , hunne inv^allen en verwoestingen , met alle geweld , voortzetten , nam GRATIANUS, ten einde hen nadruklijk te ftuiten, THEODOSius, eenen Zoon van den hier boven ge- melden THEODOSius , Veldheer van valentinia- Nus , in het jaar 379 , insgelijks tot jNIedekeizer aan. THEODOSIUS was een Vorst van zeer goede hoeda- digheden, en fchoon misfchien de Christen -Schrij- vers wat al te milddadig zijn in zijnen lof, fchrij- vcn hem toch ook de Heidenfche Schrijvers ftaat-
kun-
(*) AMMiAN. marci:ll. Hist. XXIX. I, 2. ZOSIM. IV. 13-15. EUNAPius in Fit. Maximi. socuat. Hiit. Eccku
IV. ip. SÜZOM. l. c. .
GESCHIEDENIS. ii
kunde, krijgsdapperheid , fomtijds ook grootmoedig- III heid en een wijze gematigdlieid toe. Terwijl hij, '^^ek in het Oosten, het Rijk tegen de Noordfche vol- Hoofdig, ken befchcrmde , wierp zich maximus , die Land- na C. G. voogd van Brittanuie was , tot Keizer op , en gra- ^^^ .-^
TiAxus , tegen hem te veld getrokken zijnde , werd •
van zijne eigene foldaten verlaten en vermoord, in het jaar 382 , in het 24fi;e van zijnen ouderdom , na 15 jaren geregeerd te hebben (*). theodosius nam den jongen valentiniaan II. , onder zijne befcherming , en overwon maximus , in het jaar 308 , bij AqvAkja , die zijnen opftand met zijne dood boeten moest.
THEODOSIUS , na het herflellen van zijnen Neef va- valenti- LEXTiNiANUs U. , Weder naa het Oosten gekeerd ^^^^ i^* zijnde, werd valentinianus , in het jaar 392, op moord, aanftoken van zekeren Graaf arbogastes, éénen ^'' theo- zijncr Veldheeren , een' Frank van geboorte , in jgg^ Kei- den ouderdom van 19 jaren, veinioord, en euge- zer. Nius op den troon gezet, onder wiens naam ar- bogastes zelf regeerde ; maar de onrechtmatige Keizer werd door theodosius, in het jaar 394, in eenen veldflag, bij Jquüeja, volkomen gcflagen, gevangen , en ter dood veroordeeld , terwijl arbo- gastes de geweldige handen aan zich zelven floeg.
In-
(*) A.MMl/^N. MARCELL. Hht. XXVII. 6. XXX. lO
XXXI. II. AusoN. Giatiar. actio ad Gratian. zosiM. H/5/. IV. 12, 19, 24, 34. fq. oRos. Hht. VII. 34. SüCRAT. Iliit. Eccles. V. 21. sozom. Vil. 13.
12 K E R K E L IJ K E
III Indien wij de Christen -Schrijvers (*} geloven,
^?\T^ u-as , op het gebed van tiieodosius , geduurcnd©
Hoofdft. fïczen flag, een hevig onweder en ffcorm ontdaan,
na C. G. die de pijlen der vijiinden tegen hen zelven terug
tot 476 ^'^^^f' ^" '^"" zulke wolken van flof in het gezicht
■ joeg , dat zij ligtclijk overwonnen werden. De
Dichter claudianus maakt, 18 maanden daar na, insgelijks van dezen ftorm gewag (f), hetwelk men hem, als Dichter, niet kwalijk kan duiden. Het be- richt van zosiMus (§), is ondertusfchen veel na- tuurlijker, volgends hetwelk theodosius, gebruik makende van de zorgeloosheid van eugenius , die , daags te voren, een aanzienlijk voordeel behaald had, zijn leger met de morgenfchemering overviel en verraschre. Hoe het zij, theodosius was nu alleen Opperheerfcher in het gantfche Romeinfche Rijk, en wordt met den eernaam van den Grooteit onderfcheiden , doch hij genoot deze waardigheid niet langer, dan tot het volgende jaar 395, wanneer
hii
(*) socRAT. Hist. Eccles. V. 12-25. sozoM. HistJ Ec' des. VII. 13. THEODOR. Hisf. Eccles. V. 5. ambros. O ra f. in obit. Fal enfin, et Theodofii.
(f) r>e Hl. Coufiil. Honorii. vs. 93. fq. Te propter gelidis Aquilo de monte procellis Obruit adverfas acies & turbine reppulit hastas, O nimiura dilecte Deo, cui fiindit ab antris ^olus nrmr.tns hiemes, cui milit;it lethcr. Et conjnratl veniunt ad clasfica veiui. (§) Hist. IV. 25-58.
GESCHIEDENIS. 13
hij te Milaan ^ in den ouderdom van 50 jaren, na lH
eene regering van 16 jaren, overleed. "^ek
Na de dood van de Keizeren valentinianus en Hoofdfl.
VALENS, vielen groote veranderingen voor , ten op- nn C. G.
zichtc van de Heidenen, die, tot hier toe, met alle j^Ü''^ 5*
tot 470.
verdraagzaamheid, behandeld waren, gratianus ' .
was de laatfte Christen -Keizer, die den titel van Gedrag
„ „ _ . - .. . , , van deze
Pontifex Maximus^ ot Opperpriester , voerde , hoe- Keizers
wel hij het kleed van eenen Opperpriester weigerde omtrent
y m\ ^ ^ Tjr de Heide-
te draffcn C )• GRATIANUS ontnam aan de yes- ^^„^„
^ ^ •' neii en
taclfche Maagden hare voorrechten en inkomften , het Hei- waar over SYMMAcrius (f) zich beklaagt; ook " * Ket hij den Altaar der overwinning wegnemen. De Heidenfche Raadsheeren zonden wel, in het jaar 382, SYMMACHUS en eenige anderen uit hun mid- den , aan dtw Keizer , om daar tegen vooiflellén te doen, doch dezen konden bij hem zelfs geen ge- hoor
('*) Dit verhaalt zosimü^ Hi%t. IV. 36. die 'er bij- voegt, dat één der Heidenfche Priesteren, die hem, naar gewoonte, dit kleed kwamen aanbieden, op de weigering van gratianus , om hetzelve aan te nemen , zou gezegd hebben: „als de Keizer gQ^w Patitifcx Maxi- „ 7nus wil zijn , zal maximus fpoedig Pontifex wezen." Het welk als eene voorfpelling werd aangemerkt van éQw opdaud van imaximus boven gemeld, welke gratia- m;s het leven kostte. Doch, welke voorfpelling waar- fchijnlijk uitgevonden is, na den opfland van maximus. Men vergelijke over den titel van Pontifex Maximus BOSE Exerc. de Pont; f. Max. Imper. Rom.Opusc. p. 388.
(f) sYMM/vCii. Epiii. X. ói.
14 KERKELIJKE
ITI hoor verwerven (*). Gelijk zich symmachus (f) ,
°?^'^ eenige jaren later, deswegens insgelijks te vergeefs
Hoofdfl. aan de Keizers valentiniaan TL, en theodosius
na C. G. veiToegde , terwijl ambrosius , Bisfchop van Mi- Jaar 363. o 7 j , r
tot 476. ^'^^^^9 ^^^^ zij'^^ pogingen ten Hove verijdelde (§). " Meer ftond het Heidendom te duchten van den
ijver van theodosius den Grooten^ in wiens eer- fte regeringsjaren nog heel veel van den Afgodsdienst geduld werd (**) , maar die reeds in het jaar 382 eene wet gaf (ff), in welke wel omtrent zekeren vernaaarden Tempel in het landfchap Osdro'éne wordt geboden , dat dezelve open zal ftaan , doch alleen om met zijne prachtige flandbeeldcn tot fieraad te ftrekken , terwi.jl alle offeren in denzelven volftrekt verboden wordt. In het jaar 385 verbood deze Keizer alle offeranden , waar bij wichelarijën gepleegd werden, uit de ingewanden der offerbeesten, in het algemeen (§§) , en met eene andere wet, in het jaar 391 , verbood theodosius te gelijk met va- LENTiNiANUS II. , dat tc Rowe en in geheel Italië^ geene offeranden meer g-eflacht, geene Tempels be- zocht ,
(^*) Ibid. Libr. X. £/>. 54, 61. (f) Ibid. Ep, 61.
(5) AMBROS. Libello de non rcUltuenda ara Victoria pag. 319. int er Epijlolas Sy.nmachi ed. Jtireti.
(**) Waar over libanius hem prijst Orat. pro Tem» plis pag. 474.
(tl) Cod. Theodos. l. c. Leg. 8.
(55) Cod. Th. l. c. Leg. 9. Cod. lujlin. Libr. I. ///. II. de Pagan, Sacrif. et Templ. Leg. 2.
GES C H I E D E NIS. 15
zocht , geene beelden aangebeden zouden worden (♦); III
alles onder zware geldboeten , naar evenredigheid ^^^^
der perfonen en derzelver waardigheid , die zich aan Hoofdft,
de overtreding dezer wet fchuldig zouden maken. "^ ^' p-
Eene dergelijke wet ging in hetzelfde jaar naa ^ot 476^
Egypte af ( t ) , waar op eindelijk , in het jaar 392 ,
een algemeen verbod, in naam van theodosius en
zijnen Zoon arkadtus, volgde, van den geheelen
Afgodsdienst (^), volgends dezelve wet mogt niemand
den Afgodsbeelden ter eere offeranden flachtcn, of
zelfs zijne huisgoden , in het geheim , op eenige '
wijze, verëeren.
Alhoewel geene der wetten van Keizer theodo- Verwoes-
sius het vcrftoren of vernielen der Heidenfche Tem- ïi"^ ^^^
1 empe- pelen gebood , of daar van zelfs gewaagde , deed len door
echter de te ven-egaande ijver de Christenen , fteu- ^'^ Chris- nende op des Keizers genegenheid, op eene oproe- rige en onfluimige wijze, in vele gewesten, bijzon- der in Syri'è en Egypte^ eene beftonnihg der Hei- denfche Tempelen ondernemen , waar toe zelfs hun- ne Leeraars hen opwekten, en de Monniken wak- ker de hand boden, welke laatfle libanius (**) befchiijfr, als ,, in het zwait gekleede lieden, die „ als Olijfanten aten, en dien men geen drank ge- „ noeg voor hun zingen zenden kon, maar die „ hunne onmatigheid, door eene gekunftelde bleek-
„ heid
(*) Cod. Theod. l. c. Leg. lo.
( t ) Cod. Theod, l. c. Leg. 1 1 .
(5) Cod. Theod. l. c. Leg. 12.
(**; Orat. pro Templis.
i6 K E R K E L r[ K E
III „ hcid wisten te verbergen." Ook maakt euna-
Bpr.K pius (*), insgelijks een Ilcidensch Schrijver, de
Hoofdft. aanmerking, dat theofilus, Bisfchop van Jlcxan-
iia C. G. drië^ en andere aanzienlijke Cliristenen , bij deze
tot A76' verwoesting der Tempelen , zicli wel niet met bloed
. 1_ bevlekt , maar toch met goud beladen , en met den
roof der ftandbceldt^n verrijkt hadden. Bij Hot keur- de de Keizer alles goed, gebood daar mede voort te gaan, en oqderlleuiide het door zijne magt. Dus luiden, hoofdzaaklijk , de berichten der Heidenfchc Schrijveren (f). De Christen -Schrijvers, alhoewel zij deze omllandighedcn voorbijgaan , verzwijgen evenwel de verwoesting van Heidenfche Tempelen niet, en fpreken zelfs van oproeren, gevechten, en gewelddadigheden, welke daar bij hebben plaats ge- had. THEODORETUS (§) Cn SOZOJVIENUS (**) Ic-
veren ons dus een verhaal van biarcellus Bisfchop van Apamca^ in Syrië ^ die zich, in het verwoes- ten van Tempels, zeer ijverig kweet, één van wel- ken de eerstgemelde Schrijver bericht , dat door eenen zwarten boozen geest vruchteloos befchermd werd, dien de Bisfchop met wijwater verdreef; maar bij eenen anderen kostte hem , het verdrijven der Hei- denen, die toefchoten, om hunnen Tempel te be- fchermcn, het leven. Op meer andere plaatzen in
Ara-
(*) Excerpt. Legatt. C.ip. 4.
( t ) EUNAPius in ^dcpo pag. 63 libanius Orat. prb Teiiiplis pag, i^-^i,. zosimus Hist. IV. 33. (5) Hist. Eccles. V. 22. (**) Hist. Eccics. VII. 15.
GESCHIEDENIS. 17
Arnhiè, Pahefiina en Fenici'é ^ flreden de Heidenen III ijverig, voor het behoud van hunne heiligdommen. ^^^^ Nergens echter ging het zoo onfiuimig toe , als in Hoofdfl. Egypte^ alwaar de Bislchop van Akxandri'è ^ theo- "^ C. G. FiLÜs, voornaamlijk zijnen ijver betoonde. In de \^^ \~^,
oproeren, die desvvegens ontllonden, verloren vele
Heidenen, maar ook Christenen, het leven, inzon- derheid, toen men den heerlijken Tempel van se- RAPis ondernam te vernielen, theodosius , hier van verwittigd, noemde in een bevel, naa Alexan- drië gezonden, de Christenen gelukkig, die, bij deze gelegenheid, martelaars voor hunnen Godsdienst waren geworden , doch fchonk den Heidenen genade , opdat zij , uit dankbaarheid , te ligter het Christen- dom zouden aannemen. Te gelijk echter beval hij, alle Tempelen te Alexandri'é te flopen , omdat zij aanleiding tot dit oproer gegeven hadden. Terftond ging de Bisfchop tiieofilus , onderfteund door de gewapende magt, aan het werk. Van het verbazend groote ftandbeeld van serapis, hadden de Heidenen verfpreid, dat, wanneer iemand hetzelve zou dur- ven naderen, terftond eene aardbeving ontftaan, en alle aanwezenden daar bij omkomen zouden. Wan- neer dan de moedige Bisfchop den eerden flag met de bijl daar in liet doen, verhieven Heidenen en Christenen een vreeslijk gefchreeuw, maar 'er ge- beurde niets. Het beeld werd omvergehaald en ver- brand, terwijl uit deszelfs hoofd een geheele zwerm ratten te voodichijn Iprong. Dit gebeurde in het jaar 3i>7 (*)• Bij deze gelegenheid, zouden , zegt men ,
ver-
(*) TIIEODORET. Ulii. EcclcS. V. 22. SOZOMH^. lUit.
V. Deel. B * Ec
i8 K E R K E L IJ K E
III verfcheidene wonderwerken gebeurd zijn, even al? *°?? of de overmagt der Christenen, door 's Keizers ge- Iloofdft. zfig en foldntcn gefchraagd, niet genoegzaam ware na C. G. cTcweest ( * ). Meemialen werden , in plaats der toe 476. verwoeste Tempelen , Christen - Kerken geflicht , in ■ ■ ■ ■' wellce helaas! tot ergernis der Heidenen, niet zel- den een nieuw Bijgeloof werd ingevoerd ; men bragt naamlijk in dezelve de beenderen der Martelaren , bij welke men nederknielde en het gebed deed (f). In den Tempel van serapis was tot hier toe écN'ylmeter bewaard geworden, welke nu in eene Christen - Kerk werd overgebragt. De Heidenen vooripelden, dat hun God den Nyl voortaan niet meer tot zijne ge- wone hoogte zou laten wasfen. Doch hunne voor- zegging mistte. Evenwel, als naderhand de Nyl niet op zijnen gezetten tijd begon te rijzen , be- zwaaiden de Heidenen zich, dat zij aan deze rivier hunne gewone offers niet mogten brengen. De ftad- houder, voor oproer beducht, gaf hier den Keizer kennis van. Het andwoord was: al zou de Nyl nooit rijzen, de offeranden zouden niet geduld wor- den. Kort daar op klom de overftroming zoo hoog, dat men te Alexandri'è voor watersnood vreesde.
Dit
Eccles. VII. 15. socRAT. Hist. Ecclcs. V. i5. De ver- woesting van het Beeld en den Tempel van serapis had soFROKius , een geleerd Christen , in een afzonderlijk ge- fchrifc befchreven, waar van niëROiNYMUs gewaagt, df Firis Ilhijlr. Cap. 134.
(^*) RUFiNus Hisi. Ecclcs. II. 22 27. enz.
(f) RLFiN. Hist. Eccles. II. 26. en de Heiden ev- NAPius Excerpt. Legai. Cnp. 4.
GESCHIEDENIS. 19
Dit geval, zegt sozomenus (*), bewoog vele ni Egijptenarcii , om het Hcidensch Bijgeloof te ver- ^^^^
laten. Hoofdfl.
Te midden van deze Tcmpelftonniiig (f), onder- na C. G.
Tnnr '^ó'z nam de Heidenfche Redenaar libanius eene Reden- ^^^ ^^^|
voering voor deTempelen ^ aan den Keizer gericht , op
te (lellen , fchoon ]]ct onzeker is, of dezelve den Kei- I^^^^f"-
' voering
zer ooit onder het oog gekomen is. In deze Re- van liba-
denvoering is het aanmerklijk , dat libanius gelijk- Musvoor ^ . , , , ". , deTem-
foortige gronden en redenen voor verdraagzaamheid pelen.
en vrijheid van Godsdienst gebruikt, als de Chris- tenen voorheen tegen de Heidenen aangevoerd had- den. Deze Redenvoering van libanius deed, ten voordeele van de Heidenen, geene werking; maar toen arbogastes , valentinl\an II. vermoord, en EUGENius tot Keizer aangefleld hebbende, in de daad de hoogde magt in handen had, grepen de Heidenen nieuwen moed. eugenilts fchonk aan hunne Tempelen in hali'è derzelver inkomfLcn weder, ook liet hij toe, dat de Altaar der Overwinning te Rome herfteld werd. De Heidenen flachtten hunne offeranden met nieuwen ijver, zochten in derzelver ingewanden ds voorbeduidzelen der toekomende ge^ beurenisfen, uit welke zij aan eugenius de over- winning op THEODOSius voorfpeldcn. Doch, toen
Etr-
C*) Uist. Eccles. VII. 20.
(t) In het jaar 390 te Jntiöchië , gelijk gothofre- DLS in zijne ranraerkingcn zeer waarfchijnlijk maakt, die hij bij zijne uitg:^vo derzelve te Gerieve 1641. 4ro. en in Opp. Jurid, Minorih. pag. 470, gevoegd heefr. B 1
üo KERKELIJKE
III EUGENius en ARBOGASTES , gelijk wij verhïiald ^^^^ hebben , in het jaar 394 , den veldflag en het leven
Hoofdft. verloren, nam ook de hoop der Heidenen ipoedig
Ha C. G. een einde ( * ).
tot '476'. Onder de regering van tiieodosius, werd de
- naam Pagani ^ welken de Christenen reeds te voren
Denaam ^^^^ ^^ Heidenen hadden beginnen te sieven, alse- Pagani » 5 0
aan de meen en gewoon. Deze naam ftamt af van Pagus ,
Heidenen (^ge^ dorp,) en betekent dorpelingen, bewoners van gegeven.
het platte land; hij kan de betekenis hebben van
boersch , onkiuidig^ doch deze betekenis kon met geenen Ichijn thans nog op de Heidenen toegepast worden, die nog zoo veel geleerdheid en geleerde mannen onder zich hadden. Eene andere betekenis van dezen naam is in de oude Latijnfche taal be- kend , in welke Paganus , ( een Boer , ) tegen over den Soldaht Haat, in dien zin gebruikt het ïer- TULLIANUS , in zijne fchriften , meermalen van de Christenen, die van het foldatenleven eenen afkeer hadden, in welken zin hij zelfs het Christelijk ge- loof Fldes Pagana noemt. Zoo zegt hij: „ De ,, gelo\ige Paganus is voor Christus even goed „ een foldaat, als de gelovige foldaat een Paganus „ is (t)." Doch ook in deze betekenis is het door de Cliristenen niet van de Heidenen gebruikt
ge- (*) AMnaos. Epist. 15. rüfin. Hist, Ecclcs. II. 33. AUGüsxm. de civ., Dei. V. 0.6. so/-o.\i. VII. 22. theo DORET. Hht. Eccles. V. 24.
(t) T>e Corona Militis Cap. ii. pag. 355. cd. Se:r.- ler, FoL IV.
GESCHIEDENIS. ai
geworden ; maar de eenvoudige reden der benaming IIÏ is wel, om te betekenen menfchen, die op het platte ^^^ land wonen, en uit de fteden ah verbannen zijn. Hoofdft. Te weten, wanneer de Keizers den Christelijkcn "^ C. G. Godsdienst begonnen te belijden, werd de Heiden- jJq^ ^_|* fclie Godsdienst eerst in de fteden gehinderd, te ■■
KonftantinopoJen werd deze Godsdienst niet toege- laten, zedert deze ftad de hoofdfbad des Rijks ge- worden was. Toen vervoJgends de Tempels in de Heden verwoest, en de openbare Godsdienstoefening verboden werd, vond deze Godsdienst nog lleeds eenen toevlucht ten platten lande, bij den landman en boer, en deze was ecnc zeer natuurlijke aanlei- ding, om den Hcidenfchen Godsdienst, den Gods- dienst van den hoer en landman , te noemen. Dit zeggen ons ook oude Christen - Schrijvers uitdruk- lijk ( * ) 5 en latere geleerden hebben dit breeder aangewezen (f).
THEODOSius , wiens dood , in het jaar 395 voor- Regee- gevallen, reeds een groot verlies voor het Rükvvas, ""S^'^^" benadeelde het nog meer , door het , bij zijnen ui- en hono- tcrften wil , tusfchen zijne beide Zoonen arkadius ^^^'*'
en
(*) Dus fielt pRüDENTiüs -Ttz^i 5"«<?>. Hsv-in. X. vs. 396. pago deditiis voor Pagauus en in Syimnach. Libr. I. VS. 620. pago implicitin. orosius zegt, met even zoo vele woorden : aliejii de civitate Dei ex locoruiii agres- tiiim compiiis ei pf.gis, pagsni vocantnr . five getitiles.
(t) Inzonderheid gothofred. ad Cod. Thecd. Libr. XVI. tit. 10. de Paganis , Sacrificiii "t Teviplis. pag. 275. fqq, ed^ Rin-ER.
B 3
a» K E Pv K E L IJ K E
III en HONORius te verdeden. De eerfle kreeg het BOFK Oosten, honorius het VV^esten tot zijn deel. We- Houfdft. gs"s hunne minderjarigheid, zijnde arkadius i8, na C. G. en honorius nog maar ii jaren oud, had tiieo- tot Iré. o^^^^s '"•"" ^Ik ecnen eivaren flaatsdienaar tocge- —— — voegd, aan arkadius rufinus, ttntn Galliër ^ aan HOxoRius STILICHO, ceueu Wandaal \mï afkomst. THEODosius had op deze mannen een al te groot vertrouwen gefield , stilicuo was de grootfle Veld- heer van zijnen tijd , hij en rufinus hadden den Keizer gewigtige dienften bewezen, maar de llaats- en heerschzucht overmeesterde den éénen zoo wel als den anderen. Elk hunner zoclit zijn eigen be- lang, en poogde den anderen, met list, of openlijk geweld , te onderdrukken , en beiden verdeelden dus het Romeinfche llijk werklijk in twee Rijken , die , van dezen tijd af, oqk nooit weder onder den Op- perhoofd gekompi zijn. Deze verdeeling was te gevaarlijker, daar de buitenlandfche Germanifche en Noordfche volken op gelegenheid wachtten, om het Rijk te Gverflromcn , terwijl de Romeinen , door Wandalen en Gothen ^ Hunnen^ Alanen enz., in hunnen krijgsdienst te nemen, hunne veiligheid aan vreemden toevertrouwden, welke zelfs de aanzien- lijkfle ambten in (\tw Staat en in het Krljgsvvczen bekleedden; hoedanige Staatkunde de zwakheid van het Rijk bewees, en hetzelve verachtlijk maakte. Invnllen ^^^^ Westerfche Rijk bezweek het eerst. Zoo der Go ]ang STiLiciio leefde, behield het nogthans ecni- then en grootheid. Deze flaatsdienaar vond middel, om
Biirb..ar- eerst zijnen mededinger rufinus , en toen deszelfs
op-
G E S C H I E D E NM S. 23
opvolger EUTROPius, uit den weg te ruimen, ala- III
RUv, Koning der JVestgothen^ door r.ufIx\us aim- ^^^
geliitst, deed eenen inval in het Rijk, maar sti- Hoofdrt,
Licfio noodzaakte hem terug te trekken. Nog ge- '" C. G.
Innr %(>% lukkiger was hij tegen radagais , die aan het [^^ ^^^
hoofd van eene verbazende menigte Duitfche vol
ken, in het jaar 405, midden in Italië was door- |^*-'"^ ^^^' gedrongen; doch hij kon niet verhinderen, dat in het jaar 406 een. andere zwerm uit A lanen , Wanda^^ Jen , Sneven enz. beftaande , over den Rhyn getrokken , in Gallië viel, hetwelk van krijgsvolk ontbloot was, alwaar de ingezetenen, onderfleund door de weinige troepen, die zich daar bevonden, zich eenen eiger nen Keizer verkozen , een' gemeen Ibldaat , die zich KONSTANTYN uoemde , en zicli een' gernimen tijd wist te handhaven. Kort daar na werd stilicho, op last van Keizer honorius, die aan de lasteraars van dezen Bevelhebber te ligt^aardig gelioor gaf, vermoord, en met hem viel de eeniglle lleun van het \Vesterlche Rijk ( * ). Omtrend dezen tijd over- leed arkadius, Keizer van het Oosten, in het jaar 408, in Ó.QX]. ouderdom van 31 jaren, na 13 jaren geregeerd te hebben, latende tot zijnen opvolger na
2ij-
(*) Over STILICHO zie men zosim. Hist. L. V. Cap,
1-34. CLAUDlANüs in III, IV, et VI. Confii!r:t. Hovo-
rii ; de bello Getico; de laudib. $tiliconis. LL. III, in
^Kuf.num. LL. II. /;; Entropium OROS. Hit. VII.
36-3??. SOCRAT. fitst. Eccles. VI. 1,6, 23. SOaOMEN.
.Hht. Ec:lcs. VIII. i. IX. i, 4. prosper , idatius et
MARCELLiNüs in Chron. jornandes de reh. Ceiich. C. 29.
B4
24 K E R K E L TT K E
III zijnen onmondigen Zoon , theodosius II. , welken
BOEK jj[j^ indien wij prokopius (*) geloven mogen, a:in
Iloüfdft. de voogdijfchap van dan Perfrfchen Koning isde-
na C. G. GERD of yasdejird , aanbeval; zoo veel is ten
tot 4-6 ™"i^£" zeker, dat deze zich plegtig tot befchemier
. van den jongen Vorst verklaarde , al ware dan ook ,
het gene prokopius van deze voogtlijfchap ver- haalt, ongegrond (f). Na de dood van stilicho cischte ALARiK het geld , hetwelk hem stilicho had toegcfhian, en waar voor hij, met zijn volk, in Romeinfchen krijgsdienst zou overgaan; dit werd hem niet alleen door Keizer honorius geweigerd, maar de Romeinen hadden de roekeloze wreedheid, om de vrouwen en kinderen der vreemde foldaten , die in Romeinfchen dienst waren, in Italië^ te ver- moorden, waar op meer dan 30,000 van dezelven tot ALARIK overgingen, die in het jaar 40S voor Rome rukte, en de flad, door vrecslijken hongers- nood, dwong, hem ecne groote fommc gcids op te brengen, waar voor hij terug trekken, en zich te vrede zou houden. Ook dit verdrag wilde hono- rius, die thans zijn Hof naa Ravenna verplaatst had, om, in geval van nood, naa het Oosten te kunnen wijken ^ niet bekrachtigen ; en alarik ver- fchcen , in het jaar 409 , andermaal voor Rome , de {lad bezettende, en derzelver fladvoogd attalus t(.!t Keizer verklarende , die hem als Opperbevelheb- ber . (*■') De bc'.lo Perficn Libr. I. Cap. 2.
(f) /iGATiiiAS dc Li.pc;io Jiiflifiiani Libr. IV. pag. p6. ed Fcnet.
GESCHIEDENIS. 25
bcr van het Rijk erkende; maar dra befpeiirende , ni dat AïTALUs met de Gotken in geene goede ver- ^^""-^ ftandhouding kon leven, zette alarik hem open- {^Q^f^fj^ lijk af, en belegerde Rome ^ in het jaar 410, voor na C. G, de derde keer. De ftad werd ingenomen, geplun- •'^^'^^^|* derd , en gedeeltlijk te vuur en zwaard verwoest. ■ Evenwel gedroeg alarik, die een Christen was, hoewel van de Ariaanfche gezindte , zich hier bij zoo gematigd en menschlievend , dat men hem ge- wis niet voor eenen Barbaar kon houden. Hij ge- bood de kerken te verfchonen, en onder het plun- deren geen bloed te vergieten. Ja , men zag de Gothen zelve de inwoners in de kerken geleiden , om daar veilig te wezen. Kort daar na trok ala- rik naa liet bcnedendeel van Italië^ om van daar naa Sicilië , en ven^olgends naa y^frika , over te Heken, maar, zijne vloot door eenen zwaren ftorm vernield zijnde, (tierf hij, van verdriet, over deze teleurfteliing , bij Reggio in Kalabri'é^ in het jaar 410 (*).
alarik's opvolger v\-as zijn Broeder athaulf , Stichting die, tot het jaar 412, met zijn leger in Kali'è ^^]^}^^^ bleef. Men verhaalt zelfs (f), dat hij het ont- \Vest-^^ werp gefmecd had , om met het Romehifche Rijk Gothen ook deszelfs naam te vernietigen , en een Gothisch '"^P^"^'^*
Kei-
(*) 7os!Mfs ///5/. V. 35 51. VI. r, 7-13. oros. Hist. VIL 39, 42. HiëRON. Epitaph. MarcelU. aügüst. de Civ. Dei. I. 7. III. 29. sozoM. Hist. Ecclcs. IX. 6-10. JORNAND. de reb. Qet. Cap. 30.
(t) OROS. Hiu. VII. 43. B .^
«6 K E R K E L IJ K E
III Keizerrijk te IHchten, waar van Iiij de eerde Keizer
BOKK 2ijn zoude , maar , met zijne al te losbandige Gothen
rioofdft. te veel zvvai-igheden ontmoetende, wilde hij liever
na C. G. ^len roemrijken naam van IJerftelIer des Romeinfcheii
Taar 303. „ ...
tot 476. ^^i^^ verwerven, tlacidia , Zuster van Keizer
— HONORius , geü'ouwd hebbende , trok hij naa Galli'é , alwaar konstantyn zich tot Keizer had opgewor- pen , gelijk wij gezegd hebben , doch die , reeds met zijne beide Zonen, in het jaar 411, het leven ver- loren had. GalH'é was door de Sueven , Alanen , en IVandahn , op ecne veifchriklijke wijze verwoest. In het jaar 409 , waren deze volken in Spanje gevallen , welk land zij, na vele verwoestingen aangericht te heb- ben , onder malkanderen verdeelden. De Sueven , onder hunnen Koning hermanrich, en de Wan- dalen^ onder gunderich, verkregen bij deze verde- ling een goed aandeel. De laatllen gaven den naam IVandalitia aan dat landfchap, hetwelk nog Anda- luft'è heet. De Alanen namen Lufitani'é f of het tegenwoordig Portugal^ in bezit; in het jaar 411. Om dezen tijd kwam athaulf, met zijne Gothen in Galli'è, alwaar hij. ecnen nieuwen opgeworpen Keizer vond , jovianus , welken hij , om honorius te behagen , aan denzelven overleverde. Desniettegen- ilaande werd hij door 's Keizers Veldheer konstan- Tius genoodzaakt, GaUi'è te ruimen, en naa Spanje te wijken, alwaar hij, in het jaar 415, door zijn eigen vülk om het leven gebragt werd. segerik befteeg na hem den Gothifchcn troon , een vijünd van athaulf, die ook zijne kinderen vermoordde, maar zelf, na zeven dagen geregeerd te liebben, vermoord
werd»
GESCHIEDENIS. 27
werd. VALLIA of WALLIA, wicii de Gothcn ^ ver- III vt.»lgends, tot Koning verkozen, maukte met Keizer ^^^ HONOUius vrede en een verbond, waar bij hij hem Hoofdft. zijne Zuster placidia terug zond , en zich ver- n^i C. G. plichtte , de Wamlakn te beoorlogen. Deze Vorst J^^ ^^* ftichtte , in liet jaar 419 , het West-Gothifche — — . Rijk in Spanje en Ga//iê, hetwelk zich, ter weder- zijde van het Pyreneïfc/?e gebergte , uitftrektc , bevat- tende in Frnnkr'^k of GalU'è het landfchap Aqiiita- nia SecHuda, het hcdcndaagsch Gitienne en Poitou^ ook een gedeelte van Ga IJ ia Narhonnerifis ^ waar Touloufe gelegen is, hetwelk ook de hoofdftad van dit nieuwe Rijk werd; in Spanje behoorde tot het- zelve het tegenwoordir*j Kataloni'è^ of een gedeelte van het oude Hispania Tarraconcnfis. "wallia overleed in dat zelfde jaar 419, maar zijn opvolger THEODERicH of DiEDERiCH , volgde zijuc maatre- gels, en het Rijk der Wtst-Gothen was het eerde aanzienlijk Rijk, hetwelk de Germaanfche volken, op den Romeinfchen grond, ftichtten, welks Vors- ten zicli toelegden, om in goede verftandhouding met de ïLomeinen te leven (*}.
Ondcrtusfchen had de bovengemelde \^eldheer of Dood Graaf koxstantil-s , zich zoo veel aanziens en "^'^^ "*^*
, _ . , NORIUS.
gezags vei\V(jrven, dat Keizer honorïus hem zijne iiuster PLACIDIA, weduwe van den Gothifchen Ko- ning (*) OROs. Riit. VII. 40, 42, 43. oLYAiPionoR. np. PHOT. Bibliotk. Cod. hXXX. j>ag, iSo. fq. SOZOM. H/st.
EccleS. IX. 12. PHILOSTORG. Hi^t. EcclcS, XII. 3. PROS-
.PER ei fDATius iü.Chon. jornakd.>V rtb. Qet. C. 31 ,3a.
28 K E R K E L JJ K E
111 ning ATHAULF, ten luiwlijk gaf, en hem tot Rijks- ^'^l^ deelgenoot aannam. Uit dit luiwlijk werd valen- Hoofdft. TiNiAAN III geboren; konstantixjs ftierf weinige na C. G. maanden na zijne verheffing, in het jaar 421. pla- tot 476. ciDiA, met haren Broeder m onmm geraakt, kreeg -^ — '• — last , Ravenna te verlaten , waar op zij , met hare kinderen, naa Konflantinopolen week, aan het Hof van THEODOsiu.s, den ^oiii^en. Onder deze om- llandigheden overleed de Keizer hoxorius , in het jaar 423 , na eene regering van 29 , en in den ouderdom van 38 jaren en 11 maanden , zonder kinderen na te laten. Hij had zich akijd als een zwak en onbeftendig Vorst gedragen , gereed om alle voórftcllen en raadgevingen van zijne hovelingen in te willigen, waar door hij het Rijk zoo veel be- nadeeld had , als door zijne eigene traagheid en werkloosheid. Zijn dood zow dus een voordeel voor den Staat geweest zijn , zo de ran7pen van zijne regering te verhelpen geweest waren, maar het was te ver gekomen. De grootc ijver, welken hij, even als zijn Broeder arkadius , voor den Christe- lijkcn Godsdienst betoonde, haatte het Rijk eigen- lijk niets , indien het al integendeel hetzelve niet veel meer benadeeld heeft (*). Wetten De ijver der beide Broederen , arkadius en no- en yeior- ^^^^ ^^^^ Christelijken Godsdienst vcrtoon- deningen ' van AR- de zich, bijzoncier, in hunne wetten en fchikkin-
KADius g^j^ ^ welke zij omtrent de Heidenen en derzelver
Gods- • •(*) PROSPER et inATirs in Chron. olympiodor. apjuL Phutium l. c. pag. 19Ó. PROCopius de bello FündaL 1. %.
ncn.
GESCHIEDENIS. «9
Godsdienst maakten, en welke niet altijd met den III
veest van het Christendom waren overeen te bren- ^^f^ » IV
gen. Reeds in het jaar 395, verboden zij (*), dat iioofdfl. niemand eenen Tempel bezoeken , of daar ofl'eren "^ C. G. zou. Zelfs dreigt deze wet de dood aan de onder- ^q[ i^-^]
bedienden , ( officia , ) die hier omtrent oogluiking
zouden gebruiken. In het jaar 396, ontnam arka- ^"J!°^^^ Dius alle voonecjiten aan de Heidenfche Priesters , trent de en bedienaren van hunnen Godsdienst ( f ). In het _^ 'f^'^^" jaar 399 , gaf hij eene wet , dat alle Tempels , die nog ten platten lande gevonden werden , gefloopt eu vernietigd zouden worden (§). Op gelijke wijze gaf iioNORius , of wel stilicho , in zijnen naam , verfcheidene wetten omtrent de Heidenen , in zijn gebied; welke echter doorgaans met eenige matiging gepaard gingen , doch wclke den Heidenen geen , voordeel aanbragt. In eene wet, in het jaar 399, naa Spanje en een gedeelte van Galli'é gezonden (**), verbiedt homorius de offeranden , maar verbiedt tevens ook , alle fieraden van openbare gebouwen en plaatzen, waar onder men ook ftandbeelden van Afgoden zal moeten verdaan, te fchenden, op eene boete van twee ponden gonds voor de Overheden, die dit dulden zouden. In hetzelfde jaar vergunde hij, in eene wet aan den Proconful van Afrika ge- richt
(*) Cod. Theod. L. XVI. /. 10. de Pagmüs Leg. 13.
(•{:} Cod. Theod. l. c. Leg. 14.
C§) ^"'^- Theod. l. c. Leg. 16.
(**) ad. Theod. l. c. Leg. 15. Cod. Inlïin. L:b.: I. tit. II. di' Pagards czt. Leg. 3.
30 k E R K E L IJ K E
IfT licht (*), ïinn de Heidenen hunne plegtige famen- BOKK kom den en gemeenfchappelijke vreugdefeesten, ou* Hoofdft. tier gewoonte, doch zonder ccnige bijgelovige ge- rn C. G. briiiken, te mogen houden. Misfchicn gaf een ver- tot 4-6.' ^^'■'^^ ^^'^ ^'^"^ Kerkvergadering te Karthago , in het jaar 399, of wat vroeger, gehouden (f), aanlei- ding tot dQZQ wet. Op dezelve toch was bcfluten, dat den Heidenen verboden mogt worden , openbare gastmalen te houden, tot welke zelfs Christenen gedwongen werden , bijzonder , dat zulks niet op de verjaardagen der Martelaren mogt gefchieden, noch op Zondag, of andere Christelijke Feestdagen. Dit laatfte was reeds door gratianus en tiieodosius, in het jaar 386, verboden (§). Nog verbood ho- NORius , in het jaar 399 , in Afrika de Tempelen • verder omver te halen , maar offeranden zouden niet geduld , en de Afgodsbeelden , welke men nog voortging te verëeren , zouden door de gerechts- bedienden nedergeworpen worden (**). Doch, in het jaar 408 , bekrachtigde de Keizer niet alleen alle voorgaande wetten tegen de Heidenen (ff), maar beval ook, dat in het vervolg alle de inkomften der Tempelen tot onderhoud van het krijgsvolk beftemd
zou-
(*) Cod. Thcod. /. r. Ug. 17. Cod. hft. l. c. Lcg.^.
(t ': Cod. ciiii. Ecclci. Jfric. CV;/.'. 60. Apud har- duin Act. Concil. Tom. I. pag. 897.
(5) Cod. T'ieod. Libr. XV. ///. 5. de Spcctac. Leg. 2.
C**) Cod. Tieod. Libr. XVI. tit. 10. dt Pag. Leg. 18.
(ft) Cod. neod. libr. XVI. ///. 5. de IJ.nct. Lfg- 43.
GESCHIEDENIS. 31
ronden wezen (*), d.it alle Afgodsbeelden, waar III ook te vinden, omgeworpen, alle Tempels, in of ^^^^ buiten de fledcn , tot openbaar gebruik verordend , Hoofdft. de Altaren verwoest , en gccne gastmalen of andere "^ C. G. plegtighcden , ter cere der Afgoden gevierd zouden ^^^j_ ^_^'
worden. De Bisfchoppen ontvingen hier bij vrij
held , om , ter volvoering van dit alles , zich van de Kerkelijke niagt , QEcclefiastica Manus') (f)? te bedienen. Op dit alles moesten de Overheden toe- zicht hebben, op eene boete van twintig ponden gouds , in gevalle van nalatigheid. Het is zeer waarfchijnlijk , dat olyiaipiüs, die den Staatsdienaar STiLiCHO had doen vallen, na deszclfs dood, tot zoodanige ftrenge wetten geraden heeft , om de gunst der Christenen te bejagen (§). Hij raad- pleegde met den Bisfchop augustinus , welken dienst hij het best aan de Christelijke Kerk zou kunnen bewijzen (**) ? en è.tz^ vermaande hem, alle de wetten, onder het vorige Staatsdienaarfchap tegen de Heidenen en Ketters gegeven, te doen be-
ves-
(*) Leg. 19. de Paganis.
(t) Het is onzeker, wat hier, door deze Kerkelijke mngt o'i hand^ te \*er(tanD zij. Zijn het foldr.ten, die men hun ten dien einde bijzette , of zijn het Monniken , die zoo ijverig waren in het verwoesten der Tempelen?
(5) zosiMüs ///>•/. V. 32. fchrijft van hem, dat hij onder den fchijn vrn Christelijke vroomheid alle fnood- heid vcrbergde.
(**) AUGUST. Ep. 97. T^v}. IT. Opp. png. 198. ed. Benedict in. Antverp. alih Ep. 129.
32 K E R K E L ]J K E
III vestigen, ter gcriistdelling van velen, die waanden,
^^^^ dat de Keizer aan dezelve geen deel had gehad.
Hoofdft. Van hier , dat , in het gemelde jaar 408 , nog meer
na C. G. andere wetten tegen Ketters , Scheurmakers , Jooden
tot 476.' en Meidenen, afgevaardigd werden (*). In het jaar
■ 415 werd, in eene wet, aan het volk \:m Karthago
gericht (f) , aan het verzoek voldaan , hetwelk
eenigen tijd te voren door een Kerkvergadering te
Karthago gefchied was, dat déns alle overblijfzelen
der Afgoderij vernietigd mogten worden. Hier toe
behoort ook de wet, welke iionorius reeds in het
jaar 408 (§) gegeven heeft , alhoewel sozimus (**)
dezelve later fielt, nadat de ftaatsdienaar olympius in
ongenade gevallen was. Deze wet behelsde , dat geen
Heiden , in het vervolg , eene bediening aan het Hof
zou mogen bekleden , ( intra palatium militare. ) De
bovengemelde Gefchied-Schrijver verhaalt , dat generi-
Dus , Bevelhebber der Dalmatifche troepen , een voor-
treHijk man, maar ftandvastig Heiden, ingevolge van
dit bevel, het geweer nederlegde, en zich van het Hof
verwijderde; en daar de Keizer zijnen dienst on-
gcern miste, denzelven niet eer weder heeft willen
aanvaarden, vóór dat deze wet door den Keizer was
ingetrokken.
Nogee- In het Oostersch Keizerrijk , floot tiieodosius de
>i' (*) CocL Theod. Lihr. XVI. ///. 5. de ILeretkis
Leg. 43 -47- '
(I) Cod. Theod. IJhr. XVI. t. 10. de Paganis. Leg.
«o. CW. lufl. Libr. I. tit. ii. de Paganh Leg. 5. ( § ) Cod. Theod. l. c. Leg. 42. C^'^*) Hlst. V. 46,
GESCHIEDENIS. 33
jongere, in het jaar 416, insgelijks de Heidenen iri
van alle Hof- en Staats-, ja geheellijk van alle Bur- ^^^^
gerlijkc bedieningen uit (*); ook vervolgde deze Hoofdrt.
Vorst de Heidenen nog door andere wetten. De "^ C. G.
nog overige Heidenen^ zegt hij, in ééne derzelven, ^^^ ^.^]
van het jaar 423 , alhoewel wij geloven , dat Vr
peene meer te vinden zijn , zullen door de oude wet- "'^^^ ^^^'"■* ^ -^ ' ten van
ten in den teugel gehouden worden ( f ). Evenwel theodo-
verzachtte hij in dat jaar de doodllrafFe, die op het ^^^^-"^ '^^'^ offeren gefteld was , met verbeurdverklaring der goe- \^^^^ deren en baUingfchap ( § ) , doch in het jaar 426 , herriep hij deze verzachting weder (**), alhoewel hij, hl het jaar 423, den Christenen verbood, de Heidenen, die zich gerust en \Teedzaam gedroegen, op eenigerleië wijze , onder voorwendzel van étw Godsdienst , te mishandelen , zullende zij , zich fchul- dig gemaakt hebbende aan de plundering van hunne goederen, die dubbel moeten herftellen. Ook be- dreigt hij flrafte aan de Overheden en Landvoogden , die dit toegelaten of niet geftraft hebben (ff)
Uit deze en dergelijke wetten , blijkt ten klaar- Ib'er der flen, hoe ver een verkeerde ijver de Christenen, ten ,^'
dien tijde, meermalen vervoerd hebbe. Deze ijver de Heide- deed "^"•
(*) Cod. Th. 1. c. leg. 21. dezc'.vet werd in het jaar 439. herhaald. Novell. Theod. t. 3. de Jud. Satn. har, ét Pag. leg. i. (t) Cod. Th. l. c. leg. 22.
- CS) Cod. Theod. l. c. leg. 23.
(**) Cc'd. Theod. /. c. leg, 25,
(t{) Cod. Theod. l. c. leg. 24. Cod. Jujïin, Libr, I. tit. II. de Pagan, leg. 6.
V. Deel. C
34- KE R K E L IJ K E
Ut deed de Christenen , die daarenboven door hunne °°^^ Leeraaren werden lumgefpoord , waar zij konden, de Hoofdft. handen (laan, om de Tempels, Afgodsbeelden, hei- na C. G. lige bosfchen en bomen der Heidenen , om te wer- tó't 4-6 P*^"* ^°^^ ontbrak het niet aan verhalen van vvon- ■ deren , welke ter begunlliging van de Christenen bij
zoodanige gelegenheden zouden gefchied zijn. On- der deze ijveraars was één der voornaam den mar- TiNus , of RiAARTEN , Bisfchop vau Tows , van. wien ons zijn levensbefchrijver sulpicius seve- Rus (*) het volgende voorbeeld verhaalt. Eenen Heidenfchen Tempel ten platten lande omvergewor- pen hebbende, wilde deze Bisfchop eenen daar bij ftaande heiligen Pijnboom laten ombouwen. Hier tegen verzetten zich de Heidenfche landUeden. IVa cenige over- en wederfpraak, boden deze, op voor- ftel van eenen uit den hoop , aan : Zij wilden zel- ve • den boom omhouwtn , mids de ijverige marti- Nus aan die zijde ging ftaan, waarheen de omge- houweii boom vallen moest. Indien zijn God hem ■ bijllrond , zoude hij het gevaar ligtelijk ontkomen. De Bisfchop nam de voorwaarde aan, en wat gebeuit? Zoo als de boom , door de boeren omgehouwen , omvalt, en op zijn hoofd dreigt te ftortcn, maakt de heilige man het teken des kruis , en de boom , ajs . door een' wervelwind gedreven, valt plotsling over den anderen kant. De Monniken weenden van vreugd , de Heidenen fchreeuwden luidkeels van ontzetting, en namen over het geheel het Christcn-
ge- (*) /;/. .S". Mart. Cap, 13.
GESCHIEDENIS. 35
5;cloof nan. Van dien dag af werd het Christen- III dom, daar te lande, recht voortgeplant, want de ^^ek Bisfchop droeg zorg, dat hij overal, waar hij Tem- Hoofdd. pelen omwierp , Kerken en Kloosters ftichtte. chry- "s C. G. sosTO.^ius, die te Kotiftantinopolen ^ onder arka- j^j." ^_g*
Dius , Bisfchop was , zond een aantal ijverige Mon
niken naa Fenici'è , aan wellce hij eene Keizerlijke vol- raagt bezorgde , om de Tempelen in dat land te venvoesten (*). Dus hebben wij ook voorbeelden, dat in Afrika , zonder , ja tegen den last en bevel der Keizeren , Tempelen gefloopt zijn geworden (f).
Men begrijpt ligtelijk , dat zoodanige handelwijze , De ga-
geflcrkt door fcherpe wetten, en het gezag van den "-'^^/^"S^" ö r 5 ö ö bekering
wereldlijken arm, de Heidenen, dikwijls bij gehefele van vele menigten, tot het aannemen van het Christendom Heide- overhaalde (^5)? doch zoodanige bekeeringen, door ^g^ ^^„gj, dwang, of vrees, en mishandelingen gewerkt, wa- deafval- ren niet duurzaam. Bij de geringde aanleiding vie- ^^^"* len deze nieuwbekeerden het Christendom weder af, welke afval aanleiding gaf tot verfcheidene wetten, tusfchen de jaren 381 tot 426 gegeven (**), den afvalligen werd het recht benomen, om bij eenen uiterflen wil omtrent hunne goederen beflelling te maken, zij werden van alle burgerlijke rechten en
voor-
(*) THEonoPvET. Hiit. Eccles. V. 29.
(t) AUGUSTiN. de Civit. Dei XVIII. 54. prosper de Pro7m:fionib. Libr. III. Cap. 38. fq.
(5) sozoMEN. Libr. VIII. Cap. i. fchrijft deze beke- ringtoe aan de kracht van het voorbeeld der Keizeren.
(**) Te vinden in den Cod. Th. L. XVI. /. 7. de Apofl, C 2
5(J K E R K E L IJ K E
III voorrechten beroofd, en zelfs bij eene andere wet BOEK yQQj. eei-iQos verldaard (*); eene wet van het jaar Hoofdft. 4-Ö, van valentiniaan IlI, verbood hun zelfs, na C. G. hunne goederen bij hun leven weg te fchenken , tot 4-6. K^o^^'^-i^o ^'^^^'* yivos^j of die te verkopen, zoodat - hunne bezittingen noodzaaklijk aan hunne naaste
Christelijke erfgenamen moesten komen (f). Oproeren Niet zelden gebeurde het, onder zulke omftandig- dene t ^^^^"9 ^^^ ^^ verbitterde Heidenen in gewelddadig- gen de heden tegen de Christenen uitberstten. Te Gaza Christe- gebeurde zulk een oploop in het jaar 398. Waar op de Bisfchop dier plaats , porfyr.ius , zijnen Diakon marcus ten Hove zond, die terug kwam, met een Keizerlijk bevel, dat de Afgodsbeelden in deze ftad omgeworpen moesten worden. Maar de Heidenen wisten de uitvoering van dit bevel, door geld, te verhinderen. Doch in het jaar 401, ver- kreeg PORFYRius , in pirfoon naa Konflantinopolen gereisd, een nieuw bevel, uit kracht van hetwelk hij alle de Tempels te Gaza vernielde (§). Een verhaal , dat de Heidenen te Sufibus , of Sufe- tula , in het Ajrikaanfche iandfchap Byzacena ,
60
(*) Cod. Thcod. L c. leg. 4. Cod. lujïitu Lïhr. I. tit. 7. de Apoitat. leg. 3.
(t) Cod. Th. l. c. leg. 7. Cod. Iiijliri. l. c. leg. 4.
(5) Men heeft vnn dit geval een verhaal in het La- tijn , hetwelk nnn geinelden marcus wordt toegefchreven , bij HEUSCHEN ac/-. SS. a. d. 26 Febr. en daar van een uit- irekzel in b.mion. annal. ad ann. 35^8. n. pS. ad aniu 401. n. 17. fqq.
GESCHIEDENIS. 37
60 Cliristenen om het leven gebragt hebben, omdat III zij een beeld van herkules nedergeworpen had- ^^^^ den, zou geloofwaardiger zijn, indien een Brief van Hoofdft. AUGUSTiNUS aan de inwoners dezer plaats, waar in na C. G. van het geval gewaagd wordt , echt ware ( * ). On- J^^ ^_^*
der andere voorbeelden van den onbezomien ijver
van fommige Christenen, verdient de daad van ze- keren Monnik telemachus aangetekend te wor- den, die, in het jaar 404 , te Rome, in den Schouw- burg , ( Amphitheater , ) midden onder de kamp- vechters liep, om hen te fcheiden;. waar voor de aanfchouwers,wier vermaak geftoord werd, hem dood ftenigden. Keizer honorius verklaarde hem, om deze daad, voor eenen Martelaar, te gelijk deze bloedige kampfpelen voor altijd affchaffende, hetwelk konstan- TYN de Groote reeds vergeefs ondernomen had (f).
Ondertusfchen fcheen de omftandigheid , in welke De Hei- het Romeinfche Riik zich thans bevond, veeleer, "^"
■' koesteren
tot gematigdheid te raaden , alzoo hetzelve eene hoop van
menigte vreemde volken, Gothen , Hunnen enz., in h-ii'tel. krijgsdienst had, velen van welken Heidenen wa- ren , en te gelijk geduurig door talrijke zwer- men van Noordfche volken, insgelijks, ten groeten de:le. Heidenen, gedreigd en aangevallen werd. De- ze omftandigheden deden ook, in de daad, de Hei- denen fomtijds moed vatten , in de hoop , dat hun aloude Godsdienst eerlang herfteld zou worden. Vol- gends
(*) AUGUST. Epist. 50. nJ. 268. pag. 87. T. U. Gfp.
(t) THEODORET. Ilisf. Eccles. Libf. V. C?/>. c6. C ".
33 K E R K E L IJ K E
III gends AUGUSTiNus (*) troostten zij malkanderen
^°^'^ met eene voorgewende Godfpraak, welke vooifpeld
Hoofdft. zou hebben, dat het Christendom, van de dood
na C. G. yan deszelfs (lichter af, niet langer dan 369 jaren
Toot* o/C"?
tot <-6 ^^"*^ ^^^^ houden. In gevolge deze berekening ■ moest hetzelve dan in het jaar 398 een einde ne-
men. Toen de Gothifche Koning alarik, in het ja^r 395 ï geheel Griekenland verwoestte , maar :Atheenen alleen verfchoond bleef, flrooiden de Hei- denen uit, dat deze Vorst, bij zijnen aantogt, mi- NERVA , hare Schutsgodin , tot hare verdediging ge- wapend op de muuren , en achilles , met een grimmig gelaad , voor de poorten had zien ftaan , hetwelk hem de grootfte ontfteltenis had veroor- zaakt (f). Ondertusfchen was alarik een Chris- ten, van de gezindte der Avianen. Maar, toen de 'Heidenfche Koning radagaisus, met een onzaeh- lijk leger vm Diihfchers en andere volken , in Italië gevallen was , riepen de Heidenen openlijk uit : „ De- ,«-^ ze Vorst offert aan de Goden, hetwelk v/ij niet ,^ doen mogen ; wij zullen gewis van hem ovcr- ,, wonnen worden (S)«" Toen alarik, in het jaar 408 , Rome met zijn leger naderde , ontftonden 'er nieuwe bewegingen. De Senaat liet serena , weduwe van stiliciio, op vermoeden, dat zij ver-
ftand
(*) De Civitat. D,^i Lihr. XVIII. Oip, 53. ƒ/.
(t) zosiu. lïist. V. 5, 6.
(5) AUüüST. Senn. loö. C. 10. T. V. Oj^p. p. 381. Civii. Dei L. V. C. 23. Verg. cros.///;/. L. Vil. C. 37.
GESCHIEDENIS. 39
ftnnd met dezen Koning hield, ftreng ftrafFen; dit, III zeiden de Heidenen ( * ) , was haar door eene Fes- ^{*^* taalfche Maagd reeds te voren voorzegd , als eene Hoofdfl, ftrafFe , dat zij het halsfieraad van het beeld van "^ ^' G. RHEA laten wegnemen, en zelve om den hals had jj j^/ ^., J*; gedragen. Wanneer nui^ö;;;^, door alarik^ in den niterflen hongersnood gebragt werd, oordeelden, de leden van den Senaat^ die nog Heidenen waren ^' het niet alleen noodzakelijk , dat men den Goden openlijk en plegtig zou oiferen en verzoenen, maar ontboden ook eenige Thusci'ên uit het tegenwoor- dige Toskanen , die voorwendden , het leger der Bar- baren, door blikfem en donder, te kunnen verdrij- ven. Doch deze voorflag vond geenen ingang, eh de Romeinen kwamen met den gemekien Koning tot een verdrag. ■ Dus verhaalt sozomenus (f); maar zosiMUS (§) voegt 'er nog deze bijzonderheid bij, dat POMPEJANUS , de ftadhoudeif van Rome ^ met den toenmaligen Bisfchop dier flad iïvnocentius , over dit voorftcl geraadpleegd, en dat deze zijne vergunning tot hetzelve gegeven zou hebben , allêeFi«^ onder dé bepaling, dat de plegtigheid, in het g^ heim, moest gefchieden. Doch de Thusciërs verze- kerd hebbende , dat 'er de ftad geen voordeel van- zou hebben, ten zij alles openlijk werd verricht, moest men hen wegzenden, en mee -Alarik eene onderhandeling aanvangen, baroniüs (**) verklaart
dit
(*) zosiM. Hief. V. 38.
(t) Ht:t. Eceles. IX. 26. (§) H/s f. V. 41.
(**} u-ïnn. Eccles. ad ann. 409. n. 6. fq. C 4
40 K E R K E L IJ K E '
ÏII dit verhaal regelrecht voor eene lastering van zosi-
"?^" MUS. Evenwel heeft hetzelve niets ongerijmds in
Hoofdft. zich, trouwens, waarom zou een Bisfchop van
^^C.G.Jlome, bij de toenmalige omftandigheden , niet heb-
Tnnr '^6^
tot 476 ^^" ^^^^" gefchieden , het gene hij toch niet beletten
— kon? Genoeg, dat hij verhinderde , dat zulks in het
openbaar gebeurde. attalus , wien alarik tot Keizer benoemde , was een Ariaansch Christen ; evenwel voorzegden de Heidenfche Waarzeggers hem alle geluk tegen honorius (*), omdat zijne vorige genegenheid voor de Heidenen hen deed hopen , dat hij het Heidendom in zijnen ouden luister zou her- ftellen (f); hij benoemde ook tertullus , eenen Heiden, tot Conful ^ die zich openlijk liet verlui- den, dat hij hoop had op de hedlelling van dezen Godsdienst ( % ). Over het algemeen , legden de Christenen , zoo wel als de Heidenen , de rampen , welke het rijk, ten dezen tijde, troffen, ten voor- deele van hunnen Godsdienst uit; inzonderheid toen alarik, in het jaar 410, voor de derde keer voor Rome verfcheen, die Had veroverde, en verwoestte. De Christenen verhaalden (**), dat alarik door eenen iMonnik vermaand was , Rome te Iparen ; maar hij had daar op geantwoord, dat hij de ihid niet vrijwillig aantastte, maar dat hij door iemand tot ' deze onderneming aangedreven werd. liovendien
merk-
•(■*) ZOSIM. Hiit. VI. 7. (f) SOZOMEN. IX. p.
(5) zo?iM. /. c. oRos. Hiit. VII. 42. (**) socRATES ///iY. Eccles. VIL IC. en sozomp^nus Libr. IX. Cap. 6.
GESCHIEDENIS. 41
merkten de Christen- Schrijvers (*) de wijze en III
goede Voorzienigheid van God daar in op, dat ^^^^
niet RADAGAis, een Heiden, maar alarik, een Hoofdft.
Christen, Rotne hemagtigd had, daar deze laatfte "" C. G.
Tnnr 303» den Christclijken Godsdienst, bij de verovering der ^qj ^-,5^
ftad, geëerbiedigd, en de Kerken tot vrijplaatzen •
voor de burgers van alle Godsdienften aangewezen
had; hetwelk men van den Heidenfchen radagais
niet zou hebhen kunnen verwachten.
De Heidenen, integendeel , -maakten hier uitDelIei-
ecne tegenwerping tceen het Christendom , hetwelk ^l*:"!" ^ ^ ^ '^ ^ ichrijvcn
zij , als de bron en oorzaak der rampen , befchouw- ^^q xnm- dcn, welke thans voornaamlijk het Romeinfché Rijk ^^^" ^?" troffen, en hetzelve geheel ten val bragten , vvaar ^^„^j^gj van men de fpooren reeds in de fchriften van sytni- Christen- MACiJus en LiBAMus ontmoet. Zij gaven voor , *■ ""^ ^'^^' dat hunne Goden vertoornd waren, om de verach- ting en affchaffing van hunnen ceredienst door de Christenen; maar tevens beweerden zij , dat het Christendom , door zijne lecrftellingen , daar heen ftrekte, om de magt van het rijk te verzwakken, als zijnde onbeftaanbaar met de goede inrichting der Burgermaatfchappij; eindelijk hadden de Heidenfche Schrijvers het zeer geladen op de Christen - Keizers , die zij op allerhande wijzen zwart maakten , en wier misfiagen en gebreken zij zich bemoeiden , hi het fterkfte dagliclït te ftellen.
Niets kon voor de Christenen gemaklijker zijn , We.ler- dan deze tegenw^roing op te loslen. Immers , wat ''^&f'",S
vriii ueze liet
(♦;) AUG. d:' Cv. Dei I. 7. V. 23. oRos. //. VH. 3?, 39- C 5
42 K E R K E L IJ K E
III het cerfle gedeelte derzelve betreft, hoe geneigd de
BOhK menfchen, in het algemeen, ook zijn mogen, om
Hoofdlh tïs oorzaken van het verval van Rijken en vStaten
na C. G. te zoeken , in de voor ons zoo vaak verborgene
tot 4.76'. oogmerken der Godheid , zoodra men de Godhe-
den, die de Heidenen gewoon Vv^aren te vereeren,
befcinil- j^^gj. ^jgjj eenigen waaren God , den Schepper en Be- door AU- ftuurer van alles , wien de Christenen , volgends
cusTiNus Rede en Openbaring , belijden , vergelijla , is niets
en oRo- ,11 in'
sivs, zekerer, dan dat men van de ccrlten even min te
vrezen, als te hopen hebbe. Voorts heeft de Chris- ten-Godsdienst, zoo als die door jesus en zijne Apostelen verkondigd en geleerd is geworden , vol- ftrekt niets in zich , hetwelk het welzijn en de fierk- te van eene Burger - Maatfchappij , uit zijnen aart, zou kunnen benadeelen, of men moest menen, dat de deugden van matigheid, menschlievendheid, eer- lijkheid en dergelijkcn, welke het Christendom ten fterkften aanprijst, tegen den vvelvaait der Maat- fchappij llrljdig zouden zijn. Dit echter kan niet geloochend worden, dat de Christenen, door cene zedenléere in te voeren , Itrenger dan jesus en zijne eerde leerhngcn liadden voorgefchrevcn , door hun- nen afkeer van den krijgsdienst, en van het waarne- men van biu-gerlijke bedieningen en ambten, afvroeg een fchijnbaar voorwendzcl aan de hand gegeven heb- ben , om hen van lediggang en werkloosheid te befchulr digen; welk voorwendzel niet weinig verllerkt werd door de levenswijze der Monniken , die fpoedig bij duizenden vermenigvuldigden , en voor den Staat geheel nutloos waren , als ook , doordien zeer velen
zich
GESCHIEDENIS. 45
zich oikicr de Geestelijken, (Ckn'ci\') lieten in- III fchrijveH, ten einde van derzelver voorrechten en ^^!^ \Tijheden , welke hun door de Christen - Keizers ge- Hoofdfl. • fchonken werden, gebruik te maken. Evenwel kan 'ia C. G. men daar aan alleen niet toefchrijven , dat men het -^qJ' ^_^*
Rijk niet langer met eigene burgers , maar met ge
huurde foldaten uit de onbefchaafde volken van Duitschland en het Noorden , verdedigde , dewijl dit reeds veel vroeger had plaats gehad, en door de weelde en rijkdommen der eigene onderdanen ver- oorzaakt was. Ook verdient dit aangemerkt te worden, dat de Christenen, nadat de vcivolgingen een einde genomen hadden , niet langer zwarigheden maakten, om krijgs- en burger -bedieningen waar te nemen, en zich in zaken van (laat en regering . in te laten. Wat eindelijk de gebreken der Chris- ten - Keizeren , na koxstamtvn den Grootcn , be- treft, zij waren, met dezelve, toch verre weg be- ter dan zoo vele dwingelanden en monsters, als ze- dert AUGUSTUS den troon beklommen en het Rijk verzwakt hadden. Dat zij zwak van geest waren, zich dikwijls meer met Kerkelijke gefchillen, dan met het regeringsbcftuur, bezig hielden, was toch niet aan den Godsdienst , welken zij beleden , toe te fchrijven ; en hoe weinig ftaatknndig hunne onderdruk- king van het Heidendom ook ware, dezelve ge- fchiedde nogthans allengs en bij trappen , en bragt ook geene zoodanige beroerten voort, door welka de ondergang van het Rijk verhaast kon worden. De Christenen vonden, inmiddels, deze tegenwer- ping der Heidenen zoo gcwigtig, dat zij oordeel- den.
44 K E R K E L IJ K E
ITI den, dezelve breedvoerig te moeten wederleggen,
^°^'^ fchoon TERTULLIANUS, lecds vroeger, dezelve vrij
Hoofdfl. bondig beantwoord had (*).
nrr C. G. augustinus , één der aanzienliikfle en ffeleerdde
Jaar 363. . ^ o
tot 476. Leerii^ren van dezen tijd , ondernam deze wederlegging ,
— ; — opzctlijk, in zijn uitgebreid werk ov&v de fiad Gods ,
?ol"^^!-^ (deCivitate Dei Lihri XXII,) hetwelk hij , in het iaar van AO- ^ ly .1 -) 1
GusTi- 412, begon, maar eerstin het jaar 426, of het vol-
Nuswerk gende , voltooide. In de eerfle rij f Boeken ^ beftrljdt hij
iateDei,^'^^ genen (f), welke beweerden, dat het Veelgo-
te^en de (^endom voKlrekt noodzaaklijk zij , indien de nien-
Heide-
nen. fchen gelukkig zullen wezen, en dat de algemeene
rampen aan deszelfs vernietiging te wijten waren. De v'tjf volgende Boeken zijn tegen zulke Heidenen gericht, die wel toegaven, dat 'er altijd dergelijke landplagen geweest zijn, en zijn zullen; maartevens aandrongen, dat de dienst der Goden nuttig zij, met betrekking tot het toekomend leven. De Bisfchop, gelijk hij zich zelf verklaart, niet alleen uitwendige vijanden wederleggen , maar ook het Christendom zelf willende ontvouwen , bcfchrijft vervolgends , in de overige twaalf Boeken , den oor- Iprong der Stad Gods ^ en die der Wereld^ derzel- ver voortgang, en einde. Dit werk van augusti- nus , van de Stad Gods , verwierf zich , in de Chris- telijke Kerk , voornaamlijk in het AV^estcn , eene on- gemeene achting, gelijk het ook, reeds in de XVde eeuw, en vervolgends, meermalen afzonderlijk indruk
is
(*) AfyiJogct. Cnp. 40. fq.
(j) Zie zijne Rctractt. Lihr, tl. Cap. ^3.
GESCHIEDENIS. 45
h uitgegeven , zclfe met de breedvoerige uitlegging van III
JOANNES LUDOVICUS VIVES , als OOk Van LEONHARD ^^^
coQUiEus , een Augustiner- Monnik in Frankryk; Hoofdw- onder anderen te Frankfort aan den Blain 1661 , nn C. G. in 4to. Van deze uitlegging vindt ' men een goed J^j; ^_^*
uittrekzel in het Vilde Deel der Werken van au
GUSTiNUS, naar de uitgave der Benedktinen, In de daad, gelijk augustinus zelf hef bijzonder op prijs Helde ^ zoo is dit v^^erk één der nuttigden, om den toeftand van het Christendom, en de denkwijze der Christen -Leeraaren , in de Latijnfche Kerk, niet alleen van die eeuw, maar zelfs ook van eeni- ge volgende , te leeren kennen , als welke laatfte veel uit dit werk hebben overgenomen. Indien de Kerk- vader zich bij zijn hoofd -oogmerk bepaald had, om de hier voor gemelde tegenwerping der Heidenen te wederleggen, zou men zijne geleerdheid, zijne ken- nis aan de oude Heidenfche Schrijvers, en zijn ver- nuft en oordeel, niet hebben kunnen miskennen, en zijn werk zou de helft korter , maar ook naar evenredigheid bondiger hebben kunnen wezen. Thans, daar de Kerkvader in hetzelve ook alle zij- ne Godgeleerde kundigheden heeft willen aanbren- gen, vervak hij niet alleen tot wijdlopigheid, maar ontdekt , ook ten dezen aanzien , menige zwakke zij- de. Het ontbreekt hem aan genoegzame kennis der oorfprorigiijke talen , in welke de Heilige Schrif- ten der Christenen geichreven zijn , en aan de no- dige hulpmiddelen van eene goede en gezonde Uit- legkunde, om deze Schriften te verklaren , terwijl zijne Uitleggingen doorgaanjis enkel op eene Latijn- fche
4Ö K E R K E L IJ K E
III fche Overzetting gegrond zijn; hier door geeft hij'
BOKK 2ich toe aan fpelingcn van zijn vernuft, en aan ge-
Hoofdft. heirazinnige uitleggingen, waar hij den letterlijken
na C. G. 2in niet wist op te fporen. En wat kon men wel an-
tot A-é ^^"^^ verwachten van iemand , die deze flelling bc-
— weert ( * ) , dat de duillerheid , welke in de Heilige
Schrift gevonden wordt , daar toe nuttig is , dat van de ónderfcheidene Uitleggers ook meer waarheden in dezelve ontdekt worden? Over de Zedenleere zegt hij , op vele plaatzen , veel goeds en fraais , maar ook elders veel, dat onzeker is, en naar de bnitenfporigheid eener dweepachtige Monniken-God- zaligheid fmaakt. Hij is onuitputlijk in fpitsvinnigc , nutteloze, ja ongerijmde vragen, welke hij met cmst behandelt , als waren zij van het uiterst gevvigt. Eindelijk , toont hij zich ligtgelovig genoeg , om- trent wonderwerken, welke in zijnen tijd, en zelfs in zijne tegenwoordigheid , zullen gebeurd zijn , en 1 van welken hij 'er meer dan twintig bijbrengt, hoe- wel hij tevens erkent , dat van deze wonderen , ter naauwernood de geheele Had, in welke zij zullen gebeurd zijn, iet weet, dikwijls in groote fi:eden, maar zeer weinige menfcfien, en als zij verder aan anderen verhaald worden, is, zegt hij, het aanzien en geloofwaardigheid van hun , die ze verhalen , niet zoo groot, dat men hun zonder alle twijfeling geloven' kan. oRosïus ■ AUGUSTINUS vergeuocgde zich niet, zelf óczz
weder- tegenwerping der Heidenen dus wijdlopig bciint- ïegt uis- , .^ ^ ^ ,
woord
• (*) Lih: XI. C^p, 19.
GESCHIEDEN IS. 47
woord te hebben , ma^r fpoorde ook zijnen leerling III en vriend orosius aan, om hetzelve te doen. De- ^^^^ ze PAULUS OROsius , van wiens werk wij reeds in fioofdft. de Inleiding tot deze Kerkelijke Gefchiedenis , het "^ C. G, één en ander gezegd hebben (*), was een Ou- ^^^ J^^
derling of Priester, Q Presbijter ^') te Tarragona^ .
in Spanje, in het begin der vijfde eeuw. Toen de selijks invallen der Barbaarfche volken Spanje ontrust- genwer- ten , en de aanhang der PriscilUanisten onder de P'"S« Christenen bewegingen veroorzaakte , reisde hij, omtrent het jaar 415, naa augustinus te Uippo ^ om deszelfs raad in te nemen, augustinus zond hem naa PaUflina, om daar uit den mond van mëRONYMus, die zich aldaar bevond, deszelfs ge- voelen te verdaan , nopens den oorfprong der menschlijkc ziel, waaromtrent orosius het oordeel van augustinus gevraagd had, die hem dus be- fcheiden aan mëRONYJNius wees , met eenen Brief, in welken hij orosius aanprijst, als een' man van een heller verftand , vloeijende befpraaktheid , en vol ijver, om nuttig te wezen voor het huis des Heeren (f). Bij dezen Brief had augustinus eene vrij uitvoerige verhandeling gevoegd, over de- ze vraag zelve , in welke hij eerst vooraf laat gaan , wat hij met zekerheid van de ziel gelooft. Zij is in zekere mate onfterflijk , zegt hij, hoewel de Hei- lige Schrift ock van eene dood der ziel fpreekt.
Zij
(*) Zie I Deel, Bladz. LUI. tot LV.
(t) AUGUSTiN. Epht. 166. p^S' 443' Tom. II. Opp, EJ. BcnciUct. Aniv,
•4« K E R K E L IJ K E
III Zij is geen gedeelte der Godheid, ook is zij on- ^^^^ ligciiaamlijiv , in de eigenlijke betekenis van dit Hoüfdft. woord; echter zou men haar een ligchaam kunnen "^ ^•^- noemen , voor zoo ver, het geen ecnigermate op tot 470.' ^^^^^ ^^^^ beftaat , als ook alles wat niet volllrekt " onveranderlijk , en overal geheel is , ligchaamlijk ge-
noemd kan worden. Zij heeft hare eigene natuur, en kan alleen door het veriland bevat, en door het leven ondervonden worden. Ook is de ziel niet door Gods fchuld , toelating en wil, maar door haren eigenen vrijen wil zelven , in de zonde geval- len , waar uit zij niet anders kan verlost worden , dan door de genade Gods in jesus Christus. El- ke ziel , die , zonder deze genade en de heilige hulp , ( Sacrame7ïtum , ) des Middelaars , het lig- chaam , in welken ouderdom het ook zij, verlaat, zal eens met hetzelve geftraft worden. Maar nu, vervolgt AUGUSTiNUS, ontftaat de vraag: van waar hebben de zielen die ichuld, welke haar, zelfs in kinderen, de verdoemenis aanbrengt, indien de ge- nade van CHRISTUS hun , door den doop , geene verlosfing aanbiedt? Daar zijn vier gewone gevoe- lens nopens den oorfprong der ziel; het eerfle, dat de zielen uit die ééne ziel worden voortgeplant , welke aan den eerften mensch gegeven is; het tweede, dat elk nieuw geboren mensch ook eene nieuwge- fchapenc ziel ontvangt; het derde en vierde,* dat zij te vooren reeds bellaan hebbende, eerst van God in het ligchaam gezonden worden , of vriJAvillig in hetzelve nederkomen. Het tVi^eede van deze gevoe- lens had iiiëRONYMUS aangenomen, doch hier te-
scn
GESCHIEDENIS. 49
gen had augustinus, behalven andere, voornaam- III lijk deze bedenking , dat hij zich , bij dit gevoelen , ^°^^ verlegen vond , hoe de kinderen , als ook in adam Hoofdfl. gezondigd hebbende, niet alleen na dit leven, indien ^'^^- ^' zij ongedoopt fteiven, maar zelfs in dit leven, zon- tot Ijói
der eenige daadlijke zonde begaan te hebben, aan
ilrafien onderhevig kunnen zijn. Het is ondertus- li;hen merkwaardig, dat hiüronymus te vooren zelf MARCELLiNus , over die zelfde vraag, aan augus- tinus gewezen had ( * ) , over welke deze thans OROSius aan HiëRONYMUs zond. hicronymus prees , in zijn antwoord , augustinus verhandeling ten hoogllen , maar ontfchuldigde zich , dat hij aan zij- ne begeerte niet kon voldoen, door gebrek aan tijd. augustinus hier nog fteeds op hopende , gaf zijne verhandeling, eerst na HiëRONYMUs dood, in het licht , ten einde , gelijk hij ons zelf zegt (f), den Lezer te waarfcluiwen , om of geheel niet te vragen , hoe de ziel aan den nieuwgeboren mensch wordt me- degedeeld? of ten minflen, in deze duistere zaak alleen die oplosfing aan te nemen, wclke niet met de duidelijke leere des geloofs flrijtlt, te weten, dat de kinderen, indien zij in christus niet wederge- boren worden, buiten twijfel verdoemd zijn. Doch, wij zullen omtrent dit onderwerp meer zeggen moe- ten, wanneer wij de verfchillen met pelagius ver- halen zullen, in welken augustinus eene voorname roile gefpeeld heeft. Hoe het zij, orosius bragt,
bij
(^*y Epist. 82. pag. 213. Tom. II. Opp. Ed. Francof,
(t) Rctractt. Libr. II. Cap. 45.
V. Deel. D
§0 K E R K E L IJ K E
ril bij zijne tvederkomst, misfchien een mondelijk ant- BorR woord van hicronymus mede , maar bijzonder Hoofdfl. dacht hij zijn vaderland, met eenige overblijfzelen na C. G. van den Heiligen stefanus, den eerllen Martelaar, tot 1-6. ^^ verrijken , welke men , juist ten dezen tijde , voorwendde, in Pahcflina ontdekt te hebben, heb- bende de Priester of Ouderling lucianus , nabij ^erufalem^ door eene Godlijke Openbaring, verno- men, waar zijne beenderen verborgen lagen (*). Daar is nog een verhaal van deze ontdekking, het- welk in eenen Griekfchen Zendbrief aan de geheele Christelijke Kerk vervat was, in eene Latijnfche Overzetting voorhanden (f), van den Spaanlchen Priester abundius avitus , die een gedeelte dezer overblijfzelen , met dit verhaal , en eenen Brief, door OROsius , aan den Bisfchop en de gemeente van Braccara^ in Spanje overzond, orosius met de- zen buit, en het voornemen, hem door augusti- Nus opgedragen, om het Christendom tegen de Hei- denen , uit de Gefchiedenis , te verdedigen , in Spanje tcmggekeerd , . bragt het laatfte, in het jaar 417, tot (land, door zijn werk, hetwelk, in vele Hand- fchriften d&n titel heeft , Hormesta of Ormesta mtiti' di\^ of Adverfm Paganos Hhtoriarum Libri Sep~ tem. Dat is, het eerde woord, volgends eciie waarfchijnlijke gisfing , gelezen wordende, Orofti. moest a miiudi : De rampen der Wereld^ of zeven Boeken der Gefchiedenis [en tegen de Heidenen^ in:
welk (*) GENNADius (h Vir. Illufl. Cap. 39, 45. etc. (t) Zie BAROiN. Ann. Eccles, a, 415.
G ET S C II I E D E N I S. 5t
welk werk hij, clc Gefchiedenisfen van de Schep- III ping der Wereld af verhalende, zich vooral be- ^°^ paalt tot de rampen , welke het menschdom en de Hoofdft. volken zijn overgekomen , ten einde dus aan te to- '^a C- G. nen, dat de tegenwoordige onheilen, welke het Ro- Jq^ ^_^[ meinfche llijk troffen, niet aan het Christendom, ■
noch aan de Christenen , te last gelegd kunnen worden. Dit werk van orosius , hoewel hij vQor het overige niet meer dan een middelmatig Schrijver is, die verfcheidene onzekere maren en vertellingen als waarheden overneemt, en omü'ent de Tijdreke- ning vrij onachtzaam is , heeft nogthans zijne waarde , nlzoo het verfcheidene merkwaardigheden behelst, voornaamlijk uit die tijden , welke het naast aan des Schrijvers leeftijd komen. Het is, om deze re- den , ook meermalen in de XVde en XMde eeuw in druk uitgegeven, de laatfte uitgave is die van. si ge- bert iiAVERKAöiP , te Leyden 1738 in 410 (*). Ach- ter deze laatfte uitgave is nog een opftel van oro- sius, tegen de Pelagianen gevoegd. De Brieven, welke TRiTHEMius (t) aan orosius toefchrijfir, zijn niet meer voorhanden , ten zij trithemius hier eenen misflag begaan hebbe.
Doch , het is tijd , om tot de Gefchiedenis van Geheel
het Romeinfche Rijk weder te keeren. Na de dood ^'^'^^^^
■' van het
van Keizer hoxorius , wieip zich één van zijne Romein-
ftaats- (•) Bij de Schrijvers, in het I Deel van deze Ge- fchiedenis, met betrekking tot orosius aangehaald, voe- ge men nog bayle Dict. Hht. dit. V. orosius. (t) Z>^ SS. Ecdes. Cap. 121. D 2
^ KERKELIJKE
III (laatsdienaren , joannes , tot Keizer op. Maar de °9^'^ Oosterfche Keizer theodosius de jongere ^ wilde Hoofdft. hem niet erkennen, maar zond zijnen Veldheer ar- na C. G. DABüRius, met een leger naa Italië^ die joannes, tot 4-6 ^" ^^^^ J'^'^'' 4--^' overviel en ter dood bracht. Than.s ■ ■ ■- benoemde theodosius zijnen Neef valentiniaan fche Rijk jjj ^-qj Keizer van het W'esten , onder vooediifchap Westen , van zijne moeder placidia , Zuster van Keizer ho- ondervA- norius , die eerst met den Gothifchen Koning
LENTINI- , , ,
AAN III. ATHAULF, en naderhand met konstantius, was getrouwd geweest, dien honoril's , in het jaar 421, tot zijnen rijksgenoot had benoemd, en die weinige maanden daar na overleden was; bij hem had pla- cidia haren Zoon valentiniaan III. De verwar- ringen namen, onder deze regering, meer en meer toe, zijnde de Keizerin niet in ftaat, om den naar- ijver en heerschzacht der rijksgrooten te beteugelen. AëTius en bonifacius waren thans de dapperfte en gelukkigfle Veldhccren, die het \'\^esterfche Rijk had. De laatfte, die Landvoogd van Afrika was, door AëTius verraderlijk befchuldigd zijnde , riep de Wan- dalen uit Spanje te hulp , wier Koning genseriic , of geiserik 5 in het jaar 429 , met het grootfle ge- deelte van zijn volk , waar bij zicli ook Gothen , A-anen^ en andere Dultfchers voegden, naa Afrika ovcrllak, en hetzelve grootcndeels bemagtigde (*):
Op
(*) OLYMPioD. Op. pnoT. BibUoth. Cod. LXXX. pag»
196. socRAT. /-Ji'sr. Ecc/es.VU. 23, 24. FILOSTORG. 7//:>7.
ECC/CS. XII. 12, 13. PROSPER f/ IDATIUS ifl CJiroil. PRO-
COP. de bel'.Q Vandal, I. 3. jornand. de rcb. Cct. C. 3,3.
GESCHIEDENIS. 53
Op dergelijke wijze hadden zich, omtrent het jaar III A^.o^ reeds verfcheidene Duitfche volken, tegen wil ^°^^ en dank der Romeinen , in het Westersch Rijk ge- iioofdft. vestiffd. De Burgundiërs ^ Alemnnnen ^ Friezen en "^ ^* G* Saxen , deden geduurigc invallen en richtten zware [^^ ^_^] verwoestingen aan , de Franken vestigden zich aan — — — de Maas en den Rkyn , in het land, bij de Ro- meinen Germania Secunda genoemd ; Brittanni'è was door den Keizer honorius reeds in het jaar 410 , aan zich zelve overgelaten , en in liet jaar 426, werden de Romeinfche troepen, niet in (laat zijnde, hetzelve tegen de Pieten en Scoten ^ die het Noordelijk gedeelte dezes Eilands bewoonden, lan- ger te befchermen , geheel uit hetzelve getrokken (*). De Keizerin placidia , Moeder van valenti- Invallen
NiAAK III , bleef het Rijk , als voogdesfe van haren "^^ ^'^^" „ ■, rL 1 . r-v , woestin-
Zoon , beltuuren , tot het jaar 450. Omtrent wel- o-en door
ken tijd een nieuwe ramp het Westersch Rijk dreig- attila de. De Hunnen , onder het gebied van twee Broe- ^v}£^' ders, r.LEDA en attila, in het Oostcrsch Keizer- rijk gevallen, waren door Keizer theodosils, ter naauwernood , met geld en gefchenken , afgeweerd ; waar na zij, hunne wapenen naa het Oosten wen- dende, in Tartaryë^ tot dicht bij China ^ waren doorgedrongen. In Europa wedergekeerd, dreigden zij het Rijk op nieuw, en theodosius zag zich, in het jaar 443, op nieuw genoodzaakt, den vrede,
voor (*) GiLDAS de Excid. Britt. Cap, 12. fq, bp.da Hist. Eccles. Gent is Auglor. I. 12.
D3
54 K E R K E L TJ K E
IIT voor eene jaarlijkfche fomme gelds, van hen te koo- ^^?\T^ pen. ATïiLA , twee jaren daar na zijnen Broeder Hoofdfl. BLEDA ter dood gebracht liebbende , en nu alleen na C. G. Qy^^r de Hunnen regerende , drong met een leger tot ±76. ^'^'^ tenminflen 500,000 man, over den/i^j^, 'mGaï- ^ li'é^ in het jaar 451 , alwaar hij overal de ijslijkfte ver-
woestingen aanrichtte, zich zelven den geesfel Gods noemende, honoria , de Zuster van valentiniaan lU, door dezen, om hare ongeregeldheden, van het Hof verwijderd , had hem uitgenodigd , en hem zelfs eenen ring gezonden, ten onderpand van haar befluit, om hem te trouwen, en hem tevens hare eisfchen op het Rijk af te ftaan. Ook deed gen- SERiK, Koning der Wandalen^ hem groote aanbie- dingen, indien hij GaUré veroverde. Hij werd, ech- ter , in dat zelfde jaar , door den Romeinfchen Veld- heer AëTius, met wien zich theodorik. Koning der Gothen ^ bieroveus. Koning der Franken^ de Burgondi'érs en anderen, in een gemeen verbond tegen attila, verëenigd hadden, in de vlakte van Catalaunum , ( Chalons aan de Marne , ) met eene groote nederlage, geflagen. Doch, zijn leger op nieuw verfberkt hebbende , rukte hij , in het faar 452, in Zfö//è", alwaar hij vcrfclieidene fteden innam en verwoestte, latende de inwoners nederüibelen. Bij deze gelegenheid namen vele menfchen de wijk naa de Eilanden in de Adriatifche zee, alwaar zij de flad Venctïé ^ op deze eilanden, gedicht, of ten .minden aanzienlijk vergroot hebben. Reeds ging ATTILA op Rome los, toen de Bisfchop dier ftad
hem.
GESCHIEDENIS. 55
hem , met twee ftaatsdienaars van den Keizer III
te gemoet gereisd zijnde , hem bevveegde terug ^^^^
te trekken , onder voorwaarde , dat de Romeineji Hoofdft.
hem eene jaai-liikfche fchatting betalen , en dat men na C. G.
, ir • ^ j Ta3r363.
hem HOXORiA, s Keizers Zuster, zou toezenden, ^q^ ._g^
Gelukkig voor de Romeinen, dat deze Vorst kort ' —
daar na, in het jaar 453 of 454, overleed. Zijn Rijk werd, door de onderlinge verichillen van zijne Zonen, verdeeld, en de overgeblevene Hunnen be- gaven zich weder naa de Zwarte zee, en de greu' zen van Jifié^ terwijl de door hen veroverde landen
' door Duitfche en andere volken in bezit genomen werden (*).
VALENTiNiAAN IE , van de vrees voor de Hun- Dood van nen verlost, leefde in eene domme vadzidieid, en ^'^''^^"' kende geen ander vermaak, dan ongebondenheden. m. De vi'ouw van eenen maxdius , eenen man van aan- zien, onteerd hebbende, bracht deze, op wraak be- dacht, eerst den Veldheer Aëxius, den fteun des Rijks, bij den Keizer in een kwaad vermoeden, en deze had de dwaasheid, van dien dapperen man, in het jaar 454, met eigene hand te doorfteken, maar de Keizer zelf werd, in het volgende jaar, door toedoen van maxi.aius, van de lijfwacht van actius omgebracht, na eene regering van ruim 30 jaren,
heb- (*) pRisci Excerpta de Legatt. pag. 27, 30. pros PER in C'iron. in c.\Msn Lectt. ant. Tom. I. p,:g. 309. VICTOR Tununenf. Chron. pag. i. ap. sc.^liger. in Tha.
- te!32p. CASSiODOR. /« Chroti. pag, 367. Tom. I. Opp. JOR- NANDEs de reb. Get. Cap. 35-42. 49 , 50. D4
56 K E R K E L IJ K E
III hebbende 36 jaren geleefd ; hij liet flechts twee
®°?^ dochters na, en geene zoonen (*).
Hoofdfl. MAXIMUS liet zich terflond tot Keizer uitroepen.
na C. G. Ook noodzaakte hij eudoxia , de weduwe van Kei-
tot 476. ^^^' VALENTINIAAN IlT, om zijnc geoiaahn te wor-
" den; die over dezen dwang, en den moord van ha-
Korte j.gj^ gemaal, verbitterd, den Wandaal fchen Koning regering o 7 7 j &
van MAXI GENSERiK naa Italië ontbood, die ook, geheel
MUS. Afrika aan de Romeinen ontrukt hebbende, op de-
GENSERIK . j. . . . • ^r -1
plundert ^^ uitnodiging, met eene magtige vloot uit Afrika Rome. in Italië aanlandde, en op Rome aantrok, maxi- mus, hier van de tijding bekomen hebbende , vertrok uit Rome^ hetwelk van zijne meeste inwoncren ver- laten werd. Maar het volk, te hoop gelopen, ver- volgde den Keizer met fteenen, en een foldaat, die zich onder den hoop bevond , doodde hem , nadat hii naauwlijks eenige maanden geregeerd had. Drie dagen daar na trok genserik in Rome ^ zonder eenigen te^ genweer, en de ftad van moord en brand, op voor- fpraak van den Bisfchop leo, verfchonende, liet hij dezelve nogthans 14 dagen lang plunderen, voerende eenen onmctelijken fchat , en de fchoonfte gedenkftuk- ken , waar onder ook de kostbaarheden vaii den Tempel \:m yerufalem ^ die titus naa' 7? öWé» gebracht had, met zich naa Afrika^ bcne\'ens de Keizerin ecdoxia, en hare twee Dochters (f). Van
(*) ID.AT. Chron. Libf. III. Cap. 5. Tom. II. Leett. CANis. pag. 186. EVAGR. Hist. Ecch's, II. 7. en de an- deve Schrijvers hier voor gemeld.
(I) siDoN. APOLLiN. Epist. Llhr. II, Ep. 13. en de Schrijvers boven aangehaald.
GESCHIEDENIS. 57
Van toen af fpoedde zich het Romeinfche Rijk UI
tot zljrten ondergang; eenige Grooten, die het ge- ^°^*^
weid in handen hadden , fielden den éénen Keizer Hoofdff.
na den anderen , \^^llekeu^g aan , dien zij even wil- na C. G.
lekeiirig weder onttroonden. Op de tijding van de ^^^ ^^'
dood van maxi:mus , nam avitus , deszelfs afge
zant bij den Gothifchen Koning theodorik te To- r-^^tlte
• , , ^ Keizers
iofa^ op deszelis aanraden, in het jaar 455, het jn het
rijkspurper aan. Maar in het volgende jaar 456, Westen nam riciimer , een Sneef ^ maar Bevelhebber in^yg^^,_ Romeinfchen dienst, eene overwinning op gense- lus, met RIK behaald hebbende, avitus, in naam van «i*^" J-'|!j'" !„ Romeinfchen Senaat , gevangen , en hem den troon einde onwaardig verklarende , deed hij hem tot Bisfchop t^^^ni^ van Placentia^ (^Plaifance ^^ inwijden. Een mid- del, waar van men zich thans begon te bedienen, om afgezette Vorften buiten ftaat te ftellen, om het gebied te hernemen, dat men hen Geestelijken of Monniken maakte, of in een klooster zond (*). RiciMER , het Rijk tien maanden zonder Opperhoofd gelaten hebbende, befchikte, in het jaar 457, over hetzelve , met toeftemming van leg , die thans in Konftantinopohn regeerde, ten behoeve van mato- RiANus , die onder aütius gediend had , een' man van moed, en in flaat, om zelf te regeren, en den val van het Rijk te verhoeden. Doch deze goede hoedanigheden den ijverzucht van riclmer gewekt
heb- (*) SIDON. APOLT.IN. Carw.. VI r. feu Paneoyrkns Avito dictus pag. 714. idat. et viCT. Tunun. th cc. gre- #DR. Turon, Hist. Franc9f. Lihi\ II, Cap. 11,
D5
58 K E R K E L IJ K E
III hebbende, zette deze, in het jaar 461 , den Keizer
*iv'^ af, en bragt hem ter dood (*), ftellende in zijne
Hoofdft. plaats zekeren severus tot Keizer aan, die minder
na C. G. bekwaamheden had , doch ook dezen ruimde rici-
tot 4-6. ^"^^^ ' "^ "^^ i^^^ 4^5 ' ^"^ 'i*^" ^v^g 9 ^v^^^* "a hij - anderhalf jaar de opperde magt uitoefende, zonder
^ aan iemand den naam van Keizer te geven, of dien
zelf aan te nemen. EindeUjk, verzocht de Raad van Rome ^ ten einde van riciinier onrifhanglijk te worden, den Oosterfchen Keizer leo,^ om hun den Patricius anthemiüs, als Keizer, toe te zenden. LEO zoiid dezen, in het jaar 467, met een leger, en den titel van Augustus , naa Italië, ricimer maakte nu den fchijn van onderwerping, en anthe- miüs, ten einde hem geheel te winnen, gaf hem zijne dochter ^en huwlijk. Maar ricimer's hecrsch- zucht duldde niemand boven zich, hi} verliet, in het jaar 469, R.ome ^ misnoegd, en fchoon hij door de tusfchenkomst van aanzienlijke mannen, bijzon- der van EPiFANius, Bisfchop van Ticimim ^ thans Pav'ta^ weder met d^Q.\\ Keizer verzoende, duurde deze vrede niet langer dan tot het jaar 472, wan- neer ricimer, met een leger, naa Rome trok, de ftad, door uithongering, vermeesterde , en anthe- miüs van het leven beroofde. W'cinige dagen daar na overleed deze Keizermaker aan eene ziekte, heb- bende nog vooraf OLYBRius , die placidia, doch- ter van den Keizer valentiniaan llï, ten huwlijk
liad, (*) SI DON. Cnrnn. V. feri Panegijn'cus Majoriano dkttis. PROcuP. de bello Vandal, I. 7. n
' GESCHIEDENIS. 59
had, tot Keizer doen uitroepen (*). olybrils re- III geerde nog geene drie nituindeii , wanneer eene ziek- '^^^■^ te hem uit het leven nam. I'hans nam glyceril'S lloofdfl. het pui-per aan. liet hof van Konfia7itinopolen de- "^ C. G. zen weigerende te erkennen, zond julius nepos , jqj'^ ^_|* met een leger, die hem in het jaar 474 noodzaakte, ■
van het Rijk af te Itaan , en zich te vergenoegen , • om Bisfchop van Sahuen in Dnlwati'é te worden. juLiüS NEPOS werd , in het volgende jaar 475 , door ORESTES, dien hij, met een leger, naa Galli'è ge- zonden had, op zijne beurt, onttroond, en ge- dwongen, naa Saloiien de wijk te nemen, alwaar hij, 5 jaren daar na, overleden is. Thans benoéhi- de ORESTES zijnen Zoon romulus aug'ustülus tot Keizer, nemende in deszelfs naam de regering op zicli. Deze was de laatfte Keizer van het Wes- tersch Rijk, hetwelk met romulus augustulus een einde nam , gelijk de ftad Rome door romulus , en het Rijk door augustus gefbicht was. Te we- ten, de Duitfche en andere vreemde foldaten, in dienst des Rijks, in het jaar 476, tot beloning van hunne dienden, het derde gedeelte der landerijen van Itüli'é eifchende, en zulks hun door orestes geweigerd wordende, wilden zich dezen eisch met geweld verkrijgen , en verkozen eenen odoacer, eenen Rugiër, tot hun Opperhoofd, die orestes in Pavië overviel, en ter doud deed brengen, en
den ('*) siDON. Cann. II. feu Panegijricus Anthemio die- tus. Ei\A"OD. Hta B. Epiphaaii en de Sclnijvers bovea aangehaald.
6o K E R K E L IJ K E
III den Jongen augustulus afgezet hebbende , op een BOEK kasteel in Campani'è verzond. Rome zich aan odoa- Hoofdd. CER onderworpen ^ hebbende , werd hij , in het ira C. G. jjiar 476, als Koning der Duitfchers in Italië^ uit- tot 4-6.* omroepen , onder welken tijtel hij 13 jaren geregeerd - heeft. Op deze wijze nam het Romeinfche Rijk,
in het Westen, zelfs tot den naam toe, een ein- de (*). Regering Onder dit alles had het Keizerrijk in het Oosten, van THE- j^Qg 2eer inwendig door tweedragt meermalen ge-
ODOSIUS ^ 00
11. in het fchokt, en niet min hevig dan het Westen, van de Oosten, onbcfchaafde volken aangevallen , en dus buiten ftaat, om het Westersch Rijk te hulp te fchieten, of in de pogingen daar toe ongelukkig , zich nog- thans ftaande gehouden en gehandhaafd. De gun- ftige ligging der hoofdflad Konftantinopohn , een en ander prijs waardig Keizer en Staatsdienaar, of dap- per Veldheer, als ook dat de Duitfche en Noordfche volken zich meer naa het Westen wendden , een veer- tigjarige vrede met de Perfen, de zeemagt, welke dit Rijk op de been hield , en andere hulpmiddelen , hadden bijna meer , dan men verwachten kon , tot deszelfs behoud en veiligheid medegewerkt, tiieo- Dosius II, of de Jongere, Zoon van arkadius, had , zedert het jaar 408 , den troon in het Oosten bekleed; gcduurende zijne raindeijarigheid , zijnde
hij ,
(*) MARCELLIN. in CJiron. ap. SCALIG. /. c, p. •^i.fq. CASSIOD. ;■/; Chron. p. 368. ennod. in Vita S.Epiphanii, PRocop. de bello Goth. 1. i. jornand. de reb, Qet. L e. Cap. 45, 46. pag, 678. fq.
GESCHIEDENIS. 6i
hij , bij zijns Vaders overlijden , naaiiwlijks agt ja- Iir ren oud, handhaafde de bekwame en zorgvuldige ^^^ Staatsdienaar anthemius, en vervolgends 's Kei- Hoofdft. zers Zuster pulcheria, de goede orde en nist. "^ C. G, Meerderjarig geworden , aanvaardde hij zelf de rege- Iq\ ^J^l ring, maar een zwak Vorst zijnde, bleef hij (leeds ■■ van den invloed van- anderen afhanglijk; en de ge- fnedenen , die men aan het Hof te Konflantiuopokn , naar Oösterfchen praal, had, en uit welke gewoon- lijk de Opperkamerheeren , (^Prcepofiti Sacri Cubï- ciili , ) genomen werden , deeden , in zijnen naam , wat zij wilden, terwijl zij hem met vermaken en Godsdicnftige oefeningen bezig hielden. Zoo achte- loos was hij, omtrent regeringszaken, dat hij, zon- der het te lezen , alles ondertekende , wat hem werd voorgelegd. Vergeefs zocht hem zijne Zuster, pul- cheria, de onvoorzichtigheid van zoodanige han- delwijze onder het oog te brengen, door hem een gcfchrift te doen ondertekenen, waar bij hij zijne gcmaalin atiienais , Dochter van den Wijsgeer LEÖNTius , eene fchoone en verdandige Vorstin, aan haar afftond, om hare flavin te wezen. Alhoe- wel hij niet ongeleerd, en zelfs in eenige befchaafde kunden vrij wel ervaren was , nogthans verlaagde hem eene verkeerd gepLivatfle Godsdienffigheid , tot eene foort van Monniken -Godzaligheid en toteenen kruipenden eerbied voor de Geestelijkheid. Zijn Pa- leis geleek naar een Klooster, hij vastte menigma- len , inzonderheid op den vierden en zesden dag der week, vereerde de Christelijke Leeraren in zoo hüoge mate, dat hij zelfs eens eenen morsCgen man- tel
Si K E R K E L rj K E
lil tel van eenen overledenen Bisfchop omhing, tert ' ®^"^ einde daar door aan 's mans heiligheid deel te kr^'- Hoofdft. gen (*). tiieodoretus (f) brengt onder ande- na C. G. ren een voorbeeld bij, „ hoe zeer," gelijk hij zich tot 4-6.' uitdrukt, ,, theodosiüs de Godlijke wetten gehoor- ■ • ' „ zaamd hebbe." Zekere Monnik, wien de Kei- zer eene gunst, om welke hij verzocht, geweigerd had, had de üoutheid van hem te zeggen, dat hij hem uit de Kerkelijke Gemeenfchap uitfloot. De- Keizer was hier over zoo ontfteld , dat hij weigerde zij- ne gewone Ipijze te gebruiken, tot dat die ban door. denzelfden perfoon wais opgeheven , die denzelveir ritgefproken had. Vergeefs verzekerde hem de Bis- fchop der flad, dat deze ban volflrekt geene kracht had; de Monnik moest met vele moeite opgezocht worden, opdat hij den Keizer weder in de gemeen- fchap der kerk aannam. Zoodanige trekken tonen duidelijk, hoewel 'er ook voorbeelden zijn van ede- ler gezindheden van dezen Vorst , dat zijne denk* beelden omtrent den Godsdienst zeer beneveld wa- ren , en hier in was' zijne Zuster , die bijna als eene Non leefde , hem ten voorbeeld. Wie verwondert zich dan , dat , bij zulke gezindheden der Vorflien , de geestelijken dra een al te verregaand gezag en in- vloed verkregen hebben (§)? Zijne regering was
voor
(*) socRATEs liht. Eccles. VII. 22.
(t) Hist. Eccles. V. 36.
(5) Excerpt, ex prisci Hiu'or. pag. 40. fq. ed. Fe- net. sozoMEN. Hht. Eccles, IX. i. bialala Chronogr, Part. II. pag. 19. Feuet. 1733. /0/.
C Ë S C H I E D E N I S. öj
voor het overige niet zeer voorfpoedig te noemen. III Zijne Veldheeren voerden wel eenén oorlog tegen de ^'^^ Per/en niet ongelukkig, en door de verdeeldheden Hoofdd. onder de Zoonen van den Koning van /Armenië , na C. G. kwam in het jaar 441 , omtrent de heltt van dat [^^ ^ ^^
Rijk onder zijne heerfchappij , terwijl het overige ge
deelte zich aan de Perfen onderwierp. Maar zijne ondernemingen tegen de Wandalen vielen over het geheel ongelukkig uit, en voor de Hunnen whs hij in zijne Hoofdfiad zelve naaiiwlijks veilig, zoodat hij, gelijk wij gezien hebben, zich moest verbinl den , om aan hunne Koningen bleda en attila , een jaargeld van 700 ponden gouds te betalen. Ja, toen zij, in het jaar 447, juist wanneer Konftanti- vopolen en andere oorden des Rijks veel geleden hadden, door eene zware aardbeving, andermaal in het Rijk waren gevallen , kon hij geenen vrede ver- werven, dan op deze fchandelijke voorwaarden, dat hij ATTILA terdond 6000 ponden gouds betaalde, en zich tot eene jaarlijkfche fchatting van 1000 of cooo ponden verbond. Door deze vernedering ver- gat THEODOSius zich zclvcn zoo zeer, dat hij zijne toeflemniing gaf tot eene üimenzwering , om attila te vermoorden , welke ontdekt zijnde , kostte het den Keizer nieuwe laagheden, om dien veroveraar te vrede te ftellen. Niet lang daar na overleed THEODOSIUS, in het jaar 450, na eene regering van 43 jaren (*).
De-
(*) PROSPER Qh-on. MARCELLIN. ChroH. PRISC. in Ex'
cerpt, p. 23, 33, 48. socRAT. Hist. Eccles. VII. 18,
20.
64 KERKE L IJ K E
III Deze Keizer heeft bijzonder zijnen naam bekend BOEK gemaakt, door het wetboek, hetwelk naar hem Co- Hoofdfl. ^^^ Theodojlanus heet. Tot zijnen tijd toe ont- na C. G. brak eene verzameling van de wetten der voorgaan- tot^ irö ^^ Keizeren in het Roomfche Rijk. Twee rechts- geleerden gregorius of gregorianus en hermo-
Wetboek Qgjyj^p^Tus , die onder konstantyn den Grooten , van THE- ^ . „ , -,, ,11 , 1
ODosius. ^'f ^Ü"^ Zoonen, leerden, hadden wel twee zooda- nige • verzamelingen ondernomen , van welke nog overblijfzelen voorhanden zijn (*), doch behalven dat dit flechts het werk van ambteloze lieden was, flrekten zich deze verzamelingen enkel uit van ha- DR.IANUS tot KONSTANTYN dcu Grootett. OndcT- tusfchen was , door dezen Keizer , eene geheel nieu- we inrichting aan het Rijksbeftuur , en aan de vorm van rechtspleging gegeven , ook had de invoering van het Christendom hier op eenen zeer grooten invloed gehad. 'Er waren zeer vele wetten voor- handen, die tegen malkanderen inliepen, en het ge- tal der fchriften van oude rechtsgeleerden, welke men moest raadplegen, was bijkans ontelbaar. Om deze verwarring in de rechtsgeleerdheid te verhel- pen , had Keizer valentiniaan III reeds in het jaar 426 bepaald, welke fchriften van oude rechts- geleerden behoorlijk kracht en gezag bij de lecht-
ban-
20. THEODOR. V. 37 , 39. PROCOP. dc bcllo Peff. I. 2.
dc Mdiflciii lujliniani III. i. etc.
(*) Men vindt dezelve in anton. sciiulting. Jurh- prttd. vetits Ante - Jujiinianca pag, 680. [qq» Lvgd, Bat. 17 17. 4.
GESCHIEDENIS. 6f
banken hebben zouden (*). Doch, opdat men III ook van de wetten van konstantyn en zijne op- ^^^ volgers beter gebruik zou kunnen hebben , liet theo- Hoofdf^. Dosius , door agt Rechtsgeleerden , onder welken "^ C. G. ANTiocHus , een aanzienlijk Staatsman, die ^''^- tot t-ó] fectus Pr£torio Orientis en Conful geweest was , ■■
de voomaamfte was, de nuttigde en noodzaaklijkfte wetten , door deze Keizers , benevens zijne eigene en die van zijnen Neef valextinianus III , gegeven , gedeeltelijk verkort , onder zekere titels , of opfchrif- ten, en clasfcn verzamelen, en deze verzameling, (Cöö?^x,) voerde hij in het jaar 43S , in zijn Rijk in (t), gelijk valentiniaan zulks, kort daar na, in zijn Rijk deed. In het vervolg werd zij ook door de Oostgothen in Italië^ de Wandalen 'm Afri- ka ^ en de JVestgothen 'm Gallië en Spanje^ aange- nomen. Een uittrekzel uit dezeh^e, op last van ALARiK, eenen Koning der Westgoihen ^ in het be- gin der zesde eeuw gemaakt, is oorzaak geweest, dat deze Codex ^ welke bovendien in het Oostersch Keizerrijk, na verloop eener eeuw, zijn gezag ver- loor, niet volledig tot ons gekomen is. De over- blijfzelen van denzelven zijn door jac. gothofre- Dus verzameld, en met eene voortreflijke verklaring ( Commentarius , ) opgehelderd , zijnde na zijne
dood
(*) Cod. Taeodos. Libr. I. /;/. 4. de Respons. Pru- dent, l. unica.
(t) Novella I. Theodos. II. pag. i. in Cod. Theodos. Tom. VI. P. II. edit. ritteri.
V. Deel. E
11
^ KERKELIJKE
III dood in het licht gegeven (*). Deze verzameling
^S*Ji^ van wetten is voor de Kerkelijke Gefchiedenis van ÏV .
Hoofdft. ^^2e tijden zeei: belangrijk, niet alleen omdat, in
na C. G. liet gemeen , daar in verfcheidene wetten , de gees- tot 1-6 f ^'iii^f^cid , ( Clerus , ) betreffende , voorkomen , maar — n ■ ■. ook het geheele laatfte Boek enkel wetten bevat , wel- ke het Kerkelijke betreffen' , onder de tijtcls : v^/n het KathoUjk geloofd van de Bhfch oppen ^ Kerken en Geestelijken , van de Ketters , tegen den herhaalden Doop^ van de Afvalligen, van de jfoden, Hemel- vereerers en Samaritanen , van de Heidenen, Of- feranden en Tenipelen enz. Redering pulcheria , de Zuster van theodosius , dié van MAR- ^g^ tiitel van August a, of Keizerin, voerde, en
CIAMUS. ^ . ,
altijd veel aandeel aan de regermg, bij het leven van haren Broeder, had gehad, trouwde na zijne dood , in het jaar 450 , met marcianus , een krijgs- kundig man, en een' beminnaar van het recht. On-- der zijne regering genoot het Keizerrijk van het Oosten rust. Als attila van hem het gewoon jaarlijksch gefchenk, of fchatting, vorderde, gaf deze Keizer hem tot befcheid: Indien hij zich flil hield , zou hij gefchenken ontvangen , maar indien hij dreigde, zou men hem weten te ontvangen; op
wèl-
■ (*) Door ANT. MARViLLE tc L-^oH i568 In 6 Deelen in Folio, naderhand verbeterd door joh. dan. ritter te Leipzïg 1736 enz., in VII Deelen. Men vergelijke hei- NECCius Hist, Juris Ronu I. 5. §. 378. pag. 476. ed» RiTTERi etc.
GESCHIEDENIS. 67
welke verklaring attila zich naa het Westen keer- m de , en het Oosten met vrede liet. De regering van ^^^^ MARCiANUS was. Ongelukkig voor het Rijk, kort ^joQfyfl^ van duur ; na 6 en een half jaar geregeerd te heb- "^ C. G.
Toot* '^^ o
ben , overleed hij , in het jaar 457 , eenen zoo goe- ^^'^ ^^] den naam van deugd en ijver voor het rechtzinnig "
geloof nalatende, dat hem de Griekfche Kerk onder het getal van hare Heiligen geplaatst heeft (*).
De opvolger van marcianus was leo , dien men Regering den bijnaam van den Grooten gegeven heeft. Hij \'^" ^^^ was de eerde Keizer, die zich liet kroonen, door Grooten. anatolius, toenmaligen Patriarch van Konfianti- nopoïen. Hij was een wakker Vorst , doch die zich te veel in de Kerkelijke verfchillen mengde , welke de Christenen, in zijnen tijd, beroerden. In het jaar 468, rustte hij eene zeer groote oorlogs -vloot uit , welke hij , met een magtig leger , tegen de Wan- dalen in Afrika zond, doch, alhoewel het eiland Sardinië^ en een groote ftreek lands van Afrika^ reeds ■ bemagtigd was, leed deze aanzienlijke magt groot nadeel , door de verraderij van den vlootvoogd BASiLiscus, waar op, in het volgende jaar, de vre- ' de met de Wandalen gefloten werd. Met de Hun- ven oorloogde hij voorfpoediger , maar inwendige bewegingen, door de heerschzucht van fommige Grooten verwekt, ontrustten zijne regering. In het jaar 471, was hij genoodzaakt aspar, eenen Alaan ^
zij-
(*) PREscus in Excerpt, pag. 27. ed. Fenet. evagr. Hist. Eccles. Libr. II. Cap. i. et 48. Excerpt, ^xtiieo- DORO Lect. pag. 509. theopka.nes Chron. pag. 89. E a
68 KERKELIJKE
III zijnen Veldheer, door wiens toedoen hij het Rijk BOEK verkregen had , maar die zich allengs alle magt Hoofdfl. aanmatigde, te doen ombrengen, waar na hij des- na C. G. zelfs aanhang, met behulp van zeno, beteugelde,
tot A-ó* ^^''' ^^'^^" '^y '^'^^^^^ Dochter, in het jaar 458, ten
huwlijk had gegeven. Kort daar na overleed leo,
na eene regering van 17 Jaren, in het jaar 474, hebbende , kort vóór zijne dood , zijnen Kleinzoon LEO II, geboren uit zijne Dochter arivADIA , bij ZENG , tot Ccefar of Rijksöpvolgcr , verklaard , die hem ook opvolgde, doch, na verloop van 10 maan- den, overleed, en het Rijk aan zijnen Vader zeno overliet, onder wiens regering het Keizerrijk van het Westen een einde nam, gelijk wij gezien heb- ben (*). Wetten H*^^ zwak ook de regering der laatfle Keizeren tesende van het Westersch Rijk ware, zij ijverden echter, jjg'jj' ^" naar vermogen, tegen de Heidenen, die nog (leeds in groten getale overig Avaren, en zelfs aanzienlijke en geleerde mannen onder zich hadden, valenti- NiAAN lil en marcianus verboden, bij eene wet, in het Jaar 451 , dat niemand de voor lang gefloten Afgodstempelen zou beitaan te openen , derzelver deuren met kransfcn te verfiercn, vuur op de Alta- ren te ontftcken, daar wierook op te branden, of- fers te flachten enz. Wie dit zou ondernemen , zou bij den Richter aangebracht, en daar van over- tuigd (*) MARCELLIN. Chroti. pag. 31.CASS10D0R. in Chron, pag. 368. PROCOP. de bello Fandal. I. 6. evagr. Hht. Ecdes. II. 8-17. THEOPHANES /, c. pag, 94. fq»
GESCHIEDENIS. 69
tiiigd zijnde , met verbeurdverklaring zijner goede- III ren , ter dood gebracht worden ; dezelfde flrafFe werd ^^^^ ook bepaald voor de genen , die van deze misdaad Hoofdft. kennis gedragen, of bij de Afgods - offeren dienst fin C. G.
Tipt* "^ o 5
gedaan hadden. Indien de Landvoogd van een ge- jl^^ r^_^* west verzuimen mogt, deze ftraffe aan den fchuldi- gen te voltrekken , zal hij 50 ponden gouds aan de Keizerlijke fchatkist betalen, en zijne onderbeümb- ten even zoo veel (*). Tusfchen de jaren 467 en 472, verordenden ook de Keizers leo en anthe- Mius , dat , indien iemand op eens anders land- goed , of huis , met voorkennis van den bewoner of eigenaar, den Afgodsdienst zou oefenen, niet al- leen die landhoeve of huis verbeurd verklaard , maar ook de eigenaar van zijne waai'digheden en ambten ontzet , of zo hij van geringer ftand ware , aan den lijve geftraft en tot deu arbeid in de Mijnen verwezen , of voor zijn leven gebannen zou wor- den (t).
Prijslijker evenwel , en meer overëenkomftig met salvia- den geest van het Christendom, was het, wanneer -7^'^.. geleerde mannen de pen opvatten, om de Heidenen, tegen de door redenen , te overtuigen. Zulks deed salvianus , Heide- een geboren Galliër^ een Ouderling of Priester te "^"' Masfilia , (^Marfeiïle ^^ doch dien gennadiüs (§), eenen Leeraar der Bhfchoppen noemt , opzetlijl: door een werk tot verdediging van het Christendom , en
bij-
(*) Cod. Tuft in. Lihr. I. tit, u. de Paganis , (2f Sa- crificiis et Tcmplis. leg. 7. (f) Ibid. leg. S. Cfi) Z)e Firii niuftrib. Cap. 67. E 3
7p. KERKELIJKE
III bijzonder van het voorname leerftuk der GodJijke- BOEK Voorzienigheid ^ aan hetwelk, ten dezen tijde, velen Hoofdfl. niet alleen Heidenen, maar ook Christenen, begon- na C. G. nen te twijfelen, uit hoofde van de menigvuldige tot 476 rampen , welke het Romeinfche Rijk , bij aanhou- ■" denheid , troffen , en waar van zij de oorzaken poog-
den na te fporen, gelijk wij reeds gezien hebben. GENNADius, die, omtrent het jaar 430 , Priester werd, was in zijne vroeger jaren getrouwd geweest, maar door overdrevene godsvi'ucht, vervolgends met zijne vrouw overeengekomen, om in onthouding te leven , waaromtrent hij zich in eenen Brief aan zijne Behuwd - ouderen verfchoont (*) , behalvcn deze zijn 'er nog agt Brieven van hem overig, in welken hij ook ophelderingen mededeelt over zijne fchriftcn. Deze fchriften zijn op twee na verloren, dit, waar van wij thans fpreken, de Guhernatione Dei ^ et de justo Dei prafentique judicio Lihri VIII. (Vm Boeken over het Godshejiuur ^ en zijn rechtvaardig en tegenwoordig oordeel,} en één tegen de geldgie- righeid , eigenlijk over het verrijken van den Chris- telijken Leeraarslland , ( adverfus avaritiam Lihri IV.) Zijn ftijl is vrij duidelijk, vlocjend , befpraakt, en niet zonder bevalligheid; doch zeer wijdlopig, dikwijls misvormd door de gebreken van zijnen leef- tijd. Zijn hoofddoel in dit werk is aan te tonen , dat, wegens de ondeugden en zonden, ook onder de Christenen in zv/ang gaande, waar van hij een vrij zwart tafereel op^iangt, deze rampen, als oor-
dee- C*} J^'piit. W.pag. 172-179. ed. Brem.
GESCHIEDENIS. 71
dcelen van God rechtvaardig zijn. Dit werk, het- III wdk in het jaar 440 , of wel , gelijk anderen wil- ^^^^ len, in het jaar 455, door hem gelchreven is, is Hoofdd. door PETR. PITHOEUS het eerst uitgegeven, en na- "^ C. G. derhand , door conr. rittershusius en steph. j^j ^^^ BALuzius en anderen (*).
Dat , door deze en dergelijke middelen , het Hei- Bekee- dendom , in het Romeinfche Rijk , van tijd tot tijd u"^7^" afnam , en vele Heidenen het Christendom omhels- fche vol- den , blijkt genoegzaam uit den aart der zaak , doch ^^^* behalven dit, hadden de Heidenen in het Roomlche Rijk gelegenheid , om te onderzoeken , en eene ver- gelijking tusfchen hun oud Biigcloof en den Chris- tclijken Godsdienst te maken, maar dat die barbaar- fche volken , welke , zoo krijgszuchtig , als woest van aart en zeden , het Romeinfche Rijk overflroom- den , en hetzolve eindelijk vernietigden , zoo fpoe- dig, het Christendom omhelsden, is eene bijzonder merkwaardige gebeiutenis, waar in wij niet kunnen nalaten, in het algemeen, de fpooren van Godlijke wijsheid en goedheid op te merken; de Christelijke Godsdienst, hoe zeer thands reeds verbasterd, en met veifcheidene bijgelovigheden befmet, was te edel en voor het menschdom te heilzaam, dan dat hij , in den ondergang van het Romeinfche Rijk , ook zijnen ondergang zou gevonden hebben, eene aanmerking, reeds door orosius (f), in dien tijd gemaakt: „ Al zouden de Barbaren eiiictl daarom
„ in
(*)Men vergeiijke schröck Kirch ■ Gtfch. XVI. TheiL S. 216. (f) Hisf. Lih\ Vil. Cap. 41. E4
7a K E R K E L IJ K E
III „ in het Romeinfche Rijk gezonden zijn , opdat de
^iv' " Christelijke gemeenten in het Oosten en Westen j
Hoofdft. 55 i^^t Hunnen en Sneven , Fandalen en Burgtin-
^ C. G. ,, diers , met zoo veifchillende en ontelbare volken
tot A-ó' " souden worden aangevuld , zou men reeds daar
— ,, in de Godlijke barmhaitigheid moeten loven en
5, prijzen; dewijl toch zoo vele volken, alhoewel „ met onze verzwakking, tot de kennis der vvaar- „ heid geraakten, die zij, zeker, niet anders dan „ bij deze gelegenheid, zouden hebben kunnen ver- „ krijgen. " De Gefchiedenis , het is waar , laat ons meestal verlegen, wanneer wij haar raadplegen, omtrent de wijze dezer bekeeringen, en de midde- len, daar toe aangewend. Waar zij ons daar van bericht doet, hebben wij dikwijls reden, deze mid- delen verdacht te houden , gelijk wanneer zij ons van zoo menigvuldige wonderwerkea verhaalt, die deze bekeringen zouden veroorzaakt hebben , of wij befpeuren verkeerde middelen , niet ftrokende met den geest van het Christendom, gelijk wanneer de Koningen of Vorften van eenig volk, door beloften of door roemzucht , of dergelijken , werden overge- haald, om zich te laten doopen, waar bij zij van het grootfte gedeelte hunner onderdanen gevolgd werden. Ook kunn?n wij niet ontkennen , dat door de zendelingen zelve meer op de zinlijkheid dezer volken werd gewerkt, dan op hun verlland, daar zij een Christendom , reeds opgefmukt door vele uit- wendige en niet zelden bijgelovige plcgdgheden , aan hun voordroegen. Doch , met dit alles moeten wij , ' aan den anderen kont , den moed en ijver dezer zen-
de-
GESCHIEDENIS. 73
delingen bewonderen, en de kraclit van dan Chris- III tdiilicn Godsdienst ftraalt ons hier en elders duid- ^^^--^ lijk in het oog , wanneer wij deze ongemanierde Hoofdft. volken hunne woeste zeden zien afleggen, en de "^ C. G.
Tooi* o^'ï
zachtere befchaafdheid der door hen overwonnen j'^^ ^„^^
Romeinen aannemen , maar ook voorbeelden ont
moeten van hun vlijtig onderzoek in de Heilige Schriften, en toenemen in kunde, niettegenfcaande alle die beletzelen, welke hunne eigene onkunde en het verval van geleerdheid in deze eeuw hun in den weg legden. Doch, laat ons eenige bijzonder- heden zien.
De Goihen , bijzonder de West - Gothen , waren Bekee-
het eerfte Duitfche volk, welk het Christendom ""S'^^J" 1 .. 1 , -, . Gothen.
reeds ten tijde van den keizer gallienus en van
KONSTANïYN den Grooten leerde kennen , en met hunnen Koning fritigern omhelsde (*) , wel, zoo als fommigen zeggen , om daar door te eer den bijftand van den Keizer konstantyn den Grooten tegen hunne vijanden te verwerven , maar tevens zoo, dat ULFILAS , tot hunnen Bisfchop ingewijd , tevens zijne uirerfte pogingen aanwendde, om hen te on- derwijzen, waar toe hij zelfs letters voor hunne fpraak uitvond, en den Bijbel in hunne moedertaal overbracht. Zelfs waren zij fpoedig zoo ijverige Christenen, dat zij ook voor de voortplanting van dezen Godsdienst, onderde met hen vermaagdfchap- te Oitro - Gothen en Gepiden zorgden ( f ). Welke
uit-
(*) Zie ons IV Deel^ Bladz. 268. volgg.
(j) JORMAND. de nb. Cet. Cap. 47. E 5
74 K E R K E L IJ K E
III uitwerking het Christendom op de zeden van dit
*^^ volk gehad hebbe, mag men opmaken, uit het ge-
Hoofdfl. diag van hunnen Koning alarik, bij het bemagti-
na C. G. geri en plunderen der Had Rome C * ) ■» en kan ons
Jaar 363. v • 7
tot 4-6. verder blijken , uit het getuigenis van salvia-
• Nus (t): „De Barbaren," fclirijft hij, „ergeren
„ zich aan onze onreinheden. Onder de Gothen „ mag geen geboren Goth een hoereerer zijn; on- 5, rein te zijn, wordt bij hen alleen aan de Romei- „ nen veroorloofd , omdat derzelver volk en naam dit „ nu ééns vooral medebrengt." (^Prajudicio Na- twm's ac Nominis.') „ Alhoewel zij," zegt hij el- ders (§), ,, van fnode Leeraaren ," (zij waren Ari'ónen , salvianus een rechtzinnige,) „ onder- „ wezen zijn, echter bidden zij God, geheel an- „ ders dan wij, in gevaar, om hulp, en zien hun „ geluk als een gefchenk van God aan." ,, Wij „ verwijten hun," zegt hij (**), „ dat zij Ketters , „ zijn , maar wij zelve leven naar Ketterfche fnood- „ heid." Vervol- Al ras moesten deze iiieuwbekeerden onder de
ging der q^^Jj^jj ^ene harde vervoliiing door hunne Heiden-
Chris te- ^ ^
nen on- fche landgenoten vcrduurcii , toen omtrent het jaar
der de „70 , athanarik de reü;ering aanvaard had , tegen Gothen. ^'. , „ . " ..
wien de Keizer valens aan zijnen voorzaat friti-
GERN hulp verleend had (ft); en velen hunner on-
der-
(*) Zie boven in dit Deel, Bkidz. 25.
(f) In zijn hiervoor gewaagd werk: de Cubcnwt. Dei Lihr. ^W, pag. 137- ^^- T^^rem. (%) Png. 140.
(**) Pag. 142. (i t) Vergel. ons IV Deel, BI, 272.
GESCHIEDENIS. 75
dergingen zelfs de dood, met voorbeeldig geduld IH en lijdzaamheid (♦). basilius de Groote roemt in- ^^^ zonderheid ascholius , Bislchop van Thesfalonica ^ MoofdlT. die hem eene befchrijving van deze vervolging had "^ C. G, toegezonden , dat hij de Gofhen tot ftandvastigheid i^^ ^-,^]
in het belijden van Christus ijverig hcbbe aange
fpoord. Eén der vermaardftcn onder deze Gothifche Bloedgetuigen is nicetas, vvien de laater Grieken^ inzonderheid niceforüs (f), onder de voorname Martelaren tellen. Ook is 'er nog van het lijden en de dood van sabas , die in het jaar 372, in het water zal verfmoord zijn, een uitvoerig oud ver- haal in eenen Griekfchen Brief vervat , welke de Gothifche gemeente aan de gemeente in Kappadocië zal gcfchreven hebben , toen zij het lijk van dezen heiligen man aan dezelve ten gefchenk overzond, en van welken ruixart gist , dat bovengemelde |
ASCHOLIUS de opfteller zal geweest zijn (§}.
Hoe
(*) Dnt onder deze Mnrtelnren zoo wel Ariancn nis rechtzinnige Christenen geweest zijn , is op het getuige- nis vnn socRATEs geloofbanr, hoewel onder anderen rui- NART Act. Mart. pag. 525. ed. Feron. zulks in twijfel heeft getrokken ; omdat basilius de Groote Epist. 336, 339, en al'gust. de Civit. Dei XVIII. 52. beide tijdge- noten , enkel van Rechtzinnigcn fpreken. Doch , men weet, hoe de ijver der Kat holijken of Rechtzinnigen van dien tijd de eere der IMarteiaarfchap aan de Ketters gewoon was te ontzeggen. (f) Hist. Eccl. XI. 48.
(f) IMen vindt dezen Brief in de Acta SS. M, Apriii, en bij rüinart in het Latijn /. c.
75 KERKELIJKE
III Hoe het ook gefield moge geweest zijn , ten op-
BOEic zichte van de wijze, op welke het Christendom bij
Hoofdft. ^^ Gothen werd iiigev^oerd , en welke de beweeg-
nn C. G. gronden daar voor bij dit volk waren , ja hoe zeer
r^^\J< ook al vroeg het Monniken en Klooster - leven on-
— — — der hen ftand greep (*), het blijkt nogthans, dat
Voor- jjg Gothen zich hebben beijverd, om de Heilige beeld vnn j ■> &
onder- Schriften van het Christendom te lezen, ten welken
zoeklust einde ulfilas voor hen de fchrijftekens uitvond, then. ° ^" ^^"^^ fchriften in hunne taal overzette, gelijk wij gezien hebben; ja wij hebben bij HiëRONYMUs eene merkwaardige bijzonderheid , ten blijke, hoe aan- merklijk de lust , tot onderzoek der fchriften , bij de Gothen geweest zij. Twee van hunne geestlij- ken , suNiA en FRETiLA ( f ) , begeerden , door eenen Brief, van den Kerkvader hicronymus opheldering op de vraag: Waar en wanneer de Griekfche Ver- taling der Pfaïmen afweek van de Latijnfche? en welke van deze beide Vertalingen het naast bij het Hebreeuwsch kome ? hicronymus beantwoordde hunnen Briefin eene uitvoerige Verhandeling (§), in welke hij het ondeifcheid aanwijst tusfchen de
toen
(*) Men zie ons IV. Deel, Bladz. 382.
(f) Sommigen hebben deze voor nnmen van vrou- wen aangezien, doch zijn vvederlegd door martianay //; Ecl. Opp. Hieronijmi Tom. II. pag. 665. Hij zelf gelooft daar, dat zij twee geleerde foldacen in Dtiitsch- land of Scythië geweest zijn , doch herroept dit in een ander werk. Fie de St. jferême pag. 469. J'q.
(5j) //; Opp. HiëiioN. Tum. II. pag. 624.
GESCHIEDENIS. 77
t<^cn in gebruik zijnde affchriftcn der Alexandryn- III
fche Overzetting, gevende de voorkeuze aau die, ^^^
welke in de Hexapla gevonden werd, vervolgends Hoofdft.
doorloopt de geleerde Kerkvader een groot getal "^ C. G.
plaatzen in de Pfalmen^ tot welke de gemelde vraag ^^^ ,_|'
betrekking had. Indien de woorden van pruden- -
Tius (*) : „ Door de nadruklijke (tem van het
„ Euangelie fmolt de fneeuw van Scythië^ en de
,, winter van Hyrkani'é ontdooide; zoodat de Hc-
„ brus nu zachter, niet meer met ijs beladen, van
„ het Kaukaftsch gebergte Rhodope afftroomt. De
„ Gcten zijn befchaafd, en de bloedige woestheid
„ van den Geloner vult dorftend den ontbloedigcn
„ beker met zuivere melk, terwijl zij een' heiligen
„ drank van het bloed van Christus offeren wil;"
naar de letter moesten genomen worden , zouden
de Gothen het Christendom verder onder de Noor-
derlijke volken verfpreid hebben, maar elk gevoelt
met ons de Dichterlijke grootfpraak.
De Wandalen^ die met de West -Gothen in P^«- Bekering
mni'è gewoond hadden , waren grootendeels reeds j^'^ ^^'^ ^1 . / / 1 •• 1 ^ T dalen.
Christenen, voor dat zij over den Rhyn in Galll'è
vielen ; en ook dezen volgden de gevoelens der Arianen. idatius (f) verhaalt, dat hun Koning GENSERiCH , of GEisERiCH , die in het jaar 428 be- gon te regeren, van de rechtzinnige leere is afge- vallen. Doch zij kunnen het Ari'damch gevoelen al vroeger van de Gothen hebben aangenomen. Hoe
het
(*) Apotheoi. VS. 494. fiiq.
(f) Chron. ad ann. IV. Falentin.
75 KERKELrf K E
III het zij, SALviANus (*), prijst ook dit volk, \ve- ^^^^^ gens zijne eerbare zeden. „ Spanfe," fchrijft hij, Iloofdft. « is door even zoo groote en niisfchien nog groo- na C. G. ^^ ter ondeugden, dan Gallie , te grond ffesaan. tot ±76. " ^'^^ ^^ daarom voornaamlijk aan de Fandalen , ■' 5, dat is aan kuifche Barbaren, overgelaten , opdat
„ openbaar zou worden , dat dit land wegens zijne „ onkuischheid veroordeeld was. Zo ik mij niet „ bedrieg, zijn alle andere Barbaren dapperer, dan „ de Vandalen-, maar de zwakfte vijanden hebben, „ voornaamlijk , om hunne kuischheid , de overhand „ behouden." Bekering Andere Duitfche volken, bij voorbeeld, de Su:- " j. •• ' ven , Alemannen , en meer anderen , zijn waarfchijn- lijk , eerst na hunnen inval in het Romeinfche ge* bied, tot het Christendom bekeerd. De Burgttn- diërs, die met de overige Duitfchers medegefpan- nen hadden, tot de verwoesting van Gallië (f), vestigden zich in dat landfchap, onder hunnen Ko- ning GUNDiiCAR , na met de Romeinen vrede en verbond gefloten te hebben, gelijk zij zich van ouds af reeds beroemd hadden , met de Romeinen deri zelfden oorfprong te hebben (§). Misfchien heb- ben zij toen tevens den Godsdienst der Romeinen , het Christendom , aangenomen. Ten minflen zij wa- ren reeds Christenen, in het jaar 417, toen gro-
si-
(*) Be Ouhernai. Bei Libr. VII. pag. 137. (t) HiëRONYM. Epist. ad ylgertichiam Tom. IV. Pa7t, II. Opp. pag. 748. OROS. Hist. VII. 40.
(§) AM.vIIAN. MARCF.LL. XXVIII. 5»
GESCHIED EN I S. 79
sius zijne gefchiedenisfen fchreef ; deze Schrijver Ilt toch noemt hen (*), ,,een zeer magtig en fcha- ^^^ „ delijk volk , hetwelk van zijne Burg f en of Kas- Hoofdff. „ telen den naam voerde; maar hetwelk, door de "^ C. G. „ fchikldng der Godlijke Voorzienigheid , gelieel het (q^ ^_g' ,, vvaare Christlijk geloof had aangenomen, de on- '■
„ der hen ontvangene Leeraaren van dit geloof ge- ,, hoorzaamde, en nu zoo lieftalig, zachtzinnig en „ fchuldeloos leefde, dat men wel kon zien, dat „ zij de Galliërs^ niet als overwonnenen , maar als „ Christelijke Broeders , aanmerkten. " socrates deelt ons nog nadere bijzonderheden van de bekee- ring der Burgundi'érs mede (f). Volgends hem zullen zij, in de engte gebracht zijnde, door eenen amv^al der Hunnen^ zich tot doxi God der Romei- nen , van wiens magt zij gehoord hadden , den toe- vlucht genomen, en ten dien einde van eenen Bis- ichop in Galli'é verzocht hebben, gedoopt te wor- den. Deze, na hen zeven dagen te hebben doen vasten, en hen in het geloof onderwezen hebben- de , doopte hen op den agtften dag , en liet hen hier mede gaan. Thans trokken zij, met een* on- gemeen vertrouwen , tegen de Hunnen op , wier Koning optar onvoorziens ffierf, waar door de Hunnen , nu zonder hoofd zijnde , door de Burgun- di'érs , flechts 3,000 man fterk zijnde , zoo ge- flagen werden, dat 'er 7,000 op de plaats bleven. Doch, SOCRATES heeft hier twee openbare misfla- gen begaan. Vooreerst fielt hij deze bekering der
BUT'
(*) Llhr. VII. Cijp. 32. (t) Hiit. Eccl. VII. 3c.
Ro KERKELIJKE
III Burgimdi'érs eerst in het jaar 430, daar wij gezien
BOEK hebben, dat zij te vooren reeds Christenen waren.
HoofdO. Bovendien verhaalt prosper (*), die ten dezen
na C. G. tij Je in Galli'é leefde, dat de Burgundiêrs ^ met
Topt» qK^o
tot 476* ^1"""^" Koning , in eenen bloedigen veldflag over--
■■ wonnen zijn geworden, (f). Voorts is dit zeker,
dat de Burgimdi'érs , eerst in het laatfte gedeelte
der Vde Eeuw, de Ari'danfche gevoelens hebben
omhelsd.
Bekering Van de bekering der overige Duitfche volken ,
derMr.r- j;,e]-,|-,ej-i yyij gcene bijzondere berichten. Alleen vcr- koman- • ^ -^ . . , t^ 7
nen. h^^lt paulinus (§), van eene Ivonmgm der Marko-
mannen^ fritigil of fridigild , dat zij, door eenige Christenen uit Italië^ kennis van A^n Chris- telijken Godsdienst gekregen hebbende, gefchenkcn aan de Kerk van Milaan gezonden , en den Bis- fchop AMBROsius om een Ichriftelijk onderwijs in den Godsdienst verzocht hebbe, die haar hetzelve, 'm den vorm van eenen Katechismus , toegezonden zal hebben, met bijgevoegde vermaning, dat zij ha- ren gemaal tot den vrede met de Romeinen zou aan- fporen. Ook zal zij het zoo ver gebracht hebben , dat hij zich met zijne onderdanen aan de Romeinen onderwierp. Vervolgends in perfoon naa Milaan gereisd, om ambrosius zelven te ipreken, vond de Vorstin dezen vvaardigcn Bisfchop overleden, wiens dood invalt in het jaar 398. Het is waar, men
vindt
(*) In Chron, ad anti. 435.
(f) PAGi Crit. in ann. Baronii ad 413. ri. 13. 7^.
(S) Vit, Ambvoi. Cap, 3^.
1
GESCHIEDENIS. 81
vindt van deze onderwerping der Markomannen ^ III
die thans nog het tegenwoordig Bohemen en Mora- ^'^^
vië bewoonden, niets bij ecncn anderen Schrijver, Hoofdf!,
evenwel kan iet dergelijks met een gedeelte of ftam "" ^- ^*
van dit volk gebeurd zijn , gelijk wij van de Mar- \^^'^ ]^_^]
comanni Honorian'i lezen, die konstans, in het - ■ ■ ■•
jaar 407, uit GalU'é naa Spanje overbragt (♦).
Wij moeten , bij deze «ïelegenheid , de volgende C'^ristc- ' liJKCjie-
aanmerking maken. In dat gedeelte van Duitsch- meen-
land^ en de aangrenzende landen , welke aan de ten in Romeinfche Heerfchappij onderworpen waren, had j^^^^' het Christendom zich reeds vóór lang gevestigd; in het Belgisch GaUi'ê , vond men , in de fte- den , thans Trier , Keulen , Tongeren , Mentz^ fVormSt Spier s en Straatsburg ^ aanzienlijke gemeen- ten , verfcheidene Bisfchoppen van Trier hebbeft zich, in de Ariaanfche twisten, bekend gemaakt. Dus waren 'er ook Christelijke Gemeenten in No- ricum , of een gedeelte van den tegenwoordigen Oostenrykfchen Kreits; insgelijks in Findelicië^ thans een gedeelte van den Zwahifchen en Beyerfchen Kreits. Van dezen hebben de volken, die dieper in Duitschland woonden, kennis van den Christe- lijken Godsdienst kunnen bekomen , evenwel kan men niet befpcuren, dat dezelve onder dezen veel opgang heeft gemaakt vóór de volksverhuizingen, welke ten dezen tijde plaats hadden. Ondertusfchen vallen de berichten nopens de bovengemelde Chris-
ten-
(*) MAscov. Gefchickte der Deutfchen I. Th. VIII. B. S. 351. anm. 5. S. 372. aimi. 2.
V. Deel. F
Si K E R K E L IJ K E
in • ten -Gemeenten zeer fchraal; en zijn weinig bclang-
^^^ rijk. De Martelaar cassianus, wien de Dichter
Iloofdft. PRUDENTius, in eenen niet onbevalligen Hij umus ,
na C. G. bezongen heeft , wordt voor den eefften Bisfchop
Tnnr 36*^
tot 470] ^'^^ Sabiona , misfchien Sehen in T-jrol^ gehouden.
■ Eene uitvoerige Gefchiedenis is 'er van de bekering en
den Marteldood van de Heilige hilaria, met hare Dochters , en de Heilige afra en andere vrouwen , die , door den Spaanfchen Bisfchop narcissus , wien men voor den eerflen Apostel van Aiigshiirg , (^Aiigusta VincleUcorum ^^ uitgeeft, tot het Christen- dom gebracht zijnde, aldaar, onder diocleïianus , het leven verloren hebben (*). Doch, dit weten wij, met zekerheid, uit mëRONYMUs (f), dat alle deze Christelijke gemeenten langs den Rhyn ^ door den inval der Vandalen , Sueven enz. , zedert het jaar 407, verbazend veel geleden hebben, en bijna geheel uitgeroeid zijn geworden. Niet echter zoo zeer uit eenen haat tegen den Christelijken Godsdienst, als wel door de woede en plunderzucht van deze nog half wilde volken. Dus werd Mentz geheel ver- woest, en vele duizenden menfchen in de Kerken aldaar vermoord; Worms werd, na eene langduu- rigc belegering, geheel uitgeplunderd; het aanzien- lijke Wieims , ( Rhemi , ) Amicns , Arras , Door- nik , Spier s , Straatsburg , ( Ambiani , Atrebates 4 Tornacum , Nemet<e , Argentoratum , ) van hare in* vvoners beroofd, die naa Diiitschland werden ge- voerd ;
. (^*) Bij M. VKLSÈR Rcr. Boicar. Libr.lll. p. /^2)7' hl' (t) El'iit. 9. Tonu II. Opp. pag. 74S, et!. Baialict, m.
GESCHIEDENIS. 83
voerd; en deze ftcdon bleven in dezen toefland, tot III
dat de Fransen in deze gewesten zich nederfloe- ^^^
gen, wanneer zij weder opgebouwd en bevolkt zijn iioofdft.
geworden , en ook het Christendom zich daar in "^ C. G.
, 1 ,111 ï^ar^ós.
weder hcrllelde. iot ^-^^
In het begin der vijfde eeuw , breidde het Chris
tendom zich uit tot liet afgelegene Ierland. Terwijl l^ekenng
Erittanni'è van de Romeinen de befchaafdheid , en ook i^nd door
al vroeg de kennis van het Christen geloof gekre- patri-
"" CIUS.
gen had, had Ierland^ bij de Ouden Hi hernia^ jfuvernia , jFerne , genoemd , wel zijne vrijheid , maar tevens zijne onbcfchaafde wildheid , en onkun- de behouden. Volgends oude Monniken - verha- len, van later eeuwen (*), zullen wel, reeds om- trent het einde der vierde eeuw, vcrfclicidene Ieren het Christendom omhelsd, en hetzelve onder hunne landgenoten gepredikt hebben. Onder dezen wor- den genoemd ailbeus , declanus , ibarus , en KiARANUS, die als Bisfchoppen, door den Room- fchen Bisfchop ingewijd, verfcheidene gemeenten in Ierland gefticht, en den Roomfchen Kerkdienst bij dezelven ingevoerd zullen hebben. Ondertusfchen is hunne Gefchiedenis vol wonderbare en ongeloof- lijke verhalen, en krielt van ftrijdigheden , bijzonder tegen de tijdrekening, hebbende alle merktekenen, van, indien al de zaak op zichzelve waar zij, in later tijd , door Monniken opgefierd te zijn , ten einde de gemeenten van Ierland te vaster aan den ftoel van Rome te verbinden. Geloofvvaardiger is
een
(*) USHCR Brit. Eccles. /lutiqq. p. 408. Loud. ïS'èj.fol.
F a
84 K E R K E L IJ K E
III een verhaal van prosper van Aquitani'é (*), al3
"^v" tijtlgenoot , aangaande de voortplanting van het
Hoüfdft. Christendom in Ierland ^ hij verhaalt, dat ileRoom-
na C. G. felle Bisfchop coelestinus , in het jaar 431 , pal-
TnJir 'x(>'x
tot 475 LADius tot eerllen Bisfchop der bekeerde Ieren ^ die
■■ hij Schotten noemt , welke naam hun meermalen ge-
geven wordt , omdat de Ieren van Schotfchen oor- fprong geacht worden te zijn , heeft afgezonden. Deze PALLADius, een geboren Brit ^ gelijk fchijnt, en niet te verwarren, met den Griekfchen palla- Dius, Levensbefchrijver van chrysostomus , was een Diakon der Kerk van Rome ^ hij keerde fpoedig uit Ierland terug, zonder veel veiTicht te heb- ben (f). Doch des te voorfpoediger was, korten tijd daar na, patrick of patricius, dien men den Apostel der Ieren noemt; zijn eigenlijke naam was succath, en hij geboren in e^n dorp genaamd Bo- navem of Banava , tusfchen het Kasteel Ditmhrii- ton en de ftad Glasgoiv in Schotland^ welk dorp tlians naar hem den naam Kirk - Patrick ^ of Kil- Pa-
(*) ChroJU Part. \\. pag. 309. in canis. Lect. Ant. Tom. I. ed. Basnag. In een ^twistfchrift ( Libro advcvf. Collatorem Cap. 21. pag. 132. in Append. ad Tom. X. Opp. August, ed. Antverp.') en in een gedicht vnn den- zelfden inhoud {Carm. de ingratis Cap. 15. vs. 330. fij. pag. 15. in Aiigustln. Opp. Tom. XII.) drukt deze Schrij- ver zich algemecner uit, en zegt, dat de Roomfche Bisfchop COELESTINUS het Barbaarfche Eiland Ierland Christelijk gemnak: heef:.
(f) usHER. Brilt, Eccles, Aiitiq. pag. 418. /<ff.
GESCHIEDENIS. 85
Patrick draagt; zijn \"adcr was een Diakon., en III zijn Grootvader Ouderling , of Priester , geweest. ^'^ 7A)n geboortejaar wordt verfcliillend opgegeven , Hoofdft. ibmmigen geven daar toe het jaar 377 op , anderen "^ ^- G* laten hem tiisfchen de jaren 395 en 415 geboren [^^ ^-^\
worden. Omtrent zestien jaren oud zijnde , werd —
hij , met zijne twee Zusters , en eene groote menigte van zijne hmdslieden, door lerfche zeerovers gevan- gen naa hun eiland overgevoerd. Hier werd hij aan eenen Heer verkocht, wiens vee hij, zes jaren lang, hoedde, geduurende welken hij meer en vuuriger dan ooit tot God bad. Op eene wonderbare wijze verlost zijnde, geraakte hij, vele jaren daar na, an- dermaal in (lavernij. Ver\''olgends laten hem zijne Levensbefchrijvers lange reizen doen naa Galliè en Italië., vennaarde Heiligen bezoeken, en het Mon- nikenleven omhelzen , tot hij eindelijk , in het jaar 431, door den Roomfchen Bisfchop coelestixus, die hem ook den naam patricius gaf, tot Bis- fchop werd ingewijd , met last , om het Christen- dom in Ierland te prediken en voort te planten. Van dit alles weet echter de Levensbefchrijving , die onder zijnen naam voorhanden is, niets, uit welke TiLLEMON'T (*) vecl meer befluit, dat patricius in zijn eigen vaderland, tot Diakon^ en vervol- gends tot Bisfchop zal ingewijd zijn. Volgends zij- ne eigene belijdenis., indien zij echt is, werd hij door hcmelfche gezichten van God opgewekt , om , als een Leeraar van het Christendom , tot die zelf- de (*) Memoires Tom. XVI. pn^. 458.
Fa
86 K E R K E L IJ K E
III de Heidenfche Ieren over te fleken, van welke hij
®^^' reeds zoo veel geleden had. Vergeefs wendden zij-
Hoofdft. ne vrienden en bekenden alles aan, om hem van
na C. G. dit voornemen af te trekken , zelfs onderging hij laar "6'^ o o j
tot 1-^6 deswcgens eene foort van vervolging ; doch hij
overwon, ten laatllen, alle zwarigheden, en kwam
in Ierland , in het jaar 432 , of kort daar na. De bekeringen en de voorfjpoed, welke hem hier verzelden , waren ongemeen groot en talrijk ; hij overwon , door aanhoudende wonderen , indien wij zijne Levensbefchrij veren geloven willen , en door (IrafFen, op zijn gebed door God toegezon- den, de wildheid der Heidenen, den tegenftand der Vorflen , en de boosheid der Toveraren , Druïden, Hij zelf fchrijft, in de gemelde Belijdenis^ dat hij, onder geftadig levensgevaar, het geheele Eiland door- getrokken, vele duizenden gedoopt, eene menigte Geestelijken gewijd, en een niet minder aantal Mon- niken en Nonnen aangewonnen, en in plaats van gefchenken aan te nemen , die hem , inzonderheid , van de laatstgemclden werden aangeboden , veel meer aan anderen , zelfs aan Koningen of kleine Vorften , gefchenken gedaan heeft. Dit is , het gene men, met zekerheid, van zijne verrichtingen, ten dienfte van het Christendom , in Ierland 7.tggQ.\\ kan. Ook noemt men eene geheele menigte Heilige Leerlingen , zoo mannen als vrouwen , welke hij daar zal hebben aangewonnen , onder welke de Ilei- Jige BRiGiDA, of BRiGiTTA (*), iu de gehécIe
Wes- (*) Wier leven, door zekeren cogitüsus. een onbe- kend
GESCHIEDENIS. 87
Westerfche Kerk zoo vermaard geworden, en lan- III gen tijd de vooniaamfte befcliermheilige van dit Ei- ^^fj land, naast de Maagd maria, p-eweest is. Hij zal fioofdft. meer dan 300 Bisfchoppen gewijd , en bijzonder het "^ C* ^* Aardsbisdom van jirmngh gedicht, en daar zelfj^j ^-^^ zijnen zetel, als Hoofd der lerfche Kerk, gehad hebben. Men maakt ook gewag van Kerkvergade- ringen , door hem gehouden , en men heeft nog Kerkelijke wetten, welke hij zal hebben opgefteld, die in de verzameling van zijne fchriften ftaan, te- gen welker echtheid nogthans gewigtige bedenldngeu zijn ingebracht. Hoe lang patricius geleefd heb- be , is niet min onzeker , dan vele andere bijzon- derheden van zijne Gefchiedenis. Volgends de oude verhalen , heeft hij eenen ouderdom bereikt van meer dan ICO jaren, usher ftclt zijne dood in het jaar 493, of één der naastvolgende , baronius en pe- TAvius in het jaar 460, tillemont in het jaar 455. Zoo veel mag men befluiten, dat hij eenen hoogen ouderdom beleefd, en het Christendom in Ierland eenen vasten grond gegeven heeft. Zelf ontbloot van kunften en wetenfchappen , braclït hij die gewis niet met zich, hoev»^el hij het letteifchrift op dit Eiland in gebruik gebracht kan hebben. Des te ijveriger boezemde hij zijnen bekeerhngen eene ge- negenheid in voor het Monniksleven. Uit hoofde van de menigte van Kloosters voor mannen en vi'ou- wen, kreeg Ierland den ^ eernaam zelfs van het Ei-'
land kend Schrijver, gevonden wordt in cams. Lectt. Am, Vol. I. pag, 416.
F4
88 • K E Pv K E L IJ K E
III land der IleiUgen ^ t\\ ^ \\\ de daad, deze lerfche
^'^^'^ Monniken hebben, in de volgende eeuw, als Zen-
Hoofdrt. delingen en Predikers van het Euiingelie, in andere
na C. G. landen van Europa , zelfs de verstgelegene , het
tot 47Ó. Christendom goede dienden gedaan , en deszelfs uit-
breiding bevorderd. Verfcheidene fchriftelijke opfliel-
len worden , gelijk wij reeds gezien hebben, aan PATRicius toegefchreven , fommigcn van welken in eene afzonderlijke vcrzanieling zijn in het licht ge- geven , door den lerfchen Ridder jacob war/eus , te Londen 1656 in Octavo; de beide eerfte, die 'm deze verzameling voorkomen , eene belijdenis of verhaal van zijn leven ^ (^Confesjio S. Patricii de Vita fua , ) en een Brief aan zeker klein Koningjen in Wallis , ( Epistola ad Coroticum , ) worden door- gaands voor echt gehouden. In dezelve komt ons PATRICIUS voor als een goedaartig, dweepachtig, vroom, eenvoudig, en ligtgclovig man , maar buiten- gemeen ijverend voor zijnen Godsdienst , die zelf erkent, dat hij zeer bocrsch, (^nisticisfimus ^^ on- kundig, en in het fchrijven geheel ongeoefend zij, en daarom befchroomd, om als Schrijver te voor- fchijn te treden. Schoon men in zijne Belijdenis gcene eigenlijke wonderen verhaald vindt, waar mede zijne Levcnsbefchrijving-en door anderen zijn opge- vuld, evenwel gewaagt hij van Godlijke verfchijnin- gen en gezichten , die hem gebeurd zijn : Zoo ver- zekert hij, dat hij, als 't ware, binnen in zijn ge- moed iemand met zuchten had hoorcn bidden, die zich eindelijk voor den geest verklaarde, ^^ voor ' de meufdicn tot God bidt. Dus was hij voor zich
zei-
GESCHIEDENIS. 89
zelven vast overtuigd, dat hij, onmidlijk, door open- III baringen , welke hij in zijne droomen had , van ^^^ God geroepen was, om het Euangelie in Icr/atid Hoofdtt, te verkondigen; welken weg hij ook eerlijk bewan- "^ C- 5^*
* 1131* ^n^
deldc, wordende door de menigte en getrouwheid ^^^ ^_^] zijner leerlingen in deze hoogc verbeelding zoo wel - als in de bereitlvaardigheid , om alles voor het ge- loof te lijden , verderkt. Zijn Latijnfche ftijl in dit opftel zoo wel als in den gemelden Brief aan co- PvOTiK , is ellendig flecht , en bijna barbaarsch. Deze Brief is eigenlijk niet aan dezen Vorst , die bij eencn inval in Ierland vele nieuwgedoop- te Christenen omgebracht , of in flavernij weg- gevoerd, en op eenen Brief van patricius fpottend geantwoord had, maar aan alle nabuurige Christe- nen gefchreven, met verklaring, dat patricius, en CHRISTUS, zijn God, wiens gezant hij zij , met die vader- en broeder- moorderen , den dwingeland coROTiK en zijne foldaten. volürekt geene gemeen- fchap hehbe , welige ook alle Christenen met hen afbreken , niet met hen eten , en hunne aalmoesfen niet aannemen moeten , vóórdat zij met heete tra- nen boete gedaan , en de gevangenen in vrijheid gefield hebben. Behalven de Kerkelijke wetten , waar van wij boven fpraken, worden hem voorts nog andere toegekend, onder welke dcne, waar bij hij alle twisten in Ierland tot den Apostolifchen f loei verwijst. Doch derzelver echtheid is onzeker, gelijk ook van de fpreuken , die aan hem wortlj^u toege- fchreven , maar weinig te beduiden hebben. Twee andere fchriftcn, van de drie woningen of rerblijf- F 5 plaat-
90 K E R K E L IJ K E
III plaatzen , (de tribus habitaciil'n ^ ) te weten, he-
*^!)'^ nicl , aarde , en hel ; als ook van de misbruiken der
Hool"dft. wereld , ( de abufumibus feculi , ) waar van 'er
na C. G. twaalf worden opgeteld , hebben eenen te soedeii
Jaar 363. ^ ■• o
tot 476. Latijnfchen ftijl, dan dat zij van patricius kunnen
^ wezen, even min als een andere Brief, (Charta ^^
van hem afkomltig is , dewijl die de jaarrekening naar de geboorte van Christus volgt. Behalven door anderen, is het leven van patricius befchre- ven door eenen Engelfchen Cistercienfer Monnik jocELiN of joscELiN, op hct einde der Xllde eeuw, doch, welke meer naar eenen Gcestlijken Roman ^ dan naar eene Lcvensbelchrijving gelijkt, uit hoofde van de menigvuldige laffe en belagchlijke vertelzeltjens , waar mede zij is opgevuld. In de- zelve wisfelen Openbaringen, Wonderwerken, Voor- zeggingen, Engelen, die een fpecerijgeur nalaten, en Duivelen , een ftipt vervuld bevel aan de zee , om, met zijnen vloed, eene hut, die hem in den weg ftond , zorgvuldig te mijden , een aanhoudend fchijnen der zon, gediiurende twaalf nachten, een Heilige, die tot rtraf, omdat hij aan het lang leven der Aardsvaderen twijfelt, 300 jaren leeft, bergen, die in vlakten veranderen, en meer dergelijke zeld- zaamheden, met malkanderen af, waar uit men dcr- zelver geloofwaardigheid genoeg beöordeelen kan (*),
Veel
(*) Belmlven het werkjen van war.tius boven ge- meld, zie men v.nn patricius en züne fchriften den Je- fuit BOLLAND de S. Patricio , Episcopo , /Ipostolo et Pri- mate Hiberuia Comment. Pr^ev. in Act. SS. MartiL
Tom.
C E S C II I E D E NM S. 91
Vcrl heeft men, in voorgaande eeuwen, ^vcten te III verhalen, van het zoogenoemde Fageninr van den "?^'' Heiligen patricius. Op een klein Eiland van het iioofdft. meir Derg^ in het Graaflchap Fermanagh^ vvas,"^C. G, behalven een Klooster met eene Kapel , een van [^^ ^_^*
fleen opgebouwd hul, met aarde en gras bedekt,
omtrent 16 voeten lang en twee voeten breed, zeer y^"^^^|^' laag en bijkans geheel duider , dit noemde men het den H. hol van het vagevuur : naast hetzelve waren eenii^e p-^tri-
CIUS«
zoogenoemde bedden , of zeer naauwe bemetzelde vertrekken, voor boetdoenenden ,• te koit, dan dat zij 'er in konden liggen ( * ). Nu verfpreidde zich allengs een gerucht, dat patricius, ten einde de ongelovige Ieren van de Ibaffe der zondaren in de toekomende wereld te overtuigen, van God verkre- gen hcbbe , dat in dit hol daadlijk die flraffen van elk werden aanfchouwd , die zich in hetzelve begaf, doch zoo, dat alleen boetvaardigen en gelovigen, van hunne zonden gereinigd, uit het hol terugkwa- men , maar ligtvaardige lieden 'er in omkwamen. Nu is het wel op zich zelf niet onmogelijk , dat PATRICIUS zich van eene list bediend kan hebben, om eene onbefchaafde en zinlijke Natie , door zinlijke verfchijningen , van de waarheid zijner bedreigingen te overtuigen , evenwel is ook dit aan te merken ,
dat
T. II. />. 519. f^. Ed. Aiitverp. i568. folio, ahvnnr men ook de Levensbefchrijving van joscelin uitgegeven vindt. (*) Men heeft 'er eene koperen plnat van bij wa- RACS de Hibernia et Antiqq. ejus Disqtiifitiones png. ipi. Lond. 1ÓJ4. 8vo.
92 K E Pv K E L IJ K E
III dat mcnêróór de Xllde eeiuv gcene fponr van dit
BOKK vertelfcl ontmoet; zelfs veifchilt de Monnik josce-
Iloofdfl. LLV, die in zijn leven van den H. patricius hier
na C. G. iej- yjiii meldt, tocli zeer in de bijzonderheden ,
Jaar 363.
tot 4-6. "^'^^ '^'^'^ S'^"^ "^^^ naderhand vertelde. Verhaald
• hebbende, dat deze Heilige niet alleen alle vergiftige
dieren , van welken dit eiland zeer geplaagd werd , maar ook de ontallijke menigte booze geesten, welke hetzelve, onder velerleië zichtbare gedaanten , vervul- den , en die hem zelven , terwijl hij zijn veertigdaag- fche vasten en bidden op ecnen hogen berg oefende , als een heir van zwarte , groote en lelijke vogelen, zochten te ontrusten , alle over zee weggejaagd heeft, vervolgt hij: Op dezen berg zijn nog velen gewoon te vasten en te waken, in de mening, dat zij, na deze Godvruchtige oefening, nooit in de hel zullen komen, dewijl God dit aan patricius vergund had; fommigen verhaalden bok, dat zij, daar vernachtende, de hardde pijnigingen hadden doorgeftaan , door welke zij geloofden , nu van hun- ne zonden gezuiverd te zijn ; waarom velen deze plaats hef F^igevuur van den Heiligen patricius noemden. De Engelfche Benedictiner Monnik mat- THEUS van Parys (*) , omtrent het midden der XÏIIde eeuw, is de eerfte, die ons, op het gezag der overlevering verhaalt, dat patricius de geheel onbefchaafde inwoners van Ierland niet anders vol- komen tot het Christengeloof heeft kunnen bekee- ren , dan door hen , gelijk zij van hem verlangden ,
de (*) MATTii. 9h^i%.liiit.Major.jy.Z-j.Lond. \6\o.foL
GESCHIEDENIS. 93
^.c fh'nfFcn der helle en de vreugde des hemels daad- III
lijk te doen zien. Op zijn gebed, had de Zoon ^v''
van God hem daar toe een hol aangewezen , waar iioofdfl.
dit , in het vervols; , gclchieden , maar ook elk boet- "^' C. G.
Taar ■^6^, vaardige, op éénen dag, van alle zijne zonde ge- tot 4-5!
reinigd zou worden. Dit gebeurde, vervolgt hij,
ten tijde van patricius, aan velen; bijzonder ver- haalt hij, breedvoerig, het geval van cenen foldaat, die, omtrent het jaar 1153, in dit hol de vvonder- baarile verfchijningcn van allcrlcië foort zal gehad hebben. Het gerucht en de vercering van dit hol bleef zedert voortduuren, tot dat Paus alexander \T, veiTiemende, dat men hetzelve misbruikte, om den ligtgelo\igen geld af te knevelen, fchoon zij, die 'er ingingen , niets bijzonders vernamen , dit hol, in het jaar 1497, liet vernietigen, hi de vol- gende eeuw nogthans, verrees het weder uit zijne puinhopen, en de Bedevaarden der\vaards begonnen van voren af, het werd in gefchriften aangeprezen, en in de gcbedeboeken der Roomfche Kerk gewaagd. Een naauwkeuriger onderzoek, door den. fladhouder van Ierland aangefield , ontdekte de bedriegerijen der Monniken, welke daar bij gepleegd werden, en gaf aanleiding, dat zij allen, tusfchen de jaren 1620 en 1630, het eiland moesten verlaten, en dat het gezegde hol met den grond gelijk gemaakt werd (*).
Ter-
(*) Men zie behalven de acta SS. boven aangehaald ,
P. LE ERi'N Dhfertntion fisr Ie Purgatoire de S. Patri-
ce , in zijne Histoire Critiqtie des Pratiques SuperjUtieu-
fes Tom. lY. pag. 34-44. Amfterd. 1736. 8vo.
94 K E R K E L IJ K E
III Terwijl dus het Christendom zich, in het Wes-
^^^^ ten, onder de Heidenfche volken, uitbreidde, werd
Iloofdft. het ook, in het Oosten, verder voortgeplant. De
^^ ^- ^' Hunnen hadden zich, na hunnen inval in Europa^
Tfisr^ó''.
lot 470! i" '^^'^ J^^'* 37Ö, gevestigd van de Zwarte zee af
■ tot het tegenwoordig Himgari'é toe ; zij leverden ,
1 o'"^' even als de Gothen , Franken , en andere . Duitfche
terfche volken, al vroeg luilpbenden in bezolding der Ro-
Heidc- meinfche Kcizeren ,. en kregen , even daar door , ken- nen; van ^ c 7 Hunnen, nis aan den Christelijken Godsdienst, socrates (*)
evenwel noemt ons nog eene bijzondere aanlei- ding, waar door deze Godsdienst bij hen eerwaar- dig werd. Onder de regering van tiieodosius den Grooten , leefde theotimus , Bisfchop van Tonn , en van geheel Scythi'è, (dat is, de landen aan de Zwarte zee,) die in de Wijsbegeerte (f), zeer geoefend, en van de Barbaarfche Hunnen^ die aan den Donau woonden , zoo geacht was , dat zij hem den God der Romeinen noemden; alzoo zij God- lijkc door hem verrichte werken vernomen hadden. Men verhaalt van hem, dat hij ééns op de grenzen van het land der Barbaren reizende , eenigen van dezen ontmoette, die naa Tomi gingen. Zijne reis- genoten bejammerden reeds hunnen ramp, maar de Bisfchop, van het paard geflegen, deed zijn gebed. En nu gingen de Barbaren voorbij, zonder hem, of zijn gezelfchap , of paard , te zien. Door zacht- heid ,
(*) Hist. Eccics. VII. 2(j.
(t) Misfchien GodzrJighcid , zoo wordt (piXOTQ^i»^ ^tKocQi^Ziv in fchriften van dien tijd genomen.
GESCHIEDENIS. 95
htïil , minzaamheid en gcfclienken , wist bij hunne III zeden te lenigen, doch één dezer barbaren, hier ^^^^ door in den waan gekomen , dat de Bisfchop zeer Hoofdfl, rijk moest zijn , zocht zich van hem meester te "^ C. G, maken. Reeds wilde hij , met den Bisfcliop fpre- ^Ylt'^^^^' kende , dien emen llrik om den hals werpen , maar .
zijne ten dien einde opgehevene hand verwijfde oogenbliklijk , en hij kon dezelve niet tot zijn ge- bruik bewegen , vóórdat theotimus God voor hem gebeden had. Wat 'er ook zij van deze verhalen, op dergelijke wijze kunnen evenwel de onbefchaafde Hunnen, door dezen Bisfchop, tot eerbied voor het Christendom gcbraclit zijn geworden. Onder de Saracenen was het Christelijk geloof Bekering
reeds vroeger gekomen. De Saracenen , dus genoemd "^'' '^^'^^'
cenen. naar dat gedeelte van Arahi'è, hetwelk zij bewoon^
den (*}, of van een Arabisch woord. Oosterlin- gen (t)? waren een Arahifche ftam, wiens naam naderhand algemeen geworden is aan alle de Ara- bieren, welke ftam, door ammianus riarcelli- Nus (§) befchreven wordt, als zoo wreed en woest, dat zij zelfs voor de Gothen ten fchrik verftrekten. De eerfte fporen van de bekeering van een gedeelte der Saracenen vindt men in het leven van hila- RiON, dien grooten voorftander van het Monniken- leven in Palcefiina , van wien wij in het voorgaan- de IVde Deel (**) gefproken hebben. Deze ging
eens
(*) STEPHAN. Bijzant. de urbib. h. v.
(t) POCOCK Not. ad fpec. hht. Arab. />. 33. fq,
(§) Hht. Libr. XXXI. Cap. \6. (**) Bladz, 103;
96 KERKELIJKE
ITI eens (*) met eene ontelbare menigte Monniken ïii "?^ de Wocltijn Kades ^ om zijne leerlingen te bezoeken. Hoofdft. Onder weg kwam hij in de ftad Elufa^ alwaar de na C. G. inwoners een jaarlijks feest in den Tempel van ve- tot 470! ^^'^ vierden. Alzoo nu iiilarion vele bezetenen ■" -« onder hen genezen had, kwam, op de tijding zijner aankomst , een groot aantal Saracenen met hunne vrouwen en kinderen hem te gemoet, die hem om zij- nen zegen fmeekten. hilarion ontving hen vriendelijk , maar vermaande hen tevens , liever God dan de dar- ren, (vENUS was bij hen de avondftar,) te aan- bidden, en beloofde hun, met tranen, dat hij hen meermalen wilde bezoeken, indien zij in Christus geloofden. En zie hier een wonder der Godlijke genade ! roept iiiëRONVMUs uit , zij lieten hem niet vertrekken , vóórdat liij een ontwerp tot eene Chris- ten - Kerk bij hen gemaakt had , ja hun Priester zelf, zoo als hij daar gekransd, naar het Heidcnsch ge- bruik, gereed Hond, om te oflèren, werd met het teken van christus getekend, dat is, waarfchljn- lijk, hij werd, door het teken des kruis, tot eenen Christelijken Leeraar ingewijd. Van de gevolgen van eene zoo fpoedige bekering fpreekt HiëRONVMUs verder niets. Maar, bij rufinus (f), socra-
TES (§), SOZOMENUS (**) , CU TIIEODORETUS (ff),
vindt men een bericht, hetwelk, tot wat later tijd,
om-
(*) Dus luide het verhnal bij hiüronvmus in Vita lUlarionii inter Epistolas. (j) lüst. Eccles, II. 6.
(5) Hist. Eccles. IV. 36. V. i. (**) VI. 38. ■ (tt) Hist. Euies. IV. 23.
GESCHIEDENIS. ^^
©mtrent het jaar 472 behoort, en dus luidt: ma- IïI RiA , ecne Koningin der Saracenen , (theodore- ^^^ Tus noemt hen hma'éüten , ) had , in eenen oorlog [loofdft. met de Romeinen , Païceftina en de naburige lan- "^ ^' ^' den zoo verwoest, dat men haar voorllellen van ^^j ...g'
vrede liet doen. Op hare verklaring van dezelve ■
niet te willen aannemen , ten zij zekere Monnik , MOSES genoemd, die zich, in de Woeftijn tiisfchen Egypte en Palafiina , in de Godzaligheid oe- fende, (<p<Aö(ro^wv,) en die niet alleen door zijn heilig leven , maar ook door wonderwerken , ver- maard was, tot Bisfchop over haar volk werd aan- gefteld, werd, op last van Keizer valens, deze Monnik gehaald , en ie Alexandriê tot Bisfchop in- gewijd. Zedert bracht deze moses dit volk, door onderwijs en wonderwerken, tot het Christendom over. Nog andere bijzonderheden heeft sozome- Nus , .waar mede deze bekering der Saracenen worde opgefchikt. Het hoofd van eenen Saraceenfcken ftam zocoMus, had geene kinderen, waar over hij zich bij eenen vermaarden Monnik beklaagde. De Mon- nik beloofde hem eenen zoon , indien hij in Chris- tus geloofde. Toen dit nu werklijk gebeurde , werd de Vorst niet alleen zelf een Christen, maar maakte ook , dat zijne onderdanen hem daar in volg- den. Deze ffcam werd vervolgends zoo gelukkig en talrijk, dat hij voor de Perfen en de overige Sa- racenen geducht werd.
Bij het bovenftaande verhaal van de bekering de- A^inmer- zer onbefchaafde volken tot het Christendom, zal '5'"^°^^'^ zekerlijk de menigte van wonderwerken eiken ver- kering."""
V. Deeu. G ftan-
9Ï? KERKELUKE
III llandigen Lezer in het oog vallen. Zoo vele zende*
"^^J' Hngen, zoo vele wonderdoeners. Bij deze vergele-
Hor.fdft. ken, zijn de tijden van christus en de Apostelen
nn C. G. ^Ym , ten minllen fpaarzaam , in wonderen. Even-
"foor O/)"?
tot 1~6. ^^'-''^ ^^^ ^'y ^^^ wonderwerken van dezen tijd in ge- ■ loofwaardighcid met die van jesus en de Apostelen
in geeneu decle vergelijken. De menigte zelve maakt ze reeds twijfelachtig. De gefteldheid der tijden, in welken allen wonderen verwachtten, allen wonderen geloofden , zonder dat iemand twijfelde of onder* zocht; het eenzaam Kluizenaars- en Monniken -le- ven, waar bij dweperij en geestdrijverij Godzalig- heid heette , en het ftrcnge vasten en kwellen van het ligchaam de verbeelding verhitte , vermenigvul- digde het aantal van verfchijningen , en gewaande wonderen, welke ter ecre van den Godsdienst ge-» acht werden te ftrekken. Elk Monnik of Kluize- naar, die den roem van heiligheid had, d«cd op zijne Avijze wonderen , en had gezichten en verfchij- ningen, en elk, die ze verhaalde of voorwendde, kon zeker zijn, geloof te zullen vinden. Men be- loofde aan de onbefchaafde volken de overvvinnmj en tijdelijken welvaart , aan hunne Vorften erfgena- men, men voegde daar bij ecne vertoning van meer dan menschlijke heiligheid , terwijl men anderen dooc gaven en aalmoesfen bekoorde; op deze wijze kre- gen' de zendelingen invloed bij deze ruwe en zinlijke volken, die hen voor hoogcr wezens aanzagen, en^ ligtlijk alles, wat hun vreemd en zonderling voor- kwam, voor wonderwerken van dczQ heilige matt^ iien hielden.
In-
GESCHIEDENIS. 99
Indien , toch , zoo vele wonderen , tot uitbrei- III
ding van het Christendom, onder de ruwe volken ^^^
van het Noorden, in de daad , en waarlijk, gefchied Hoofdfl.
zijn, moet het ons bevreemden, dat wij, bij de he- "^ ^- G.
vige vervolging, welke de Christenen , in het begin ^q^ ^_|'
der vijfde eeuw , in Per/të hebben ondergaan , niets '•
van wondenverken lezen, tot bemoediging of ver- X^r^o'"
° ° ging der
losfing der Chnstenen; hoewel het geval, hetwelk christe-
aanleiding gaf tot deze vervolging , ftrekte ook den "C" ^^ Christenen niet zeer tot eere, gelijk uit de Gefchie- denis blijken zal. Na de vervolging, welke de Christenen , ten tijde van den Keizer konstantius , onder den Per/t fchen Koning sapor geleden had- den ( * ) , fchijnen zij tot in het begin der vijfde eeuw rust genoten , en hunnen Godsdienst onge- ftoord in Per/fë uitgeoefend te hebben. Hun getal wies van dag tot dag aan, en zij hadden vele Ker- ken en Leeraars. Tot deze rust en voorfpoed bracht ook veel toe de vrede en goede verftandhouding , geduurende dit tijdsverloop , tusfchen de Romeifjen en Perfen (f), isdegerd of yasdejird , die zé- deit het jaar 399 in Per/ië regeerde, ftond zelf op het punt , om een Christen te worden , indien men socRATES geloof mag geven (§).
Tot deze goede gezindheid van isdegerd jegens Bijzon- de Christenen , bracht iniaruthas , Bisfchop van t^erheden
Ta-
(*) Zie het IV Deel, BJadz. 273.
(f) Hoe ver deze goede verftandhouding gegaan zij, zie men in dit Deel, Bladz. 24.
CS) Ent. Eccles. VII. 8. G 2
loo K E R K E L IJ K E
III Tagtit in MefopotamVè ^ welke (lad de Syriëfs ook
BOEK Maiferkin of M ai f er kat ^ ook wel Medinat - Sohde
Hoofdft. of de Stad der Martelaren noemen, veel toe (*).
na C. G, Deze had , reeds onder de regering van den Keizer
tot A.7S ARKADius , ecne reize naa Konftantinopolen onder-
ii nomen , om het Hof ahJaar te bewegen , tot eene
van MA- voorfpraak voor de Christenen , die toen in Perfi'è
RUTHAS ^ j
Bisfchop in verdrukking leefden , maar de Hoofdfiad vol on- van Ta- rust en partijfchap vindende , tegen den toenmaligen Mefopo- I^isfchop derzelve, chrysostomus, keerde hij, on- tamië. verrichter zake, terug (f). Naderhand echter werd Jiij, door Keizer theodosius den jongeren , aan den Perfifchen Koning isdegerd gezonden , om dien van het vervolgen der Christenen af te manen. Volgends socRATEvS (§), werd hij van den Koning, met alle achting ontvangen. De Magen , of Priesters der Per» fen^ vrezende, dat de Bisfchop den Koning mogt bewegen, een Christen te worden, te meer, dewijl hij , door zijn gebed , den Vorst van eene langduu- rige hoofdpijn, die zij niet hadden kunnen genezen, verlost had , fielden verfcheidene kunftenarijën te werk, welke echter door den Bisfchop ontdekt wer- den,
(*) De Griekfche Schrijvers der Kerk- Gefclnedenis socRATEs Hist, Eccles. VII. 8. sozomen. VIII. \6. enz. hebben van dezen vermaarden mnn eenige weinige bijzon- derheden , mnar assemanni Biblioth. Oriënt. Clement. Vatican, Tom. I. pag. 174-179. heeft des te meer uit Syrifche Schrijvers van hem verzameld. .
(j) Verg. socrat. VI. 15. sozomen. VIII. 16.
(S) Libr. VII. Cap. 8.
GESCHIEDENIS. loi
den , wicn de Koning daar op vergunde , zoo vele III Christelijke Kerken te ftichtcn, als hij wilde. Niet ^^^^ lang daarna keerde de Bisfchop naa Konflantinopo- Hoofdft. len terug, doch kwam, vervolgends, op nieuw, "^ C. G. als gezant van den Keizer, in PcrfiL Thans ver- J^j ^.,^* richtte hij , te gelijk met abdas , eencn Bisfchop in — — — Perfi'é^ aan des Konings Zoon een wonderwerk, door het uitdrijven van eenen duivel, van welken hij bezeten was. Het één en ander nam isdegerd zoo in , ten voordeele van het Christendom , dat hij hetzelve omhelsd zou hebben , zegt socrates , indien hij langer geleefd had , maar hij overleed te vroeg , en werd door zijnen Zoon varanes , ( of baharam den V,) opgevolgd. Deze biizonderhe- den fteunen wel enkel op het verhaal van socra- tes , nogthans blijkt zoo veel uit de Oosterfche Schrijvers , dat de (laat der Christenen , in Perfi'é , thands voorfpoedig was. maruthas bediende zich van deze rust, om met den Primas^ (Primaat) of Catholicus , dat is , den Opperbislchop in Perfi'é , die zijnen zetel te Ctefifon in Seleticië had, eenige Kerkvergaderingen te houden, op welke het geloof der Nice'ifche Kerkvergadering voor dit land beves- tigd werd. Na zijn overlijden werd het lijk van MARUTHAS, als van eencn heiligen en wonderdoener, naa AlexandrVè in Egypte gevoerd, en aldaar in een Klooster der Maagd maria bewaard en den volke vertoond. Hij heeft veifcheidene fclniften, in de Syrifche taal, nagelaten, waar van gedeeltelijk uittrelvzels bij assemanni gelezen worden. Een Kerkboek^ omtrent den openbaren Godsdienst, heeft G 3 men
loa K E R K E L IJ K E
III men van hem, onder den titel van f.502i|-J-Lf
^"^'^ lietwelk het Griekfche 'Avx:pofoi is , gedeeklijk in het
Moofdft. oorfpronglijk (*), gedeeklijk in het Latijn bij re-
na C. G. NAUDOT, met deszelfs aanmerkingen (f). Uit zij-
tot lyó' "^ f^ef'klaring van het EuangeJie , haalt asseiman-
NI eene plaats aan, ten bewijze, dat maruthas
geloofd hebbe, dat de Christenen, in het Heilig Avondmaal, het ligchaam van CHRISTUS ontvangen, vleesch van zijn vleesch, en heen van zijne heenen ^ gelijk gefchreven J}aat. Deze Bisfchop heeft ook eene Gefchiedenis der Martelaren in de Perfifche vervolgingen der vierde en vijfde eeuw, als ook Lofzangen en Liederen op dezelven , gefchreven ; van de eerde vervolging onder sapor heeft assemanni een verkort uittrekzcl , maar zijn Neef stef. evod. ASSEMANNI liet geheele verhaal uitgegeven , doch van zijne Gefchiedenis der tweede vervolging, ontmoet men bij assemanni enkel twee plaatzen over twee Martelaren. Eindelijk worden nog aan jniaruthas 16 Kerkelijke JVetten toegefchreven , die hij op de Kerkvergadering te Seleuci'é en Ctejifon, met den Aardsbisfchop dier flad, isaSk, zal opgefteld heb- ben , betreffende de Kerkelijke tucht , en eene ge- fchiedenis der Kerkvergadering van Nice'é , bene- vens de 73 wetten, aan dezelve toegefchreven, door hem in het Syrisch vertaald. Doch deze laatfte ar- beid is verloren gegaan. Aanlei- De vervolging der Christenen in Perfië nam reeds
eenen (^*') In Misfali Maronitanini a. 1594. cd. pag. 172. ^1) Liturg. Oriënt t, Tom, \\, pag. 261./^.
GESCHIEDENIS. 103
eenen aanvang, bij het leven van isdegehd (*), III
maar woedde voornaamlijk onder zijnen Zoon vara- ^^^
NES. ABDAS, Bisfchop in de Koninglijke Hoofdftad Hoofdft.
Sufa , een man anders van vele prijslijke cigenfchap- "a C. G.
pen, verfioutte zich, in zijnen ijver, eenen Per/i- [^^^ ^^^J
fchen vuurtempel, (n-u^stav,) te flopen. De Koning -
ISDEGERD , wien de Map't hier over klaat^den, den "'"?^' '^ , voort-
Bisichop, vvicn hij anders achtmg toedroeg, voorgpngen
zich ontboden hebbende, gaf hem deswegens eene einde der zaclite bedrafling , en gebood hem , dezen Tempel vervol- wedcr te laten opbouwen. De Bisfchop dit vol- ging. flrekt weigerende, dreigde de Koning hem, alle de Christelijke Kerken, door zijn geheele Rijk, te zul- len laten nedervverpen; hetwelk ook daadlijk volgde, nadat de Vorst den Bisfchop , om zijne halftamg- heid, vooraf ter dood had laten brengen. Dit was het begin eener vervolging der Christenen in Per- fië, welke dertig jaren daania, toen theodoretus in het jaar 450 , zijne Gefchiedenis fchreef , nog niet geheel bedaard was. Het gedrag van den Bis- fchop ABDAS wordt reeds door theodorj^tus be- fchouwd , als een verkeerde en ontijdige ijver. „ De „ Godlijke Apostel ," zegt hij , „ vond geheel y^thee-
„ nen
(*) Volgends socRATEs (Hts^. Ecc/es. VII. 18.) \v:s ISDEGERD , tot zljne dood toe , een vriend der Christe- nen, maar volgends theodoretus (H/sr. Eccles. V. 39.) die in S^jri'é leefde, en de wa?.re p.anleidende oorzr.p.k tot deze vervolging opgeeft, ja ook, volgends marutjias verhaal zelf, blijkt het, dat wel deegiijk het begin der. vervolging nog tot het leven van isdegerd behoort. G4
104 K E R K E L rf K E
ITI „ tien overgegeven aan de Afgoderij; maar wierp ^lY^ „ geen enkelen Altaar der Afgoden om; alleen be- Hoofdfl. „ ftreed hij hunne onkunde met woorden , en na C. G. bracht hen, door overtuiging, tot erkentenis der tot ±76, '» vvaarheid;" alhoewel hij den Bisfchop nogthans - daar in prijst, dat hij liever de dood verkoos, dan naar het bevel des Konings den Tempel weder op te bouwen. Doch , omtrent het één en ander heeft bay- LE (*), verfcheidene ^goede aanmerkingen gemaakt, en aangetoond , dat abdas naauwlijks den naam van Martelaar voeren kan , waar in ook barbeyrac met hem overëenflcmt (f). Naar het bericht der Oosterfche Schrijvers fchijnt isdegerd zich, met het ftraffen van abdas , en het omverwerpen der Christelijke Kerken , vergenoegd te hebben , maar zijn Zoon varanes, door de 3Iagi aangcflookt, zette de vervolging, met alle hevigheid, voort; waar bij nieuwe foorten van pijnigingen uitgevonden , en vele Christenen ter dood gebracht werden. Sommi- gen werd de huid van het hoofd, den rug, of han- den afgevild ; anderen gebonden in kuilen , welke men dicht floot en met muizen vulde , geworpen , zoodat zij door deze dieren eene langzame dood
fter-
(*) Dicton. Hist. et dit. V. Jbdas.
( f ) In zijne Fourredcn op de Fnïnfche Vertaling van PUFFENDORF Jus Nat. et Gent. De Franfche Bencdicti- ner Monnik p. ceillier dnar tegen verdedigde abdas in zijne Apologie de la Morale des Pcres Se r Eglife pag, 444. hier op heeft barbevrac breedvoerig geantwoord Traite de la Morale des Peres de l" Eglife f. Z'^i, fq.
GESCHIEDENIS. 105
llciven moesten. De Christenen verdroegen alle lij- III <.kn, met hunne gewone ftandvastigheid , en gin- ^^!^ gen , gcfterkt door de hoop der onfleiflijkheid , vrij- iioofdft. vvillii? ter dood. hormisdas, een man van edel '^^ C. G. bloed, weigerende JE sus te verloochenen, werd ver- J^^ ^3[ wezen , om , bijna naakt , een kameeldrijver te wor- — — den. Na eenigen tijd wilde de Koning, medelijden met hem hebbende, hem een linnen kleed geven , zeggende: Laat eens eindelijk uwe hardnekkigheid varen, en verlochen den Zoon des Timmermans! Maar hormisdas verfcheurde het kleed, en wiei"p het voor 's Konings voeten , met deze woorden : Houd uw kleed , met uwe Godloosheid , voor u zgl- venl Waar op hij van alles beroofd, en het Rijk uitgezet werd. Eenen Diiikon, benjamin genoemd , trof een erger lot. Op voorfpraak van eenen Ro- meinichen gezant, had hij zijne vrijheid weder ge- kregen , onder voorwaarde , dat hij aan geeneu Magtis het Christendom zou voorhouden , deze voorwaarde weigerende, werd de Koning zoo ver- bitterd , dat hij hem , onder ijslijke pijnigingen , het leven liet benemen (*).
Daar de voorige vervolgingen der Christenen , in Oorlog Perfi'é , ontdaan waren , bij gelegenheid van eenen oor- j^'^'n log tusfchen de beide volken , dewijl de Perfen de meinen
Christenen verdacht hielden , van met de Romeinen ^'^ ^■*^^"
„ feil. laam
(^*) AssEMANNi {Bibl. Oitent. l. c. pag. 181.) heefc niet meer dnn twee voorbeelden vsn Martelnren , in de- ze vervolging, uit de Oosterfche Schrijvcren kunnen bij- brengen.
G5
io6 K E R K E L IJ K E
III faam te fpanncn, bracht integendeel de tegenwoor- ^?v' digc eenen oorlog te weeg. Te weten , ecnige Hoofdft. Christenen uit Perji'é^ naa het Romeinfche Gebied na C. G. gevlucht, fmeekten om voorfpraak en hulp; atti- tot 47Ó ^^^ ' Bisfchop van KonflantinopGkn , „deze vluchte- -' lingen vriendelijk ontvangende , drong den Keizer
THEODOSius den 'Jongeren , om zich hunner aan te trekken ; deze Keizer , bovendien redenen van misnoegen tegen de Perfen hebbende , die de Ro- meinfche Mijnwerkers, door hen in dienst geno- men , weigerden te ontflaan , en die ook eenige kooplieden hadden beroofd, nam de vluchtelingen in zijne befcherming , en weigerde hen , op den eisch van varanes , over te leveren. De oorlog nam hier op, in het jaar 421, een begin, en werd door de Romeinen vrij voorfpoedig gevoerd; geen won- der, indien het waar is, het gene socrates (*) bericht ^ dat zij door eenen onmidlijken bijftand van God geholpen werden. Te weten , als theodo- sius zijn vertrouwen geheel op God ftelde , ver- fchenen aan ecnige burgers van Konftantinopolen ^ die zich in Bithynië bevonden. Engelen, die hun belastten, aan hunne wegens dezen oorlog bekom- merde medeburgeren te boodfchappen , dat zij goe- den moed konden hebben , en op God vertrouwen zouden, dat de Romeinen de overwinning zouden behalen, alzoo zij. Engelen, daar toe van God ge- zonden waren , om toezicht te houden over dezen krijg. Van deze befchcmiing haalt hij het volgende
voor- (*) Hist. Eccles. VII. 18.
'.GESCHIEDENIS. 107
voorbeeld aan, dat een leger Saracenen ^ ten dien- III
fle der Perfen opgetrokken , onverziens met een' "5*^^
iidelen fchrik gedagen werd, zoodat meer dan 100,000 fioofdft,
van dezelven zich in den Eufraat wierpen en ver- "^ C- G«
Tr.ar 363. fnioordcn. Evenwel belijdt hij, onmidlijk daar opj^^j .^5^
dat de Romeinen, op hunne beuit, daar zij een Pcrfisch leger in de rtad Nifibis belegerden, door foortgelijken ichrik gedreven, de belegering, zonder reden , hebben opgebroken, theodoretus weet ons insgelijks een voorbeeld te verhalen van de bijzondere hulp van God (*). varanes had de ftad TheodofopoUs belegerd, en zette de belegering met zoo veel kracht voort, dat de flad eerlang fcheen te moeten buigen. Maar de Bisfchop der flad, EUNOiNiius, flelde alle de aanvallen der Per/ea te leur. Als eenmaal één der Vorften van het Per- fisch leger God lasterde, en deszelfs Tempel dreig- de te zullen verbranden , liet de Bisfchop eene Ba- lista of Bleij met eenen zwaaren (leen laden , en denzelven in den naam van God , die gelasterd was, affchieten. De fteen trof en verbrijzelde het hoofd van den Perfifchen Vorst , de belegering werd opgebroken, en de vrede met de Romeinen gefloten. De handelwijze van eenen anderen Bisfchop, waar in geene onmidlijke wonderen voorkomen , doch welke insgelijks veel tot den vrede zal hebben toe- gebracht , verllrckt evenwel den Christenen tot groo- ter en wezenlijker eer. Zij wordt ons door socra- TES (t), op de volgende wijze verhaald. Bijeenen
in- (*) Hht. Eccles. V. 37- Ct) Hisl. Eccles. VII. 21.
io8 K E R K E L IJ K E
III inval in het Perftsch Rijk , hadden de Romeinen ^^^^ omtrent 7,000 gevangenen medegevoerd , welke zij Hoofdfl. niet terug geven wilden, en te gelijk, tot groot ver- na C. G, ^^^^ y-ifj (|j>n Ferfifchen Koning, van honger bijna tot 470 ! ^^*^^'-'" omkomen, akacius , Bisfchop van Amida^ - met medelijden over deze ellendigen getroffen , liet
zijne gcestlijkheid bijeenkomen , welke hij voorliield : 5, Hoe God geene kannen , bekers noch fchotels „ behoefde; daar nu hunne Kerk, door de mildda- „ digheid der gemeente, vele gouden en zilveren „ vaten bezat, was het wclvoeglijk , met dezelve ,, deze gevangenen van de foldatcn vrij te kopen, ,, en hen te fpijzigen. " De Geestlijkheid hare toe- (lemming gegeven hebbende , liet hij deze vaten ver- fmelten, betaalde aan de foldaten daaraiede het los- geld, onderhield de gevangenen nog eenigen tijd, waar na hij hen , met reisgeld voorzien , naa hun- nen Koning terug zond. varanes hier over ver- baasd, dat de Romeinen hunne vijanden ook door weldaaden zochten te overwinnen , betoonde een verlangen , om akacius nader te leeren kennen , die, zegt men, met verlof des Keizers, hem een bezoek gaf. Hier op volgde reeds in het jaar 422 de vrede, met welken de vervolging, volgends so- crates, een einde nam, fchoon theodoretus de- zelve tot aan zijnen tijd , in het jaar 450 , dus 30 jaren lang , laat duuren , hetwelk men op deze wijze kan veref- fenen , dat de vervolging nog van tijd tot tijd vernieuwd is, zonder echter algemeen of zeer wreed te wezen, Toeftnnd De Jooden , die door de dood van • Keizer juli-
dp^Joo- ^j^ eenen magtigen befchermer verloren hadden , den. ° °
(ton-
tetaaLie aan ile loUaten daar me<de
osöeJ
GESCHIEDENIS. 109
(londen zedcrt van tijd tot tijd bloot voor de enge- III
regeldheden van cenen verkeerden ijver van fommige ^^V^
Cliristenen , die hen, al ware het met geweld, tot HoofdlT.
het geloof in te sus wilden brengen, terwijl de Joo- ^^ C. G.
* Tr?r 363.
den zelve zich daar tegen te meer verhardden , even- ^^^ ^^^
wel genoten zij bij de Keizers dikmaal befcherming
en gunst , gelijk blijkt uit de menigvuldige wetten ,
omtrent hen , door julianus opvolgeren tot op
THEODOSius de f2 jongeren, gegeven.
VALENTiNL\AN I , die aan alle gezindheden vrije Wetten
Godsdienst- oefening vergunde, verbood, bij een be- ^"^""^"^ =» =• ' -^ henvan
vel, omtrent het jaar 368 in GaUië gegeven (*), Keizer den foldaten , hun verblijf cf inkwartiering in de valen-
^ 1^ , o- TT- 1 •• • TIiMAAN
Joodfche Synagogen te nemen. Hier bij gist baro- j^ Nius (t)^ niet ongegrond, dat, gelijk de Jooden zich onder julianus, met de Heidenen verëcnigd hadden , om den Christenen verdriet aan te doen , dus thans de Christenen , op hunne beurt , hen , ter vergelding, verdrukten , en dat dit aanleiding tot dit verbod gegeven hebbe.
Dewijl 'er fleeds voorbeelden gevonden werden VanvA- van Christenen , die tot de fooden overdnaien , zon- lentini-
AAN CCll
der dat wij nopens de bijzonderheden en aanleiding Jonge- tot zoodanigen afval behoorlijk onderricht zijn, gaf '"en* de jongere valentixl\nus , in het jaar 382 , eene wet, dat de uiterfle wil van zoodanige afvalligen
krach-
(*) Ccï/. Theod. Libr. VH. tit, 8. de Metatis leg. 2. Cod. Iu(l. Libr. I. tit. 9. de Jud^cis et Coelic. /eg. 4.
(f) y^üfj. Ecclés. a. 565. n. 45,
iio K E R K E L IJ K E
III krachteloos zou wezen ('O- Dezelfde Keizc-r ont-
^^y^ nam, in het jaar 383, den Joodfchen Leeriiaren,
Hoofdft. den vrijdom , van openbare bedieningen , ( Curia-
na C. C. jiiijj^ munerum immunitas ^^ welke zij tot hier toe,
tot ±76. zedert de vergunning van konstan tyn den Groo^
ten (f), genoten hadden (§).
Van THE- Ten einde het gevaar van verleiding tot den Jood-
oDosius fci^eii Godsdienst te beter voor te komen, verbood
den
Grooten. THEODosius de Groote^ 'm het jaar 388 (**), zoo
als KONSTANTius reeds gcdeeltlijk gedaan had, dat geene Joodfche vróüvv ,- of man , eenen Christen of Christinne trouwen mogt , zullende de overtreder ïils een overfpeler of overfpeleresfe aangemerkt, en als zoodanig geftrafr worden. Anders was deze Vorst jegens de Jooden niet onbillijlc. In het jaar 390 , verbood hij , dat men niet alle Jooden en Sa- maritanen , zonder ondcrfcheid , onder de verpligting zou betrekken, om zich als Schippers in den dienst van den Staat te laten gebmiken (ff). Op de tdag-
teii
( * ) Cod. Thcod. Libr. XVI. ///. 7. de Apost. leg. 3. Cüd. ■htjïin. Libr. l. Ut, 7. de /Ipostat, leg. 2.
(t) Cod. Tiu:od. L. XVI. ///. 8. de Jiidceis etc. leg. 4.
(5) Men vindt de wet vnn valentiniaan II. Cod. 'Tneod. Libr. XII. tit, l. de Deciirionib. leg, pp. Co^. 'iuft, Libr. I. tit, p. de Judais leg. 5.
(**) Cod. Theod. Libr. III. tit. 7. de Nuptiis leg. a. Libr, IX. tit. 7. ad l. Ji:L de adiilterii leg. 5.' Cod. lu- Jiin. Libr. I. tit. p. de Jud^eis leg. 6.
(ft) Cod. Thcod. L, XIII. ///. 5. de Nai'iculariii l. 18.
GESCHIEDENIS. m
ten derjooden, dat zulkcn, die, door hen, uit hun- ut ne gemeente gebannen waren, hun, tegen wil en ^^oek dank van de opzieners van hunnen Godsdienst , Hoofdft. {Legis fuds Primates ,^ door de Christelijke Over- na C. G. heden, met geweld, weder werden opgedrongen , J^J"^ J^|*
verbood de Keizer , in het jaar 392 , deze geweld
dadigheid, zelfs uit kracht van eenige verkregene Keizerlijke vergunning, verder in het werk te ftel- \
len. Zoodanige opzieners, zeide hij, moesten ook bij d waalenden, (/« ea Stiperjïitione^^ hun aanzien behouden ( * ). In het volgende jaar verklaarde deze Keizer , met groot misnoegen vernomen te hebben , dat men den gooden , wier gezindie , evenwel, gelijk hekend is , door geene wet verboden was , hier en daar belette, hunne Godsdienftige bijëenkomftcn te houden , hij gelastte derhalven den Opperveldheer van het Oosten , den onmatigen ijver , ( ni wietas , ) van zulken , die , onder voorwendzel van den Chris- telijken Godsdienst, beftonden, Sijnagogen te ver- branden en te plunderen, met behoorlijke flrengheid te beteugelen (f).
Zijne Zoonen waren insgelijks billijk in hunne Van ar- wetten , de Jooden betreffende. In het jaar 396 , "^^^oiusp gaf ARKADIU3 hun eene fchriftlijke verzekering, dat de prijs van die dingen, welke zij openlijk verkoch- ten , niet door Christlijke toezieners , maar door hun- ne eigene opzieners bepaald zou worden (§). Waar-
■ fchijn-
(♦) Cod. Theod. L. XVI. /. 8. de Jud^is eet. /. 8.
(t) Ib:d. leg. 9.
(5) Cod, Theod. Lihr. XVI. tit, 8. de Judais leg. 10.
Cod.
112 K E Pv K E L IJ K E
III fchljnlijk werden zij door de Christelijke toezieners ®°^^ dikwijls genoodzaakt, hunne waaren voor den min- Hoofdft. ftt-'n pi'lis te geven. In het zelfde jaar gebood ar- m C. G. KADius aan claudianus , Cöww ,( Graaf , ) van tori-6 ^^^^ Oosten , te zorgen, dat geen Joodsch Patriarch, ■ in het openbaar, befchimpt of gehoond worde (*),
en in het jaar 397 , aan den Prafectus Pratorio van Illyricum , dat 'er geen geweld gepleegd werd , aan de Jooden, voornaamlijk aan hunne Sijnagogen (f). In dat jaar beval hij, dat de Jooden, van eenige misdaad befchuldigd , of door hunne fchuldëifchers vervolgd, en daarom in eene Kerk vluchtende, en zich houdende, als of zij Christenen wilden wor- den, niet eer zullen aangenomen worden, vóórdat zij hunne fchulden betaald , of zich omtrent de be- fchuldiging gezuiverd hebben (§). Verders bepaal- de hij, in het jaar 398, dat de Jooden, als onder- danen des Rijks , hunne twistzaken, die hunnen Godsdienst niet betroffen , voor de gewone ge- rechtshoven zouden brengen, evenwel zal het hun geoorloofd zijn, met wederzijdfche bewilliging van partijen, dezelve ter beflisfing van Jooden, of zelfs van himne Patriarchen , als verkozene fcheidslieden , of goede mannen , te brengen , wier uitfpraak gelden , en van de overigheid ten uitvoer zal gebracht wor- den
Cod. lujl. Lihr. I. tit. 9. de Judais leg. 9.
(*) Cod. Thcod. l. c. kg. 11. ( t ) ^. c. kg. 12.
(5) Cod. Theod. Libr. IX. ///. 45. de his , qui ad Eccles. corifugiunt, l. c. Cod. hifi. Libr. I. tit. 12. de kis^ qui cct. leg. i. . -
G Ë S C FI I E D E N I S. 113
den (*). Omtrent deii vrijdom der Joodfche op- UI zieners van het waarnemen der burgerlijke posten, *oek had hij wel , in het jaar 397 , de oude wetten be- Hoofdft. Vestigd, doch, in het jaar 399, verordende hij, dat n^i C. G. de Jooden, in het gemeen, als zij tot eene ^^^^^^ ^ {qI^ ^-l' of wijk , behoorden , ook de posten derzelve moes- ■■■ ' ten waarnemen (f). Daar tegen bevestigde hij, in het jaar 404 , alle de voorrechten , welke tot hier toe aan de Joodfche Patriarchen , en aan de Opzieners van hunnen Godsdienst, gefchonken waren (§)»
HON'ORiL's , Broeder van arkadius, met zijnen Van no- Broeder voor een' tijd oneens , behandelde de Joo- ^ORius. den eenigzins ftrenger, gebiedende, in het jaar 398, dat de Jooden, alhoewel door arkadius daar van verfchoond , leden zijnde van eenige wijk , of gild , verpligt zouden zijn, om de lastposten van hetzelve waar te nemen (**}. Onverwacht was ook zijne wet van het jaar 399 (ff), waar bij hij de zooge- uoemde Apostelfchatting^ ( /^postolattis ^^ geheel af- fchafte. De Keizer vond het onvoegzaam , dat deze belasting uit zijn rijk, naa het Oosterlche, alwaar de Patriarchen der Jooden woonden , overgezonden
werd,
(*} Cod. Thcocl. Libr. II. ///. i. de Jurhdict. eet. /. lo. Cod. lufliti. Libr. I. ///. 9. de Jiidceis l. 8.
(t) Cod. Theod. Libr. XII. ///. i. de Decurionik. /. 165. Cod. Iiiftin. de Judceii l. 10.
(5) Cod. Theod. l. 15. de Jud.
(**) Cod. Theod. Libr. XII. tit. i. de Deciirian. leg. 157 > 158. Cod. lufl. Libr. X. /. 31. de Decurim. l. 49.
(Xt) Cod. Theod. de Juditis l. 14.
V. D££L. H
114 K E Pv K E L IJ K E
III werd. Hy verbood daarom, dat de laatfle bijcien- ^?^j^ gebrachte geldfommcii van deze belasting in de Kei- Iloofdft. zerlijke fchatkist gedort, en voortiian niets meer aan na C. G. ^Q Patriarchen betaald zou worden. Doch , in het tot 476 i^^'' ^-^'l- ^^^'^ HONORius deze wet weder in , en gaf ■ ■ i' ■■■'■ ■ den Jooden op niemv verlof, om deze belasting in te vorderen (*). In het jaar 404, verklaarde Kei- zer HONORIUS , dat de yocclcn , noch Samaritanen , in het vervolg, geene Keizerlijke gelastigden, Com- misfarisfen , of Zaakwaarnemers van het Hof , (^Agentes in Rebus ^^ zouden mogen wezen (f). Doch , hier op volgden weder gimftiger bevelen. In het jaar 409, en andermaal in het jaar 412, ver- bood deze Keizer , dat men de Joödcn , op den Sahhath , of andere Feestdagen , lastig zou val- len met perfoonlijke dienften of gerichtshandelin-
gen.
(*) Cod. Theod. l. i-j. de Judceis cct. Wij hebben reeds in het voorgaande IVde Deel, Bladz. /^6o gewag gevonden van deze belasting. Zij was eigenlijk inge- voerd , in plaats van de gewone jaarlijkfche heffing , dien de Jooden voor dezen aan den Tempel te Jcrvfalem overzonden, en werd thans aan hunnen Patriarch be- taald. Zij wordt ook Aunr.n Coronarium genoemd, om- dat men ze vergeleek met die gefchenken, welke onder dezen naam aan de Keizers gedaan werden. {^Cod. Theod.
Libr. XII. tit. 12. de Auro Coronar.) gothofredus I
heeft de gefchiedenis van deze belasting zeer goed opge- helderd. {^Comment. ad L 14. Cod. Theod. de Judieis.')
(1) Cod. Theodos. leg. 16. de Judais Coelicol. et Samarit>
GESCHIEDENIS. 115
gen (*), en in cene undcrc wet van liet jaar III 412 (f), voegt hij 'er bij, dat zich ooli niemand ^^^^ aan de Joodfchc Sijnagogen vcrgrijpe, of zich van noofdfl. dezelve meester malvC, dewijl zij de hun gefchon- na C. G. kene vrijheden gerust behoorden te genieten. Deze ^J^^j. ^-^[
Keizer vergunde zelfs, in het jaar 415, den Joo- .
den, niettcgenftaande de wet van konstantiüs ten tegendeele , dat zij Christen flaven mogtcn kopen , alleen onder voorwaarde, dat zij hen niet hinderen zullen in de oefening van himnen Godsdienst (§}. Het blijkt zelfs uit deze wet, dat de Jooden, ten dien tijd, een groot aantal Christen flaven en lijfei- genen moeten gehad hebben; waar op misfchien de uitroeping van den Dichter rutilil's , die ten dezen tijde leefde, doelen kan (**), ten zij die Dichter, de yooden noemende, tevciis de Christenen bedoeld hebbe, gelijk velen vermoeden. In eene andere wet, in het jaar 41 ö, gericht aan zekeren Leeraar han- ^'AS, en eenige oudflen der Jooden, {Annati Di-
das-
(*) Cod. Theod. Lihr. II. ///. 3. de Feriis leg. 3. Libr. VIII. ///. 8. de Exfecutor. et Exaction. leg. 8« Cod. luflin. leg. \%. de Judceis. (f) Cod. Theod. leg. 20. de Jiid. ( § ) Cod. Theod. Libr. XVI. ///. 9. ne Chritt. Mancipi Jud.eus habeat leg. 3.
(**) liin. Libr. l. vs. 395.
Atque utinnra nunquam Judsa fubacta fuisfet
Pompeji bellis, imperloque Titi, Latiiis excifa; pestis contagia ferpunt, Viccoresque fuos nntio victa premiS/
n 3
ii6 K E Pv K E L IJ K E
III da s cal o ^ et Majorihiis Judaorum^') vergunt hij ^^^ zulke Jooden , die zich , om fiirafFe te ontgatiu , of lïoofdft. om andere redenen, gehouden hadden, als wilden na C. G. 2ij Christenen worden , tot hunnen Godsdienst we- tot 1-6.'^^^^ ^'^ keeren. Want, zegt de Keizer, dit is een ■■ groot voordeel voor het Christendom (*). Einde-
lijk, verordende hij, in het jaar 418 (f), dat de Jooden, die reeds Keizerlijke gelastigden, (Commis- farisfen,) of tot Hofdienften verpligt waren, (^inter Pnlatinos militidc facramenta fortiti\ ) hunne pos- ten zullen blijven waarnemen, maar dat geencn van die natie dezelve in het vervolg zullen bekomen; doch de Jooden, welke zich in krijgsdienst bevon- den, QArmata miJitia^^ zw]hn dcnzelven terflond verlaten , zonder aanmerking van hunne vorige dien- {l'en. Indien echter Jooden verkiezen, zich op de Wetenfchappen toe te leggen, zullen zij. Advocaten mogen worden enz, Viin VA- Ook zijn 'er eenige wetten , de Jooden betreflen- LENTiNi- ^^ voor handen, van de Keizeren valentiniaan eiViiiiio' ■^•^^9 en THEODOsius II. Van den cerstgcmelden Dosius echter, is 'er flechts déne, welke hier toe behoort,
f'^m-pii ^"' '^^'^ ^^^^ i'^^^' 4-*^ ( S ) 9 ^vaar bij bepaald wordt , dat wanneer een kind of kinderen van eenen Jood of Samaritaan , het Christen - geloof omhelzen , dezelve niet mogen onterfd of in den uitei-ften wil der ou- deren geheel voorbijgegaan worden; zelfs al hadden zij jegens hunne ouderen of grootouderen zulke eu-
vcl- (*) Cod. Theod. l. 23. de Jud. (j) L. c. leg.. 24. C§) Cod. Theod. leg. 28. de Judxh.
geren.
GESCHIEDENIS. 117
veldaaden bedreven, om welke zij verdiend hadden III onterfd te worden , zal hun het pligtmatig deel , ^^^^ ( Legitima Portio , ) der crfenisfe niet mogen ont- Hoofdfl. houden worden, „ opdat zij," zegt de wet, „ ten "^ C.G. „ minden deze betonnig voor het verkiezen van {^^ ^^^^^
„ dezen Godsdienst ontvangen." Een grond, wei •
nig ftrokende met den waaren geest van het Chris- tendom ! De Jonge tiieodosius heeft vericheidene wetten omtrent de Jooden afgevaardigd ; dan om hen te beveiligen , maar fomtijds ook , om hen in te korten. In het jaar 408 , liet hij hun door de Stadhouders der Provintiën verbieden , dat zij , op hun Purim - Feest , niet meer het beeld van haman , en het kruis, waar aan hetzelve opgehangen was, tot befchimping van den Christen -Godsdienst, ver- branden, noch over het geheel hunne Godsdienst- plegtigheden tot hoon van dezen Godsdienst inrichten zouden (*)• gothofredus meent, dat het volgende geval, bij socrates (f) verhaald, aanleiding tot deze wet gegeven hebbe : De Jooden in Syrië, zich met allerhande fpel vermakende, begonnen, in hunne dronkenfchap , de Christenen, en christus zelven, te befpotten. Zij hadden vervolgends een Christen kind aan een kruis gebonden, dat eerst befpot en befchimpt, en eindelijk woedend gewor- den, zoo lang geflagen, tot het den geest gaf. Hier over was het tusfchen hen en de Christenen tot een gevecht gekomen, en de aanleggers van deze daad
on- r*) Cod. Theod. de Jiid.ns leg. 18. Cod. Iiiflin, eed. iit. leg. II. (f) I-Iisf. Eccles. VII. 16. H 3
iiS K E R K E L IJ K E
III onder de Jooden waren op Keizerlijk bevel geftraft g€-
^^^^ worden. Anderen (*) hebben echter aangemerkt, «at
ïloofdrt. de inhoud der bovengemelde wet met dit geval niets
na C. G. gemeen heeft. Eene andere wet van theodosius , Taar^ö*?. ... , , . i • i -, , , ,.
tot 476.^'^ "^'- J^^^^ 4^- ^'^^ verbiedt, dat geen Jood, die
"- onfchuldig is, enkel om zijnen Godsdienst mishan- deld of befchimpt: worde; even min zullen hunne Synagogen of woningen verbrand worden , terwijl , in allen gevalle , indien iemand eene misdaad begaat , het gezag der Gericlitslioven daar is , opdat nie- mand zich zelven wreke. JNIaar, aan den anderen kant, zullen de Jooden deze veiligheid niet misbrui- ken, om den ecibied, aan het Christendom ver- ichuldigd, te na te komen. De Patriarch der Joo- den , GAMALiëL , had verfchcidene zoodanige misilap- pen begaan. Om die reden gebood theodosius, in het Jaar 415 (§), dat men hem de volmagt, waarbij hij tot ccnen aanzienlijken Romcinfchen ecrc- post, ( Prafectiira Honoraria, ) was aangclteld , ontnemen zou. Ook mogt hij geene Synagogen meer ftichten, en die in eenzame oorden gevonden werden , zouden , indien het zonder oproer gefchie- den kon, worden omvergehaald. Hij zou zicli niet meer als Pvichter over Christenen gedragen; maar dat de twistgedingen tusfchen deze en de Jooden, afge- daan moeten worden, voor de overigheid in elk ge- west, Als hij beltaan zou , eenen Christen , of een
lid
( *) 13ASNAGE Hist, des Jtiifi Tom. Vll\. pag. 194.
(t) Cod. Thcod. dejirdceisl.21. Cod. Iiift. eod. tit. 1. 14.
( % ) Cod. Theod. de Jud. l. 22. coll. Cod. jfiifl. de Jud. 1. 1 5,
GESCHIEDENIS. 119
iid van eenige andere Godsdienst - gezindte , het zij m vrijen of lijfeigenen , met liet Joodfclie kenmerl; , "^'-'^ (der befnijdenis , ) te bevlekken; zou hij, of elk an- pjoofdfj. der daar aan deelachtige Jood , ten Itrengften gefh'aft "a C. G worden; en de Christen - flaven , die hij achter hield, J^j. ^_^
zouden aan de Kerk ten eigendom gegeven worden.
Dit laatfte maakte de Keizer, in de jaaren 417 en 423, tot algemeenc verordeningen (*). Dit laatst- gemelde jaar 423 was, over het geheel, vruchtbaar in wetten van theodosius, omtrent de yooden, wier Godsdienst -oefening, thans meer dan ooit, van de Christenen, met geweld, gefloord werd. Hij verbood dus den Christenen , onder voorwendzcl van hunnen Godsdienst, geenen Jood te beledigen, noch hunne goederen te plunderen (f). In eene andere wet (§)•> verbood hij, in het vervolg, den Jooden hunne Sijnagogen niet te ontnemen, of die te verbranden enz. De Keizer vernieuwde deze wet, in het zelfde jaar, op een Idaagfchrift der Jooden, maar daar tegen zouden zij ook van hunne bezit- tingen ontzet, en voor altijd gebannen worden, in- dien zij eenen Christen befneden , of lieten befnij- den (**); ook bekrachrigde hij deze wet nog één- maal in het gemelde jaar (ff). Uit eene wet, van
het
(*) Cod, Theod. Libf. XVI. tit. 9. 71e Chrht. Man- cip. Jnd. hab. leg. 4. 5. Cod. Iiijl. Libr. I. t. 10. l. i,
(f) Cod. Theod. Libr. XVI. tit. 10. de Pag. eet, leg. 24. Cod. Iiifl. Libr. I. tit. 11. de Pag. leg. 6.
(5) Cod. Theod. de Judceis leg. 25.
(**) Cod. Theod. l. 26, de -Jnd. (ff) L. c. leg. er. H4
120 K E R K E L rj K E
ni het jaar 429, Wijkt, dat het befliiur der Jooden
"^^^ eene groote verandering ondergaan had. De Keizer
Hoofdft. THEODOsius beveelt in dezelve, dat de Opzieners^
^^ ^'^' (Pri;;wtes ,') van hunne vergaderingen, (Synedria^^
tot 476* ^^^^ fchattinggeid voortaan op hunne verantwoording
•-' zouden inzamelen, hetwelk aan de voormalige Pa^
tri'drchen gebracht pleegt te worden (*). Einde^ lijk verbood deze Keizer , in het laatstgemelde jaar (f), dat geen Jood eenigen eerepost, bijzonder geen overheids-ambt , in eene (lad bekleden zou, cpdat zij gcene magt zouden hebben , om tegen Christenen , en derzelver Leeriiaren , als het ware , ter befchimping van het ChristUik geloof , eenig ftreng vonnis te vellen. Ook mogten geene nieuwe Synagogen gebouwd, maar alleen de oude verbeterd en onderhouden worden. Wie eene nieuwe Syna- goge bouwde , zou niet alleen 50 ponden gouds betalen , maar ook zijne goederen verbeuren , ja , |iem wordt zelfs de doodftraffe gedreigd. IVTishan- Uit de bovenflaande wetten is ligt te befluitcn, hngen ^^^ ^^^^ verkeerde ijver der Christenen , en hun ócn Joo- , cv 7
den aan- Godsdienftigc haat tegen de jooden ^ hen tegen de- gedaan. 2£iye verfcheidene mishandelingen deed plegen , waar tegen de Keizers dit ongelukkig volk naauwlijks door hunne wetten beveiligden , terwijl ook , aan den an- deren kant, uit dezelfde wetten blijkt, hoe ver de haat der Jooden ging, om, waar zij mogten, de Christenen te hooneu en te beledigen. Zij hadden
de. (*) Cod. Theod. de Jud. leg. 29. Cod. Iiifi. eod. f. /. 17, ( ■[) Cod. hl ft. L. I. tit. 10, de Judceii et Coelic. l. 10,
GESCHIEDENIS. 121
èezm haat onder de regering van Keizer juliaan , III den vollen teugel gevierd, en dci| Heidenen, ver- ^'^^^ fcheidene koeren, de behulpzame hand geboden, in Hoofdd. het verbranden van Christen -Kerken (*); thans "^ C. G. fchijnen de Christenen gedacht te hebben , dat het ^^^ ^^^\ nu hun tijd was, om dit den Jooden te vergelden,—
Het treurigst was, dat zoodanige gewelddaadig- IJver van lieden , niet alleen van het dom gemeen gepleegd , Jj^jJ^^gJ^. maar van de voornaamfle Leeriiaren der Christenen fchopvaa zelve goedgekeurd en verdedigd werden. In het '^^'^^"j jaar 393, of wat VToeger, hadden de Christenen , jooden. te CaUiniciim^ een klein plaatsjen in Mefopotami'è y in een' oploop, eene Synagoge der Jooden, en een bosch der Valentinianen^ met eene Kerk in hetzel- ve, in brand geftoken, omdat de gooden en Valen- tini'dncn eenige Christen -Monniken befchimpt had- den. Keizer theodosius, hier van bericht ontvan^ gen hebbende, gaf den Bisfchop dezer plaats, die de Christenen aangehitst had, bevel, om de Syna- goge , op zijne kosten , weder op te bouwen , ge- lastende, dat de overige handdaadigen zouden ge- ftraft Ivorden, Dit vonnis des Keizers mishaagde aan aimbrosius, Bisfchop van Milaan^ en bracht Jiem in eene ongelooflijke drift. Hij fchreef aan den Keizer, onmidlijk, eenen langen hevigen Brief (f), ten einde den Vorst te bewegen, om dit gebod in
te
(*) AMBRosius verwijt hun dit, eene geheele lijst v3n Kerken, bij name, opnoemende. Epht. Libr. II. Epnt^ '/• P^S- 213- Tom, V. Opp. cd. Paris, 1642. fol.
(t) f-pist. 17. /. c. png. OU. %,
H5
i22 K E R K E L rj I{ E
III te trekken. Deze Brief is een ftaaltjen van verkeer-
^'J!?^ den ijver , die ^ich verbeeldt , de zonk van God
Hoofdft. voor te (laan. Onder anderen zegt de Bisfchop :
na C. G. Waarom wilt gij over eenen afvvezenden vonnis-
janr 363.
tot 47Ö. ?9 l't^"^ Hi<^ï' hebt gij iemand tegenwoordig, die
' 5, zich fchuldig belijdt! Ik zeg hier mede overluid ^
5, dat ik de Synagoge aangefloken , dat ik hun ge- „ boden heb , geene plaats meer te laten ftaan , „ waar Christus verloochend wordt l'''' En hij fluit zijnen Brief, met den Keizer te verzekeren, dat hij hem, fchriftelijk , hier over had willen on- derhouden , eershalven , opdat de Keizer hem in zijn Paleis hooren mogt, en opdat het niet nodig zou zijn, hem in de Kerk te hooren. Dewijl de Brief de bedoelde uitwerking miste, gebeurde even- wel dit kort daarna. Te weten , ambrosius , te Mi- laan voor den Keizer predikende, verweet hem openlijk, met eene verregaande koenheid, dat hij bij zijn bed uit bleef volharden. Na den Keizer flrcng tloorgehaald te hebben, bleef ambrosius zoo lang ftaan, tot de Keizer, op zijnen herhaalden aan- drang, beloofd had, dat de befchuldigde Christe- nen volftrekt niets te vrezen hadden. Toen ging de Bisfchop eerst naa het Altaar, om het gewoone ge- bed, en de overige deelen van den dienst, te ver- vullen ( * ). De Levensbefchrijver van ainibro- siüs (t), voegt 'er nog bij, dat de Keizer, toen
de (*) Men weet dit uit den Brief vnn ambrosius zel- ven, ajin zijne Zuster Epht. 18. pag. 216. fqq.
(f) PAULiN. Vit, Ambroi. p. 82. T, I. Opp. Ambros.
GESCHIEDENIS. 123
tk Bisfcliop van den kanzcl kwam, tegen hem zc'i- UI ik : M Gij hebt van daag tegen ons gepredikt ! " - ^^^^ ,, Niet tegen u," antwoordde ambrosius, „ maar Hoofdft. „ voorul" Ook zeidc hij tevens tegen de bevel- "'«i C. G, hebbers, die 'er op aanhielden, dat ten minden de j^J^ |^^*
Monniken behoorden geflxaft te worden, „ dat hij 1-
„ thans met den Keizer, en geheel niets met hen ,, te doen had!" Elk onbevooroordeelde zal zich hier over de zwakheid van den Keizer minder verwonderen , wanneer hij deszelfs karakter , hier voor door ons be- fchreven , in aanmerking neemt , dan over het onver- ichoonlijk gedrag van den Bislchop , die , onder voor- vvendzel van de zaak va;i God voor te itaan , den loop der gerechtigheid , op eene oproerige wijze , ftremde , en ftrafloosheid torderde voor rusrverftoordcrs , en het- welk geheel tegen den aart van den Christen - Gods- dienst ftrijdt, voor openbare vervolgers; en deze daad is evenwel naderhand als eene heldendaad van eenen man , die wegens zijne godzaligheid en ge- leerdheid beroemd was, van velen geprezen, en tot verfchoning van rampzalige bnitenfporighcden mis- bruikt geworden (*)!
Behalven asibrosius, waren 'er nog meer Christ- cvrtllus lijke Leeraars van dezen tijd, tegen de Jooden on- '^^'^''^'"i^^ gemeen werkzaam, cyrillüs , Bisfchop van J/ex- den uit' andn'ë, dreef hen, in het jaar 415, uit deze hoofd- Alexan- ilad van Egypte, hoewel de Jooden zelve 'er, vol- ^'^^'^*
gends
(*) I\Ien leze het oordeel van bavle Commem. Phi- los. P. II. Cap. 5. pag. 2,79' e" b.\rbeyrac Traite de la vwalc dcircvci de f Egl. pag. 325, fq.
ïH K E R K E L IJ K E
lïl gends SOCRATES (*), vrij wat reden toe gaven. ^^^^ De Jooden te Akxamlrië waren , even als de ove- Hoofdfl. rige ingezetenen dezer ftad, zeer gereed tot onrust m C. G. en baldaadigheden , welke dikwijls in bloedftorting tot 476! £i"<^isclen. Ten dezen tijde was , over den ■ fchouwburg en de dansfers in denzelven , een
twist ontdaan, en de burgers van Akxandri'é wa- ren daar over in twee partijen verdeeld. Als de Jooden op eenen Sabbath , in plaats van hunnen Godsdienst waar te nemen, daar als aanfchouwers gekomen, zich voor de ééne partij verklaarden, nam de verwarring onder de groote menigte der overige toekijkers een begin. De Stadhouder orestes be- teugelde dezen oploop wel, maar de beide partijen bleven op malkandereii verbitterd. Kort daar na maakte orestes in den Schouwburg eenige fchik- kingen, in naam der regering. Hier bevonden zich ook de aanhangers van cyrillus, om te vernemen, wat de Stadhouder bevelen zou; onder anderen ze- ker fchoolmeester hicrax, (tiw der ijverigde toehoo- rers van cyrillus , en gewoon hem , onder zijn preeken, boven anderen, toe te juichen. Zoo dra de Jooden dezen in den Schouwburg zagen , begon- nen zij te fchreeuwen, dat hij enkel daar gekomen was, om het volk tot oproer aan te hitzen. ores- tes, vvien de heerschzucht der Bisfchoppen reeds lang tegen de borst ftiet, omdat zij de magt dei' Keizerlijke Bevelhebberen te zeer bepaalden , en dien het verdroot, dat cyrillus zijn doen dus befpie-
den (*) Hiu. Eccles. VII. 13,
GESCHIEDENIS. 125
den wilde, liet iiiëRAX vatten, en daar in den lll Schouwburg pijnigen, cyrillus , dit vernomen ^"^ Jiebbende, ontbood de voomaamften der Jooden bij noofdft. zich , welke hij eene fcherpc bedreiging deed , in- "^ C. G. dien zij niet aflieten , opftand tegen de Christenen ^'^^ ^^J te verwekken. Dan deze bedreigingen verbitterden *■■ hetjoodfche gemeen nog meer , zoodat zij , op aller- leië wijzen , bedacht waren , om de Christenen te be- nadeelen. Onder anderen , liepen zij , op zekeren nacht, door de ftad, roepende, dat 'er in eene Christen - Kerk brand was ontdaan, en toen de Christenen kwamen toefchieten , om den brand te blusfchen, werd eene menigte van him door de Jooden overvallen en veraioord. Deze fnoodheid den volgenden morgen ontdekt zijnde, begaf cy- rillus zich , met eenen hoop volks , naa de Joodfche Sijnagoge ^ welke hij den Jooden met ge- weld ontnam, hen de flad uitjoeg, en hunne goe- deren liet plunderen. Onder deze Jooden^ welke thans Alexandri'ê verlieten , bevond zich zekere ADAJNiANTius, een Leeraar in de Geneeskunde, die tot den Bisfchop van Konflantinopolen week, cu vervolgends den Christelijken Godsdienst aangeno- men hebbende, naa Alexnndrlé terug keerde. De Stadhouder orestes, onvergenoegd , dat, op deze wijze, Alexandriè van een zoo groot aantal inwo- neren beroofd werd , zond een bericht van het voor- gevallene aan den Keizer over , doch , alzoo cyril- lus een tegenbericht overzond, opgevuld met klag- ten over liet gedrag der Jooden , bleef hun lot on- ver-
126 K E R K E L [J K E
III veranderd, baronius (*) heeft wel dit verhaai
BOKK yjjjj socRATEs, omdat het den Bisfchop in een on-
Hoofdft. g""ftig daglicht plaatst, in twijfel pogen te trekken,
na C. G. onder voorvvendzel , dat socrates een Novatiaan ,
Taar 363. , ., ,
toe 4-6 ^" "'^''^ '■'^S^^'^ cvRiLLus vooringenomen zal geweest
■ zijn, doch vergeefs: dewijl het verhaal, het gedrag
der Jooden en des Bisfchops onpartijdig aiVchilderen- dc , dus zijne geloofwaardigheid genoegzaam Itaaft. Verhaal J3ij zoodanige gezindheden en gedrag, waar toe ^'^ . een verblinde Godsdienst - ijver de Jooden en Chris- vaneen tenen van weerskanten vervoerde, behoeft men zich aantal j-jj^j- {^ bevreemden, dat men, ten dezen tijde, zoo op Mi- weinig leest, van Jooden, die tot het Christelijk norka. geloof bekeerd zijn geworden. De enkele voorbeel- den, die men daar van ontmoet, zijn ook, even als die der Heidenen, opgevuld met wonderbare verhalen , welke enkel op de verzekering van cénen of anderen Bisfchop, of van eene ligtgelovige menigte llemien, zonder dat de omftandighedcn en oorzaken behoorlijk worden opgegeven. Dus heeft men een verhaal van de bekeering van 5 of 600 Jooden, op het eiland Minorka^ in het jaar 418, in eenen Brief van den Bisfchop van gemelde eiland severus (f).
VoL
(*) /Inn. Eccles. a. 415. ??• 40«
(■j-) BARONIUS avn. Eccles. a. 418. n. 45. heeft den- zelven uit een Ilandfclirift der Vaticaanfche Boekerij in het licht gegeven. Hij ftant ook in de Benedictiner uit- gave der werken van augustinüs Api^end. ad Tom. VIL •pag, 12. fq. ed. Antvevp.
GESCHIEDENIS. 127
Volgends dit verhaal waren 'er toen, op het eiland III Minor ka, twee lieden Jammona oï yamono- , en ^^^ Magona of Mago , beide door de Karthaginenfcn Hoofdft. aangelegd : de eerstgenoemde van deze fteden bezat '^^ ^' ^» volgends de overlevering het vooiTecht, dat geen [^^ ^^^]
Jood aldaar wonen kon, zonder gevaar van eene
onmidlijke dood; onze Bisfchop wil dit des te lig- ter geloven , omdat 'er ook op dit eiland geene wolven of andere fchadelijke dieren gevonden wor- den, en de (langen en fcorpioenen derzelver vergif- tige krachten verliezen. Maar in de flad Magona woonden daar tegen meer Jooden dan Christenen, welke onderling in vrede en vriendfchap leefden; doch , toen om dezen tijd de overblijfzelen van den zaligen stefanus, door eenen heiligen Priester (*) iiaa Spanje gebracht, en ongetwijfeld door ingeving van dezen Martelaar, in de Kerk der gemelde ftad waren nedergezet, brak men alle verkeering met de Jooden af; de fchadelijke ingewortelde liefde veran- derde in eenen tijdlijken haat ; doch uit liefde voor hunne eeuwige Zaligheid. Op de ftraten en in alle huizen werden gevechten des geloofs tegen de Jooden geleverd; tervviil de Jooden hunne Sijnagoge met Iteenen en allerhande wapenen vulden. Bij hen , zoo wel als bij de Christenen, hadden verfcheidene lieden Godlijke droomen, die hun meldden, wat 'er ftond te gebeuren. De Bisfchop zelf te Mago gekomen , trok , met eenen hoop Christenen , op de Sijnagoge los. Thans wierpen eenige Joodfche
wij- (*) oRosius. Zie boven Liadz. 50.
liS R Ê R K E L Ij K È
III wijven eene hagelbui van fleencn op de Christe*
^^F^ nen , maar zonder iemand te raken , en als de Chris-
Hoofdft. tenen, tegen de vermaning van severus aan, dit
m C. G. insgelijks met het werpen van ftcenen beantwoord-
cot lr6 '■^'^" ' ^^^^'"^ ^^^^ S^'^" J'^^'^ getroffen. Vervolgends
ftak men de Sijnagoge in brand, maar men pkm-
derde niet ; de Jooden ftonden verbaasd , zonder we* derftand te doen, en de Christenen begaven zich naa hunne Kerk, om God voor deze overwinning te danken. Bij deze gelegenheid, omhelsden vele Jooden het Christelijk geloof, niet zonder tusfchen- komende wonderen. Eenige Jooden, die zich naa het land begeven hadden , om de Christenen en hunne bekeerde volksgenoten te ontwijken , geraak- ten in doornboschjens verdwaald, en konden den rechten weg niet vinden , vóórdat zij den naam van CHRISTUS hadden aangeroepen. Jooden en Cliriste- nen zagen eenen grooten ongemeen helleren licht- klomp, in de groote van een"" mensch; dit was, zegt SEVERUS, of een Engel, of de Heilige ste- TANUS zelf. 'Er viel een kleine hagel, die een* fmaak had, als honig, en het water van eenen vij- ver werd, op dezelfde wijze, veriinderd. Zie daar een verhaal van eenen man, die Bisfchop, en zelf mede werkzaam was ! welk verhaal ons genoeg ieeit , dat de bekeering dezer Jooden een begin nam, met hen te mishandelen, en hunne Sijnagoge in brand te (teeken, terwijl de kracl\^ der overblijf- zelen van den H. stefanus, en de bovengemelde wonderen, te pas gebracht fchijnen, om dón verkeer- den ijver daar mede te bedekken en te cmflnijeren.
Duch ,
GESCHIEDENIS. 129
Doch, het geen ons den geest dezer eeuw, ge- III
neigd tot wonderen, nog meer leert kennen, de ^'^^^
wonderen gebeurden niet alleen , om de bekeering Hoofdd.
der Toodcn te begiinfligen , maar ook , om zulke be- '" C- G,
driegcrs , wier bekeering Hechts voorgewend was , ^q[ 'l^ A'
te ontdekken, waar van socrates